Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5527

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2132
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ook over een voorbij jaar kan eiseres recht hebben bij een rechterlijk oordeel over de vraag of een herziening van de afgegeven VAR rechtmatig was. Dit is een rechte te respecteren procesbelang. Een nieuwe aanvraag VAR kan niet worden aangemerkt als bezwaar tegen de reeds afgegeven VAR-verklaring. Alleen voor arbeidsrelaties die onder overeenkomstige condities worden verricht, kan in dezelfde VAR-verklaring een kwalificatie worden gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2551
V-N Vandaag 2016/2233
V-N 2016/67.2.2

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/2132 en 15/3152

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 oktober 2016

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

1. de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Groningenverweerder, en

2. de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),de Staat

Procesverloop

Verweerder heeft in een beschikking met dagtekening 4 maart 2014 voor het jaar 2014 aan eiseres een beschikking verklaring arbeidsrelatie loon uit dienstbetrekking (VAR Loon) afgegeven, met daarop de vermelding dat de VAR-loon geldig is vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 maart 2015 het bezwaar tegen deze beschikking niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 15 april 2015, ontvangen door de rechtbank op 17 april 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 18 maart 2015 voor het jaar 2015 een beschikking verklaring arbeidsrelatie resultaat uit overige werkzaamheden (VAR ROW) afgegeven.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 mei 2015 deze beschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 2 juni 2015, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. Verweerder heeft voor de zitting een nader stuk ingediend dat eveneens in afschrift is verstrekt aan eiseres.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, haar boekhouder, [A] , en haar echtgenoot. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [B] .

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

De Staat is in dit verband zonder nadere oproeping partij in deze procedure. Dit is het gevolg van de beleidsregel van 8 juli 2014 (nr. 436935, Staatscourant 2014, nr. 20210), die op 1 oktober 2014 in werking is getreden. Op grond daarvan is het, behoudens uitzonderingen die zich hier niet voordoen, niet nodig om de Staat om een reactie te vragen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is vanaf 1998 als gediplomeerd ziekenverzorgende werkzaam geweest in verschillende verpleeghuizen en in de thuiszorg. Sinds juli 2012 is zij, naast werkzaamheden in dienstbetrekking, werkzaam als zzp-er onder de naam [C] . De activiteiten van [C] bestaan, blijkens gegevens van de Kamer van Koophandel, uit het verlenen van thuiszorg en het verlenen van zorg in zorginstellingen, zowel intra- als extramuraal. Eiseres heeft een beroepsaansprakelijkheidsverzekering en een website met de naam [D] . Voor haar werkzaamheden in de periode juli 2012 tot en met december 2013 heeft eiseres van verweerder een beschikking VAR winst uit onderneming (hierna: VAR WUO) ontvangen.

2. Met dagtekening 1 november 2013 heeft eiseres een VAR aangevraagd voor het jaar 2014, met het doel wederom een VAR WUO te verkrijgen. Eiseres heeft hierbij, samengevat en voor zover thans van belang weergegeven, de volgende antwoorden gegeven:

  • -

    “2a: Omschrijf de soort werkzaamheden waarvoor u de Verklaring arbeidsrelatie aanvraagt (VAR-werkzaamheden): Gediplomeerde (thuis)zorg in verzorgings-en verpleeghuis (zorg in natura);

  • -

    2b: Hebben wij uw inkomsten uit de VAR-werkzaamheden in de afgelopen 5 jaar al eerder beoordeeld?: Ja, als winst uit onderneming;

  • -

    2c: Hoe beoordeelt u zelf de inkomsten uit de VAR-werkzaamheden waarvoor u de verklaring aanvraagt?: Als winst uit onderneming;

  • -

    2d: Hoeveel uur verwacht u aan de VAR-werkzaamheden te besteden?: 700 uur of meer;

  • -

    2e: Hoeveel opdrachtgevers verwacht u te hebben?: 3 tot 7 opdrachtgevers;

  • -

    2f: Hoeveel opdrachtgevers had u voor de VAR-werkzaamheden in het voorafgaande jaar?: 3 tot 7 opdrachtgevers;

  • -

    2g: Kunt u de VAR-werkzaamheden meestal zonder toestemming van een opdrachtgever door iemand anders uit laten voeren?: Ja;

  • -

    2h: Wanneer bent u begonnen of gaat u beginnen met de werkzaamheden?: Vorig jaar of eerder;

  • -

    2i: Is het risico voor u als een opdrachtgever niet tevreden is over uw werk?: Ja;

  • -

    2k: Verwacht u de VAR-werkzaamheden meestal uit te voeren voor opdrachtgevers waar dezelfde werkzaamheden ook in loondienst worden uitgevoerd?: Ja;

  • -

    2l: Verwacht u de VAR-werkzaamheden uit te voeren via detachering, uitzending of bemiddeling?: Nee;

  • -

    3a: Wat zijn uw geschatte jaarinkomsten voor de VAR-werkzaamheden?: € 25.000 of meer;

  • -

    3c: Wordt u door uw opdrachtgever(s) doorbetaald als u ziek bent of vakantie hebt?: Nee;

  • -

    3d: Bent u verplicht alle aanwijzingen van uw opdrachtgevers op te volgen?: Nee;

  • -

    3e: Verwacht u dat de inkomsten voor meer dan 70% worden behaald bij 1 opdrachtgever?: Nee;

  • -

    4a: Verstuurt u facturen?: Ja;

  • -

    4b: Maakt u reclame?: Ja;

  • -

    4f: Investeert u jaarlijks meer dan € 2.500?: Ja;

  • -

    4g: Verricht u de werkzaamheden op de locatie van de opdrachtgever?: Nee.”

3. Per brief van 3 december 2013 heeft verweerder middels een bijgevoegd formulier aanvullende vragen gesteld aan eiseres. Eiseres heeft het formulier ingevuld en voorzien van bijlagen op 27 februari 2014 aan verweerder teruggezonden. Hierbij heeft eiseres onder meer het volgende aangegeven:

  • -

    zij geniet op dat moment geen loon uit dienstbetrekking;

  • -

    zij sluit geen overeenkomsten rechtstreeks met het zorgkantoor;

  • -

    zij wordt rechtstreeks door haar opdrachtgevers betaald.

Tevens heeft zij overeenkomsten met diverse instellingen bijgevoegd, alsmede een kopie van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering, facturen uit oktober en december 2013, en enkele certificaten die van belang zijn voor de uitvoering van de zorgwerkzaamheden.

4. Aan eiseres is met dagtekening 4 maart 2014 voor het jaar 2014 een VAR Loon afgegeven.

5. Op 24 maart 2014 is bij verweerder voor 2014 een nieuwe VAR aangevraagd. Eiseres heeft hierbij op een aantal vragen andere antwoorden gegeven, dan vermeld onder 2.

6. Op 26 maart 2014 heeft verweerder de onder 5. bedoelde aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgewezen omdat het in deze aanvraag ging om soortgelijke werkzaamheden als bij de onder 4. vermelde beschikking. Deze afwijzing behoort niet tot de gedingstukken.

7. Bij brief met dagtekening 1 mei 2014 heeft de toenmalige gemachtigde van eiseres, [A] , een bezwaarschrift ingediend tegen de afwijzing van de aanvraag van een verklaring arbeidsrelatie van 26 maart 2014. Dit bezwaarschrift is op 20 mei 2014 door verweerder ontvangen. Verweerder heeft het bezwaarschrift aangemerkt als een bezwaar tegen de onder 4. vermelde beschikking van 4 maart 2014. Bij de uitspraak op bezwaar van 9 maart 2015 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

8. Eiseres heeft op 11 december 2014 een VAR WUO voor 2015 aangevraagd, waarop verweerder op 18 maart 2015 een VAR ROW voor het jaar 2015 heeft afgegeven. Op 23 april 2015 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de onder 7. vermelde beschikking. In het bezwaarschrift is onder meer het volgende vermeld:

“In de bezwaarfase gericht tegen de weigering een VAR WUO over het jaar 2014 te verstrekken, heeft de belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat sprake is van loon uit dienstbetrekking. Tegen de uitspraak op bezwaar is inmiddels beroep bij de rechtbank ingediend.

Hoewel de situatie van mevrouw [X] en de werkzaamheden die zij gaat verrichten voor het jaar 2015 hetzelfde is als voor het jaar 2014 ontving zij thans een VAR ROW (resultaat uit overige werkzaamheden.”

9. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar met betrekking tot 2015 heeft verweerder de VAR beschikking gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres haar werkzaamheden niet als ondernemer verricht, maar dat sprake is van in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden. Omdat een ingediend bezwaarschrift niet mag leiden tot een minder gunstige positie, heeft verweerder de beschikking VAR ROW in stand gelaten.

10. In het kader van een landelijke zorgpilot voor directe contractering van zelfstandige zorgverleners voor het bieden van thuiszorg op basis van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) in 2014, respectievelijk de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) in 2015 heeft eiseres zorg verleend:

  • -

    op basis van een raamovereenkomst AWBZ zzp’ers met Menzis;

  • -

    op basis van een raamovereenkomst AWBZ zzp’ers met VGZ;

  • -

    op basis van een overeenkomst wijkverpleging 2015 met Achmea.

Voor de op basis van deze overeenkomsten te verrichten werkzaamheden heeft eiseres een VAR WUO gevraagd en gekregen.

Geschil

11. In geschil is of eiseres nog een procesbelang heeft bij haar beroep ten aanzien van de VAR Loon voor 2014. Verweerder stelt dat dit niet het geval is, omdat de VAR Loon, zoals deze op 4 maart 2014 is afgegeven, ziet op een reeds voorbije periode, terwijl de VAR bedoeld is om zekerheid vooraf te bieden.

12. Verder is in geschil of het bezwaar ten aanzien van de VAR Loon voor het jaar 2014 terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

13. Het inhoudelijke geschil gaat in beide jaren over de vraag of eiseres recht heeft op een beschikking VAR WUO.

Beoordeling van het geschil

Procesbelang

14. De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of eiseres voldoende belang heeft bij een beslissing in beroep. Verweerder heeft voor het eerst ter zitting aangevoerd dat dit niet het geval is. De rechtbank oordeelt als volgt.

15. Eiseres heeft gesteld dat zij als gevolg van de beslissing van verweerder om haar vanaf 2014, in tegenstelling tot eerdere jaren, geen VAR WUO meer te geven maar een VAR Loon, aanzienlijk minder werk kreeg van zorginstellingen. De rechtbank begrijpt eiseres aldus dat zij stelt dat zij als gevolg van het bestreden besluit schade heeft geleden. Dat eiseres een rechterlijk oordeel wenst met betrekking tot de vraag of dit besluit rechtmatig was, vormt een in rechte te respecteren belang. Verweerder heeft bovendien ter zitting onderschreven dat de onderhavige beschikking een uitstralingseffect kan hebben naar een beoordeling voor de inkomstenbelasting en heeft daarin een procesbelang onderkend.

16. De rechtbank concludeert derhalve dat er geen aanleiding is het beroep vanwege het ontbreken van een procesbelang niet-ontvankelijk te verklaren.

Ontvankelijkheid bezwaar 2014

17. Vervolgens komt de vraag aan de orde of verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres heeft gesteld dat de onder 5. bedoelde aanvraag VAR van 24 maart 2014 moet worden aangemerkt als een (tijdig) bezwaar tegen de beschikking van 4 maart 2014. De rechtbank verwerpt dit standpunt. Ingevolge artikel 3.156 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) wordt een VAR-verklaring gegeven voor arbeidsrelaties waarin sprake is van hetzelfde soort van werkzaamheden die onder overeenkomstige condities worden verricht. Ten aanzien van activiteiten onder andere condities moet daarom telkens een nieuwe VAR worden aangevraagd. Het hoefde verweerder daarom naar het oordeel van de rechtbank niet kenbaar te zijn dat de op 24 maart 2014 ingediende aanvraag bedoeld was als een bezwaar tegen de beschikking van 4 maart 2014. Dat verweerder de werkzaamheden waarop de aanvraag ziet vervolgens als soortgelijk heeft aangemerkt, leidt niet tot een ander oordeel temeer nu eiseres’ toenmalige gemachtigde ook heeft gesteld dat de aanvraag van 24 maart 2014 afwijkt van de eerder gedane aanvraag. In het bezwaarschrift van 1 mei 2014, ontvangen door verweerder op 20 mei 2014 wordt door de toenmalig gemachtigde van eiseres immers specifiek verwezen naar de aanvraag van 24 maart 2014 en geeft daarbij een toelichting waarom de aanvraag van 24 maart 2014 afwijkt van die van 1 november 2013. De rechtbank is derhalve van oordeel dat, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, het moet worden aangemerkt als te zijn gericht tegen het besluit van verweerder van 26 maart 2014.

18. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post (PostNL) wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij verweerder is ontvangen.

19. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit van verweerder van 26 maart 2014 pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 7 mei 2014. Verweerder heeft onweersproken gesteld het bezwaarschrift met dagtekening 1 mei 2014 niet eerder te hebben ontvangen dan op 20 mei 2014, tezamen met de brief van de voormalig gemachtigde van eiseres van 16 mei 2014. De bezwaarschriften zijn dus, gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb, niet tijdig ingediend.

20. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit geconcludeerd kan worden dat de termijnoverschrijding op grond van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar zou zijn.

21. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, stelt de rechtbank vast dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, zodat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 9 maart 2015 ongegrond dient te worden verklaard. Aan een inhoudelijk oordeel over het jaar 2014 komt de rechtbank daarom niet toe.

VAR ROW 2015

22. Vervolgens komt aan de orde of verweerder voor het jaar 2015 een VAR WUO had moeten afgeven, naar eiseres stelt en verweerder bestrijdt. Tussen partijen is daarbij met name in geschil of voor alle activiteiten van eiseres tezamen moet worden beoordeeld of deze een onderneming vormen, zoals bij de beoordeling voor de inkomstenbelasting het geval is, of dat alleen werkzaamheden die onder gelijke of soortgelijke condities worden verricht tezamen kunnen worden genomen en dat voor werkzaamheden onder verschillende condities verschillende VAR verklaringen moeten worden aangevraagd.

23. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat voor de toepassing van artikel 3.156 van de Wet IB alleen voor arbeidsrelaties waarin sprake is van werkzaamheden die onder overeenkomstige condities worden verricht, in dezelfde verklaring een kwalificatie kan worden gegeven hoe deze voordelen uit deze arbeidsrelaties moeten worden gekwalificeerd. (vergelijk Gerechtshof Amsterdam 24 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1368).

24. Dit brengt mee dat voor de werkzaamheden die eiseres verricht in het kader van de landelijk zorgpilot terecht een afzonderlijke VAR heeft gekregen. Niet in geschil is dat dit terecht een VAR WUO is. Deze kwalificatie kan echter geen rol spelen bij de beoordeling van de onder andere condities verrichte werkzaamheden.

25. Uit de gedingstukken leidt de rechtbank af dat het voor het jaar 2015 gaat om de werkzaamheden die zij ook in 2014 verrichtte en daarnaast een aantal andere werkzaamheden. Het gaat om hierna genoemde zorg:

- zorg op basis van een dienstbetrekking bij Stichting [E] ;

- zorg op basis van een dienstbetrekking bij [F] B.V.;

- zorg in natura op basis van een zorgverleningsovereenkomst met Stichting [G] ;

- zorg in natura op basis van een zorgverleningsovereenkomst met [H] ;

- zorg in natura op basis van een bemiddelingsovereenkomst met [I] ;

- zorg in natura op basis van een bemiddelingsovereenkomst met [J] ;

- zorg op basis van een bemiddelingsovereenkomst met [K] B.V. voor Stichting [L] ;

- zorg op basis van mondelinge afspraken met Stichting [M] ;

- zorg op basis van mondelinge afspraken met Stichting [N]

- zorg op basis van een zorgverleningsovereenkomst met [O] , via [J] als zorgbemiddelaar;

- zorg op basis van een zorgverleningsovereenkomst met [P] , via [J] als zorgbemiddelaar;

- zorg op basis van een zorgverleningsovereenkomst met [a] – Flexpool, via [J] als zorgbemiddelaar;

- zorg op basis van een lidmaatschap van de Coöperatie [b] U.A. (hierna: Coöperatie [b] );

- PGB-zorg op basis van een zorgovereenkomst met de heer [c] die voor 2015 beschikte over een persoonsgebonden budget (hierna: PGB).

26. De rechtbank is van oordeel dat de werkzaamheden niet allemaal onder soortgelijke condities zijn verricht. De rechtbank zal deze daarom afzonderlijk bespreken.

27. Ten aanzien van de werkzaamheden die eiseres in dienstbetrekking heeft verricht (Stichting [E] en [F] B.V.) is de rechtbank van oordeel dat de voordelen hieruit niet kunnen worden aangemerkt als winst uit onderneming.

28. De werkzaamheden die eiseres heeft verricht voor Stichting [G] zijn uiteindelijk - anders dan in eerdere jaren - verricht op basis van een arbeidsovereenkomst, omdat eiseres de door haar gewenste VAR WUO niet had verkregen. De rechtbank oordeelt over deze werkzaamheden als volgt.

29. Bij de Stichting [G] is sprake van zorgwerkzaamheden in natura.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) en artikel 1.2, onderdeel 17 en 18, van het Uitvoeringsbesluit WTZi mag persoonlijke verzorging en verpleging waarop ingevolge de ZVW recht bestaat slechts worden verleend door instellingen die daarvoor een toelating hebben van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Voor de uitvoering van de te verlenen zorg in natura sluiten verzekeraars overeenkomsten met toegelaten instellingen, hierna aan te duiden als toegelaten zorgaanbieders. Vaststaat dat eiseres niet als toegelaten zorgaanbieder is aangewezen, geen contract heeft met verzekeraars en daarom niet beschikt over een zelfstandig declaratierecht.

30. Uit het vorenstaande volgt dat eiseres niet onder eigen verantwoordelijkheid en voor eigen rekening (thuis)zorgwerkzaamheden in natura aan zorgvragers kan aanbieden. Die zorgvragers hebben immers jegens hun verzekeraar recht op zorg in natura, welke zorg in opdracht van die verzekeraars slechts mag worden verleend door en onder verantwoordelijkheid van een toegelaten zorgaanbieder. Deze schakelt bij het verlenen van die zorg eiseres en andere zorgverleners in, waarbij die zorgverleners moeten handelen overeenkomstig de door de verzekeraars aan de zorgaanbieder gestelde voorwaarden. Zonder tussenkomst van een toegelaten zorgaanbieder kan eiseres geen diensten tegen betaling verrichten aan de zorgvragers die recht hebben op zorg in natura. Eiseres is voor de toewijzing van cliënten volledig afhankelijk van de zorgaanbieders. Gelet op de omstandigheden zoals hiervoor omschreven bezit eiseres niet voldoende zelfstandigheid ten opzichte van haar opdrachtgever, de Stichting [G] .

31. Daar komt bij dat eiseres desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat de werkzaamheden die zij voor deze stichting verrichtte in loondienstverband anders waren dan toen zij nog op basis van een VAR WUO voor deze stichting werkte. Eiseres heeft verklaard dat zij in loondienst méér taken en verantwoordelijkheden had, onder meer ten aanzien van het (mede) opstellen van het zorg(leef)plan. Dit wijst er naar het oordeel van de rechtbank eens te meer op dat eiseres ten aanzien van de buiten loondienst verrichte zorg in natura (waarop de VAR aanvraag zag) niet de voor het ondernemerschap vereiste zelfstandigheid bezit.

32. Tevens maakt eiseres naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat zij ondernemersrisico loopt. Door het ontbreken van een zelfstandig declaratierecht beperkt het debiteurenrisico zich tot haar vorderingen op de zorgaanbieder. Dit risico acht de rechtbank beperkt, omdat eiseres slechts werkzaamheden voor een zorgvrager zal verrichten nadat is vastgesteld dat die zorg door de verzekeraar aan de zorgaanbieder zal worden vergoed. Het risico dat betaling niet (tijdig) wordt verkregen acht de rechtbank in dit verband feitelijk niet anders dan het risico dat een werknemer loopt op het niet (tijdig) uitbetaald krijgen van loon. Het risico dat zij minder uren kan werken wanneer er in het geheel minder zorgvragers zijn, is feitelijk niet anders dan het risico dat een werknemer met een nul-uren-contract loopt bij onvoldoende werk.

33. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat van zelfstandig ondernemerschap van eiseres in de arbeidsrelatie met de Stichting [G] geen sprake is.

34. Ook de werkzaamheden via [H] betreffen zorg in natura werkzaamheden. De werkzaamheden die eiseres heeft verricht via [I] en [J] (voor [O] , [P] en [a] ) berusten weliswaar op ‘bemiddelingsovereenkomst’ maar betreffen eveneens zorg in natura werkzaamheden. Gelet op hetgeen hiervoor onder 31. en 32. is overwogen is verweerder er naar het oordeel van de rechtbank terecht vanuit gegaan dat eiseres ook voor deze werkzaamheden niet de voor het ondernemerschap vereiste zelfstandigheid bezit. Daartegenover heeft eiseres het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Ook is voor deze werkzaamheden niet aanvullend van enig debiteurenrisico gebleken ten opzichte van het hiervoor overwogene. Hetzelfde heeft te gelden voor de werkzaamheden die eiseres heeft verricht (via [K] B.V.) voor de Stichting [L] . De stelling van eiseres dat de werkzaamheden die zij heeft verricht voor Stichting [L] geen zorg in natura betreffen, maar zijn aan te merken als PGB-zorg, heeft zij tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder niet aannemelijk gemaakt.

35. De werkzaamheden die eiseres verricht voor de stichting [N] en de Stichting [M] zijn niet in een schriftelijke overeenkomst vastgelegd. Verweerder heeft onvoldoende weersproken gesteld dat eiseres hier op oproepbasis werkzaam is. Verder zijn de Algemene Voorwaarden van [d] op [N] en [M] van toepassing. Op grond van deze Algemene Voorwaarden is de zorgaanbieder (de stichtingen) degene die de zorg verleent, daarvoor een intake doet, een zorgleefplan opstelt en zorgt voor de continuïteit in de zorg. Bovendien zorgt de zorgaanbieder ervoor dat indien er meerdere zorgverleners zijn voor één cliënt dat er sprake is van een adequate afstemming. Gelet op de Algemene Voorwaarden heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de betreffende werkzaamheden worden uitgevoerd onder condities die meebrengen dat eiseres voldoende zelfstandigheid bezit ten opzichte van de stichtingen als opdrachtgevers. Ook overigens heeft eiseres geen feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat in deze arbeidsrelaties sprake is van zelfstandig ondernemerschap.

36. Ten slotte de werkzaamheden bij PGB-cliënt [c] en via de Coöperatie [b] . Deze contracten hebben een respectievelijke ingangsdatum van 1 en 2 april 2015 en zijn derhalve pas tot stand gekomen na de indiening van de VAR aanvraag als bedoeld onder 8. Nu het ook gaat om werkzaamheden onder andere condities (met een PGB-houder kan eiseres, anders dan bij zorg in natura wél rechtstreeks contracteren en de Coöperatie [b] is geen WTZi-instelling) kan de VAR aanvraag genoemd onder 8. geen betrekking hebben op deze werkzaamheden. Eiseres had voor deze werkzaamheden een afzonderlijke VAR moeten aanvragen.

37. Op grond van alle genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder naar aanleiding van de onder 8. genoemde aanvraag terecht geen VAR WUO heeft afgegeven.

38. De vraag of wel sprake is van een VAR Loon kan in het midden blijven, nu verweerder bij uitspraak op bezwaar de voor 2015 reeds verstrekte VAR ROW heeft gehandhaafd en deze beslissing in beroep niet ter discussie heeft gesteld. Het beroep dat betrekking heeft op het jaar 2015 is ongegrond.

Vergoeding immateriële schade

39. Uit de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046 en 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, volgt dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaats dient te vinden. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade met toepassing van artikel 8:73 van de Awb. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (zie Hoge Raad 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666).

40. Onder verwijzing naar het hiervoor gestelde onder punt 19, is 20 mei 2014 de ontvangstdatum van het bezwaarschrift dat ziet op de VAR Loon over het jaar 2014. De termijn is geëindigd met deze uitspraak. Tussen 20 mei 2014 en de uitspraak van de rechtbank zijn meer dan twee jaren verstreken.

41. Nu deze uitspraak van de rechtbank (afgerond) 29 maanden na de ontvangst van het bezwaarschrift is gedaan, kan de conclusie niet anders zijn dan dat de redelijke termijn is overschreden met vijf maanden. Ofschoon de rechtbank ernaar heeft gestreefd de totale behandelduur van twee jaar niet te overschrijden, is dit in het onderhavige geval niet mogelijk gebleken. Nu de redelijke termijn eerst is verstreken na afloop van de termijn waarop de rechtbank de schriftelijke uitspraak had aangezegd, zal de rechtbank ambtshalve overgaan tot toekenning van een schadevergoeding (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:Nl:HR:2016:252, r.o. 3.13.2). Een heropening van het onderzoek wordt daarbij niet nodig geacht.

42. Als uitgangspunt voor de schadevergoeding wordt een tarief gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden. Eiseres heeft daarom recht op vergoeding van € 500. De bezwaarfase heeft in totaal (afgerond) 10 maanden geduurd. De beroepsfase heeft in totaal (afgerond) 19 maanden geduurd. Nu de overschrijding van de redelijke termijn ziet op zowel de bezwaarfase als de beroepsfase zal de rechtbank verweerder daarom veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 400 (4/5 gedeelte) en de Staat tot betaling van € 100 (1/5 gedeelte).

43. De rechtbank vindt aanleiding verweerder en de Staat te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling het beroep over 2014 redelijkerwijs heeft moeten maken (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:Nl:HR:2016:252, r.o. 3.14.1 en 3.14.2). Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 496 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 0,5 (zie Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660)). De proceskosten dienen door verweerder en de Staat elk voor de helft te worden vergoed. Hetzelfde heeft te gelden voor het door eiseres betaalde griffierecht dat betrekking heeft op het jaar 2014 (€ 45).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 400;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 248;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht tot een bedrag van € 22,50 vergoedt;

- veroordeelt de Staat tot het vergoeden van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 100;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 248;

- gelast dat de Staat het door eiseres betaalde griffierecht tot een bedrag van € 22,50 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, rechter, in tegenwoordigheid van
de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 20 oktober 2016

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.