Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5331

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3526, 15_3528, 15_3529, 15_3530
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Schending hoorplicht. Artikel 3.16 en 3.120 Wet IB 2001. Onderneming waarvan de activiteiten bestaan uit opvang in gezinsvorm van uithuisgeplaatste kinderen en jongeren met een beperking. Ontvangen vergoeding ziet deels op huisvesting. Woning is aangemerkt als privévermogen. Komen kosten van huisvesting van de opgevangen jongeren ten laste van de winst uit onderneming?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2499
V-N Vandaag 2016/2184

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 15/3526, 15/3528, 15/3529 en 15/3530

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 oktober 2016

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser de volgende (navorderings)aanslagen en vergrijpboetes opgelegd:

2011

Met dagtekening 16 augustus 2014 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .H.17.01) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.944, alsmede bij beschikking een boete van € 630. Tevens is bij beschikking € 195 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Met dagtekening 16 augustus 2014 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .W.17.01.4) inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), berekend naar een bijdrage-inkomen van € 10.739. Hierbij is tevens bij beschikking een bedrag van € 2 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2012

Met dagtekening 29 augustus 2014 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.26.01) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.114, alsmede bij beschikking een boete van € 793. Tevens is bij beschikking € 72 aan belastingrente in rekening gebracht.

Met dagtekening 29 augustus 2014 een aanslag (aanslagnummer [000] .W.26.01.4) Zvw, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 11.266. Hierbij is tevens bij beschikking een bedrag van € 7 aan belastingrente in rekening gebracht (hierna ook gezamenlijk: de aanslagen).

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 6 mei 2015 de belastingaanslagen, bijdragen Zvw, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente en belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij afzonderlijke brieven van 16 juni 2015, ontvangen door de rechtbank op 17 juni 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn op beide zittingen tegelijkertijd behandeld met de zaken van de echtgenote van eiser (zaaknummers AWB 15/3531, 15/3533, 15/3534 en 15/3535).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en

[B] . Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen gelegenheid te bieden om nader overleg te plegen over de onderhavige zaken.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 19 mei 2016 bericht dat hij met eiser geen overeenstemming heeft bereikt.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2016. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [B] . Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser drijft samen met zijn echtgenote [Y] sinds [2010] een onderneming onder de naam [C] VOF. De activiteiten van [C] VOF bestaan onder meer uit opvang in gezinsvorm van uithuisgeplaatste kinderen en jongeren met een beperking. De opvang vindt plaats in de woning van eiser en zijn echtgenote (hierna: de woning).

2. In de aangifte IB/PVV 2010 heeft eiser de woning in zijn geheel aangemerkt als privévermogen.

3. In het rapport boekenonderzoek is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“9.2 De reikwijdte van het bedrijfsbezoek

In een e-mailbericht van 3 juni 2013 is het bezoek aangekondigd als een startersbezoek vanwege het verzoek van de adviseur om meer informatie betreffende aftrekbare huisvestingskosten.

9.3

Uitbreiding tot boekenonderzoek

In mijn brief van (…) 17 maart 2014 heb ik de heer en mevrouw [X&Y] meegedeeld dat ik het eerder aangekondigde startersbezoek uitbreid tot/wijzig in een boekenonderzoek. Het doel van het boekenonderzoek is de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2011 en 2012. Mijn reden daarvoor is het gegeven dat uit de fiscale jaarstukken blijkt dat er huisvestingskosten in aftrek worden gebracht, terwijl het pand dat voor de bedrijfsactiviteiten wordt gebruikt, aangemerkt is als privévermogen.

(…)

11.1

Huisvestingskosten

De adviseur was van mening dat door de Belastingdienst een standpunt was ingenomen betreffende de huisvestingskosten bij gezinshuizen. Via het administratiekantoor van Stichting [D] was aan haar de informatie verstrekt dat er voor elk kind dat werd opgevangen, een vast bedrag van € 4.000 aan huisvestingskosten ten laste van het resultaat gebracht kon worden. Zij en de heer en mevrouw [X&Y] wilden weten hoe dit standpunt luidde.

Geen standpunt

In tegenstelling tot wat de adviseur en de heer en mevrouw [X&Y] meenden, is er door de Belastingdienst geen apart standpunt ingenomen betreffende de aftrek van huisvestingskosten bij de zogenaamde gezinshuizen. Dit is op 25 juni 2013 zowel telefonisch als per e-mail doorgegeven aan de adviseur.

11.2

Conclusie huisvestingskosten

De woning van de heer en mevrouw [X&Y] is keuzevermogen, omdat de woning voor een deel zakelijk en voor een deel privé gebruikt wordt. Bij de eerste aangifte van de onderneming (de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2010) moesten de heer en mevrouw [X&Y] aangegeven of zij het pand als ondernemingsvermogen of als privévermogen wensten aan te merken. In de hiervoor genoemde aangifte inkomstenbelasting is de woning aangemerkt als privévermogen. De woning is namelijk niet geactiveerd op balans en er zijn (negatieve) inkomsten eigen woning over de woning aangegeven. De aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2010 staat onherroepelijk vast. Daarmee kan niet meer op de keuze worden teruggekomen. Dit is besproken met de heer en mevrouw [X&Y] en hun adviseur tijdens het gesprek op 3 juni 2013.

De woning is privévermogen. In dat geval is artikel 3.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing. Er is geen sprake van een zelfstandige werkruimte. Dat wil zeggen dat de kosten en lasten die verband houden met de werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, niet ten laste van de winst gebracht kunnen worden. In de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011 en 2012 is ten onrechte € 16.000 aan huisvestingskosten ten laste van het resultaat gebracht. NB De aftrek in 2012 vond plaats zonder enig voorbehoud op het moment dat bekend was dat er geen vast bedrag per kind als huisvestingskosten in aftrek kon worden gebracht.

Correctie 2011: € 16.000

Correctie 2012: € 16.000”

4. De aangiften inkomstenbelasting van eiser over de jaren 2011 en 2012 zijn als volgt gecorrigeerd.

2011

2012

Aangegeven belastbare winst

€ 4.679

€ 7.699

Correctie huisvestingskosten

€ 5.335

€ 5.335

Correctie zelfstandigenaftrek

€ 1.551

-

Correctie MKB-winstvrijstelling

€ 825 (negatief)

€ 1.768 (negatief)

Gecorrigeerde belastbare winst

€ 10.740

€ 11.266

5. In het verslag van het horen van eisers gemachtigde op 9 september 2015 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“De heer [gemachtigde] legt uit dat er twee soorten regelingen zijn. De pleeggezinregeling: deze is voor tijdelijke opvang van kinderen. Voor deze opvang wordt een kostendekkende (lage) vergoeding ontvangen van € 100 - € 135 per kind, per dag. Deze daggeldvergoeding is voor begeleiding, opvoeding, en een vergoeding voor eten, drinken, kleding, speelgoed, school, vakantie en huisvesting. Een duidelijke splitsing welk deel van deze dagvergoeding waarvoor bedoeld is, wordt niet gegeven.

De component ‘huisvesting’ zou als onbelaste vergoeding aangemerkt moeten worden volgens de heer [gemachtigde] , door tegenover het aangeven van de vergoeding een aftrek van kosten voor deze component mogelijk is. Gezien de wettelijke veranderingen zou dit alleen mogelijk zijn onder de werkkamerregeling. Echter de hele woning is opengesteld voor de jeugdzorg. Een eigen slaapkamer zou dan gelijkgesteld kunnen worden met een werkkamer. De inmiddels gepensioneerde collega uit Zwolle kon zich vinden in de redenering dat voor een vergoeding voor huisvesting ook aftrekbare kosten mogelijk zou moeten zijn. Een forfaitair bedrag van € 4.000 per kind per jaar zou een aftrek opleveren van € 16.000. Deze aftrek vindt ook de heer [gemachtigde] aan de ruime kant. Wel zou hij graag zien dat er vast beleid komt, waarbij een vast percentage of forfait gehanteerd kan worden.”

6. Bij brief van 19 januari 2016 heeft verweerder de rechtbank bericht dat hij de opgelegde vergrijpboetes zal vernietigen.

7. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 22 januari 2016 geschorst. Na deze schorsing heeft verweerder ( [B] ) bij e-mail van 23 maart 2016 het volgende bericht gestuurd naar de gemachtigde van eiser:

“Zoals afgesproken stuur ik u kort per mail een samenvatting van ons gesprek van deze morgen.

Na overleg met de vakgroep coördinator is mijn standpunt inzake aftrekbare huisvestingskosten als volgt: Er zijn geen normen voor wat betreft kosten afgesproken en deze zullen er ook niet komen.

(…)

Woning was keuzevermogen. Er is gekozen voor privévermogen. Nu de woning privé is geëtiketteerd, is artikel 3.16 van toepassing. Dit betekent dat er geen aftrek mogelijk is van huisvestingskosten want er is geen werkruimte. Met andere woorden er slechts één uitzondering waarbij huisvestingskosten van een privé woning wél aftrekbaar zijn en dat is als er sprake is van een kwalificerende werkruimte.

Overige zakelijke kosten [zijn] wel aftrekbaar mits deze aannemelijk worden gemaakt.”

Geschil

8. In geschil is of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of eiser in de onderhavige jaren huisvestingskosten in aftrek mag brengen.

Beoordeling van het geschil

Hoorplicht

9. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden omdat hij, zo begrijpt de rechtbank zijn standpunt, de bezwaren ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard.

10. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mag van het horen in bezwaar worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Daarvan is sprake als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.

11. Verweerder heeft eiser in de beroepsfase alsnog uitgenodigd voor een hoorgesprek. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 9 september 2015. Reeds gelet hierop rechtvaardigde hetgeen in het bezwaarschrift naar voren is gebracht niet de conclusie dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het gemaakte bezwaar niet tot een andersluidend besluit kon leiden. Verweerder heeft eiser daarom vóór het doen van de uitspraken op bezwaar ten onrechte niet gehoord op zijn bezwaren en heeft daarmee de hoorplicht geschonden.

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en hem ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar.

Het beroep van eiser is daarom gegrond. In beginsel dient de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb verweerder op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen (de terugwijsregel). Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat eiser niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet (vergelijk Hoge Raad 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7330). Partijen hebben aangedrongen op een inhoudelijke beoordeling van de zaken door de rechtbank, zodat de rechtbank om die reden de zaken niet zal terugwijzen.

Huisvestingskosten

13. Eiser heeft aangevoerd dat hij de kosten van huisvesting van de opgevangen kinderen en jongeren ten laste van de winst uit onderneming mag brengen omdat het bepaalde in artikel 3.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) niet van toepassing is omdat de gehele woning wordt gebruikt ten behoeve van de onderneming en omdat hij van mening is dat hij steun kan ontlenen aan hetgeen is overwogen in de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 april 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:3203).

14. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser geen geslaagd beroep doen op de hiervoor genoemde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De situatie van eiser is namelijk niet vergelijkbaar met die van de belastingplichtige waarover het Gerechtshof heeft geoordeeld aangezien de belastingplichtige in die zaak de keuze had gemaakt om de onroerende zaak waarop het geschil zich toespitste aan te merken als ondernemingsvermogen. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning behoort tot het privévermogen en dat eiser de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld in aftrek mocht brengen.

15. Indien een belastingplichtige er voor heeft gekozen een vermogensbestanddeel tot zijn privévermogen te rekenen, kan hij - behoudens bijzondere omstandigheden - op die keuze niet terugkomen, indien omtrent de aanslag over enig jaar waarop de keuze betrekking had onherroepelijk is beslist (zie Hoge Raad 26 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW7822).

16. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden.

17. Het voorgaande betekent dat - gelet op de systematiek van de Wet IB 2001 - in dit geval slechts kosten, anders dan de in artikelen 3.120 en verder van de Wet IB 2001 genoemde kosten, ter zake van de eigen woning in aftrek kunnen worden gebracht indien de in artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001 genoemde uitzondering zich voordoet.

18. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 3.16, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat bij het bepalen van de winst mede niet in aftrek komen kosten en lasten die verband houden met een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van de belastingplichtige zelf in zijn niet tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt.

19. Tussen partijen is niet in geschil dat de kamers in de woning bedoeld voor de opgevangen kinderen en jongeren geen naar verkeersopvatting zelfstandige gedeelten van de woning vormen. Daarom kunnen de huisvestingskosten niet ten laste van de winst worden gebracht.

20. Het voorgaande brengt mee dat verweerder terecht de huisvestingskosten van € 5.335 niet in aftrek heeft toegelaten.

Heffingsrente/Belastingrente

21. Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente en belastingrente heeft aangevoerd, dienen de beroepen inzake de beschikkingen heffingsrente en belastingrente ongegrond te worden verklaard.

Conclusie

22. Gelet op het vermelde onder 6. en 12. dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. De opgelegde boetes dienen overeenkomstig het standpunt van verweerder zoals verwoord in zijn brief van 19 januari 2016 te worden vernietigd.

23. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. Nu uit de gedingstukken is gebleken dat eiser in de bezwaarfase geen verzoek tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten heeft ingediend bij verweerder, wijst de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, dit verzoek in zoverre af.

24. Voor de beroepsfase is naar het oordeel van de rechtbank sprake van samenhang tussen de vier zaken en tevens met de gelijktijdig ter zitting behandelde zaken van de echtgenote met zaaknummers 15/3531, 15/3533, 15/3534 en 15/3535. Al deze acht zaken betreffen louter de aftrek van huisvestingskosten. Gelet daarop zijn de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de beroepsfase in deze zaak vast te stellen op 1/2 x € 1.238 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 496), oftewel € 619.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de boetes;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraken op bezwaar behoudens de vernietigde boetes in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 619;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.J.C. Pieterse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kranenbarg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 11 oktober 2016

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.