Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5445

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
5366085
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Door werknemer gevorderde wedertewerkstelling afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1127
AR 2016/2962

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 5366085 \ VV EXPL 16-187 \ 474 \ 450

uitspraak van 12 oktober 2016

vonnis in kort geding

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. R.R. Suir

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde partij] b.v.

gevestigd te [vestigingsplaats]

gedaagde partij

gemachtigde mr. B.C.W. Clercx

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 september 2016 met producties

- de brief van 23 september 2016 van de gemachtigde van [gedaagde partij] waarbij gevoegd het door [gedaagde partij] op 20 september 2016 ingediende verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eisende partij] ex artikel 7:671 sub b BW

- de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 5 oktober 2016 mede inhoudende de pleitnotities van de beide gemachtigden.

1.2.

[gedaagde partij] heeft op 20 september 2016 een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eisende partij] ingediend. Het verzoek van [gedaagde partij] om het verzoekschrift gelijktijdig met het onderhavige kort geding te behandelen, is door de kantonrechter afgewezen. [eisende partij] had bezwaar gemaakt tegen een gezamenlijke behandeling, dan wel (korte) aanhouding van het kort geding. De kantonrechter acht dit bezwaar gegrond. Gelijktijdige behandeling van beide zaken wordt in strijd met de goede procesorde geacht omdat [eisende partij] onvoldoende gelegenheid stelt te hebben haar verweren in de ontbindingsprocedure en een eventueel tegenverzoek voor te bereiden. Aanhouding van de behandeling van de voorlopige voorziening is evenmin aan de orde, gelet op het spoedeisende karakter daarvan. Behandeling van het door [gedaagde partij] ingediende verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal op een latere datum plaatsvinden.

1.3.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De vordering, het verweer en de beoordeling daarvan

2.1.

[eisende partij] vordert toelating tot de overeengekomen werkzaamheden in haar functie als Business Unit Director Managed Services, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde partij] in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

[eisende partij] legt aan haar vordering – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde partij] haar op 20 juni 2016 ten onrechte uit haar functie heeft ontheven omdat daarvoor geen aanleiding heeft bestaan. Volgens [eisende partij] is reeds bij gebreke aan enige grond voor de getroffen maatregel, de mogelijkheid om [eisende partij] in een passende functie te plaatsen irrelevant (randnummer 52 dagvaarding). Er heeft zich volgens [eisende partij] geen verandering van omstandigheden voorgedaan die de maatregel van functie-ontheffing kan rechtvaardigen.

[eisende partij] stelt spoedeisend belang te hebben bij haar vordering omdat met het voortschrijden van de tijd terugkeer in haar functie wordt bemoeilijkt.

2.2.

[gedaagde partij] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. Primair beroept [gedaagde partij] zich op het ontbreken van een spoedeisend belang. Daarnaast voert [gedaagde partij] inhoudelijk verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

2.4.

Uitgegaan wordt van de volgende vaststaande feiten:

  1. [eisende partij] , geboren op [geboortedatum] , is vanaf 1 februari 1997 in dienst bij [gedaagde partij] , laatstelijk in de functie van Business Unit Director [gedaagde partij] Managed Services (BUD) tegen een bruto maandsalaris van € 7.198,-, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. De functie betreft een key-position binnen [gedaagde partij] .

  2. Op 20 juni 2016 is [eisende partij] uit haar functie ontheven.

  3. Op 24 juni 2016 heeft [eisende partij] zich ziek gemeld. Op 30 juni 2016 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat een medische behandeling van [eisende partij] nodig is en partijen geadviseerd na week 28 in gesprek te gaan over de werksituatie.

  4. Op 16 augustus 2016 heeft een, door de bedrijfsarts geadviseerd gesprek tussen [eisende partij] en haar leidinggevende [persoon A] plaats gevonden. Bij e-mail van 17 augustus 2016 heeft [persoon A] dit gesprek bevestigd. De e-mail luidt, voor zover relevant:

(…)

Ik heb je mijn doelstelling van het gesprek aangegeven zijnde: vooral vooruit kijken naar de toekomst met als onderdeel daarvan een toelichting geven op de redenen van het besluit om te stoppen met jou in de functie BLD MS. Van jouw kant heb je aangegeven je te kunnen vinden in deze doelstelling.

Mijn toelichting op het besluit luidt als volgt:

In de periode voorafgaand aan het besluit bereikten mij/ons in een hoge frequentie vanuit meerdere kanten signalen over de situatie binnen MS en de performance van MS bij klanten. Het ging dus niet om een individueel incident maar om de optelsom van signalen die ons bevestigt dat jij niet in je kracht zat en dat dit risico’s met zich meebracht voor [gedaagde partij] /MS maar ook voor jezelf. Bij de situatie binnen MS ging dit over de structuur, jouw vorm van management en leiderschap, druk op de operatie, het risico op uitval van medewerkers en een (nieuwe) casus met een van je Areamanagers. Deze items leiden tot een risico voor medewerkers, maar ook tot issues in de dienstverlening naar klanten met risico’s voor [gedaagde partij] op voortzetting van de samenwerking. Hierbij heb ik als voorbeeld genoemd de reacties van [rechtspersoon X] en [Rechtspersoon Y] waarbij we van [Rechtspersoon Y] een schriftelijke waarschuwing hebben gekregen voor onze performance. Met betrekking tot de signalen van medewerkers, heb ik aangegeven geen namen te willen noemen om daarmee niet een toekomstige samenwerking te hypothekeren.

Niet alleen de optelsom van maar ook de intensiteit van de signalen maakten dat ik/wij ons genoodzaakt zagen een besluit te nemen over jou in de rol als Business Line Director. Voor de continuïteit van de business/het belang van [gedaagde partij] MS maar ook voor jou als persoon konden we de risico’s niet verder laten oplopen. Tegelijkertijd was mijn/onze analyse van de aandachtspunten in jouw functioneren zodanig dat verbetering op die terreinen niet een kwestie zou zijn van dagen of weken maar eerder van maanden. Dit maakte dat een beslissing nodig was. Bij mijn eerdere voornemen mijn observaties tijdens een 1:1 overleg met jou te bespreken, ben ik helaas ingehaald door de beschreven actualiteit.

Je hebt mij aangegeven dat je het besluit een onrechtmatige daad vind die niet past bij een goed werkgever en bij je inzet voor [gedaagde partij] de voorbije jaren. Ik heb aangegeven dat wij nog steeds veel waardering hebben voor je inzet de afgelopen jaren en dat we daar zeker niet aan voorbij willen gaan. Dat het besluit onverwacht kwam en veel impact heeft kan ik begrijpen, echter zoals toegelicht was het noodzakelijk een besluit hierin te nemen. Waar ik benieuwd naar was is of je wel herkenning hebt bij de onderliggende vraagstukken – los van de impact en de onverwachtheid van het besluit. Je gaf aan daar geen erkenning bij heeft. Ik heb aangegeven dat mij dat op zich verbaast omdat je zelf de voorbije jaren (in je zelfbeoordeling) ook de punten hebt benoemd die ik nu aan heb gehaald. Genoemde onderliggende vraagstukken zijn dus niet nieuw. Ik heb vervolgens geciteerd uit je zelfbeoordeling en de conclusie die [voornaam] daarbij heeft gegeven. Je gaf aan dat dit voor jou nog steeds niet ons besluit rechtvaardigt en dat dit ook iets heeft gedaan met je vertrouwen in mij en de organisatie. Ook bij dit laatste heb ik aangegeven dat ik me kan voorstellen dat jij dit zo beleeft en dat dit vertrouwen in de toekomst weer zal moeten groeien (waarbij er een rol voor ons beiden ligt). Mijn vertrouwen in jou mag in ieder geval blijken uit het feit dat ik graag met je verder wil. Zie hierin ook genoemde waardering in jouw inzet de afgelopen jaren en de erkenning van jouw talenten. Zoals gezegd heeft [gedaagde partij] voor jou een concrete nieuwe uitdaging, in een segment dat belangrijk is voor [gedaagde partij] naar de toekomst. Een rol die ons ook in de gelegenheid stelt jou te laten herstellen en te werken aan de aandachtspunten die wij geconstateerd hebben.

Vervolgens heb ik voorgesteld nar de toekomst te kijken waarop jij hebt aangegeven alles te willen overwegen. Op mijn vraag naar de aarzeling in je reactie gaf je nogmaals aan dat je alles wilt overwegen maar dat je in principe je baan terug wilt. Hierop heb ik aangegeven dat dit voor mij een gepasseerd station is. Het besluit was definitief en [voornaam 2] is ook definitief benoemd in zijn nieuwe rol. (…)

Op 17 augustus 2016 heeft [eisende partij] de bedrijfsarts bezocht. Deze heeft geconcludeerd dat sprake is van een arbeidsconflict en heeft mediation geadviseerd.

Op 22 augustus en 1 september 2016 hebben mediationgesprekken plaats gevonden. Daarna is de mediation beëindigd.

[eisende partij] is inmiddels – onder protest – werkzaam in een andere functie bij [gedaagde partij] , Manager Business Line Outsourcing & Strategische Sales.

2.5.

In deze procedure moet worden beoordeeld of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat toewijzing gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kort gedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. Zoals door de kantonrechter ter zitting aangegeven, zal niet worden uitgegaan van aangevoerde maar gemotiveerd betwiste feiten en zal langs hoofdlijnen op de vordering worden beslist.

2.6.

In de hiervoor onder 2.5. sub d geciteerde e-mail van 17 augustus 2016 licht [gedaagde partij] / [persoon A] uitvoerig en onderbouwd toe wat de redenen zijn geweest voor het besluit om [eisende partij] uit haar functie te ontheffen. Dat de handelwijze van [gedaagde partij] binnen de context van deze zaak, in geval de door [gedaagde partij] aangevoerde feiten en omstandigheden in een bodemprocedure zouden komen vast te staan, niet de toets van handelen als een goed werkgever zou doorstaan, is vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden. Niet in alle gevallen kan van een werkgever worden verwacht dat, alvorens te besluiten op de wijze zoals [gedaagde partij] heeft gedaan, er functioneringsgesprekken worden gevoerd, gevolgd door een verbetertraject en evaluatie daarvan. [gedaagde partij] heeft ter zitting aangevoerd dat training en coaching van [eisende partij] de nodige tijd zal vergen die [gedaagde partij] haar vanwege de keypositie van [eisende partij] en de urgentie van het probleem, niet in haar oorspronkelijke functie kan geven maar wel in de nieuwe functie van Manager Business Line Outsourcing & Strategische Sales. Gelet op de keypositie van [eisende partij] als BUD binnen de organisatie van [gedaagde partij] en de onderbouwde belangen van [gedaagde partij] die op het spel staan (onder andere risico’s voor voortzetting van de samenwerking met grote klanten) kan niet worden uitgesloten dat de bodemrechter zal oordelen dat de snelheid van handelen en de besluitvorming door [gedaagde partij] gerechtvaardigd zijn. De stelling van [gedaagde partij] / [persoon A] bij

e-mail van 17 augustus 2016, waarnaar [eisende partij] heeft verwezen, dat hij kan begrijpen dat het besluit om [eisende partij] uit haar functie te ontheffen voor haar onverwacht kwam en veel impact heeft, doet daaraan niet af.

2.7.

[eisende partij] is, zij het naar eigen zeggen onder protest, inmiddels bij [gedaagde partij] werkzaam in de ‘nieuwe functie’ van Manager Business Line Outsourcing & Strategische Sales en de geldende arbeidsvoorwaarden behorende bij haar oorspronkelijke functie zijn – onweersproken – gehandhaafd. Dat de nieuwe functie ‘een wassen neus’ zou zijn, zoals door [eisende partij] is betoogd, is vooralsnog niet aannemelijk. [gedaagde partij] heeft het belang van de nieuwe functie binnen haar organisatie voldoende toegelicht en over de invulling daarvan dient nog nader overleg met [eisende partij] te worden gevoerd. Anders dan [eisende partij] betoogt, kan thans met grote mate van waarschijnlijkheid worden aangenomen dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die noopt tot de functie-ontheffing en de voorgestelde functiewijziging. Het betoog van [eisende partij] dat de door [gedaagde partij] aangevoerde redenen voor de functie-ontheffing de maatregel niet kunnen dragen omdat zij door [gedaagde partij] uit de juiste context zouden worden gehaald, op onjuiste wijze worden toegelicht en zouden worden opgeblazen, is niet aannemelijk geworden en leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

2.8.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eisende partij] tot wedertewerkstelling dient te worden afgewezen. Nu de vordering op inhoudelijke gronden wordt afgewezen behoeven de overige verweren van [gedaagde partij] geen bespreking meer.

2.9.

[eisende partij] zal, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

3 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak begroot op € 600,- salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. W.H. van Empel en in het openbaar uitgesproken op