Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5317

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-10-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
05/740009-16
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:5672, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 60-jarige man uit Wekerom veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor seksueel misbruik van zijn kleindochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740009-16

Datum uitspraak : 10 oktober 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

raadsman: mr. A.M. Smetsers, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting

van 26 september 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2015

tot en met 1 januari 2016 te Opheusden en/of te Kesteren, in ieder geval in

Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , één of meer handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten,

- het brengen van zijn penis en/of één of meer van zijn vingers in haar vagina, in ieder geval tussen haar schaamlippen en/of

- het (met zijn vingers en/of zijn penis) betasten van haar vagina en/of haar billen en/of

- het likken van de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het zich door die [slachtoffer] aan zijn penis laten betasten,

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en/of aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2015 tot en met 1 januari 2016 te Opheusden en/of te Kesteren, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het met één of meer van zijn vingers betasten van haar vagina en/of haar billen en/of

- het met zijn penis langs en/of tegen haar vagina wrijven en/of

- het likken van haar vagina van die [slachtoffer] en/of

- het zich door haar aan zijn penis laten betasten,

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt en/of aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft bij [slachtoffer] verschillende malen de volgende handelingen gepleegd:

  • -

    het aanraken van haar vagina met zijn penis;

  • -

    het betasten van haar vagina met zijn vingers, waarbij verdachte ook de binnenste schaamlippen heeft aangeraakt;

  • -

    het betasten van haar billen met zijn vingers;

  • -

    het likken van haar vagina;

  • -

    het laten betasten van zijn penis door [slachtoffer] .

[slachtoffer] is geboren op [geboortedatum 2] en was op ten tijde van deze handelingen van verdachte 7 jaar oud. Verdachte is de opa van [slachtoffer] en op de momenten dat hij haar heeft betast, was hij op haar aan het oppassen. Deze handelingen hebben plaatsgevonden in de woning van verdachte in Kesteren en in de woning van [slachtoffer] in Opheusden.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, van iemand onder de twaalf jaren. De officier van justitie acht daarbij tevens bewezen dat verdachte met zijn vinger en penis in de vagina van het slachtoffer is geweest.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde.

Uit het rapport van het NFI is immers niet gebleken van aanwezigheid van DNA van verdachte waardoor niet kan worden bewezen dat sprake is van seksueel binnendringen. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak brengen van penis in vagina

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte zijn ‘plasser’ in haar ‘plasser’ heeft gedaan. Hierbij heeft zij beschreven dat zij en verdachte dicht bij elkaar lagen en dat verdachte haar tegen zich aan duwde. Dit deed pijn volgens haar en het deed ook zeer toen zij daarna naar de WC moest.

Verdachte heeft hierover verklaard dat hij krachtig met zijn penis wrijfbewegingen heeft gemaakt tegen haar vagina. Verdachte ontkent met zijn penis in haar vagina te zijn geweest.

Bij [slachtoffer] is een forensisch medisch onderzoek afgenomen. Uit het rapport van het NFI naar aanleiding van dit onderzoek blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van sperma en/of speeksel. Er zijn tevens geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van celmateriaal van een tweede persoon, anders dan [slachtoffer] zelf.

Daarnaast blijkt niet van (lichamelijke) sporen van penetratie, zoals bijvoorbeeld een scheur in de vagina. Dit zijn sporen die te verwachten zijn indien met de penis van een volwassene in de vagina is binnengedrongen bij een jong kind. Niet uit te sluiten is dat verdachte door het maken van krachtige wrijfbewegingen met zijn penis langs de vagina – zoals hij zelf heeft verklaard – de pijn bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt. De bewegingen en handelingen die verdachte beschrijft, liggen naar het oordeel van de rechtbank in de lijn van de desbetreffende beschrijving van [slachtoffer] . Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet de overtuiging dat verdachte met zijn penis in de vagina van [slachtoffer] is gegaan. Verdachte zal dan ook van dat deel van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Penis tussen schaamlippen

Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn penis krachtige wrijfbewegingen maakte, [slachtoffer] wijdbeens op hem zat3. [slachtoffer] heeft - zoals hiervoor vermeld - verklaard dat de ‘plasser’ van verdachte in haar ‘plasser’ is gegaan, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat een jong meisje als [slachtoffer] nog niet beschikt over gedetailleerde anatomische kennis. Op grond van deze beide verklaringen is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte - terwijl [slachtoffer] op hem zat - met zijn penis de binnenste schaamlippen van [slachtoffer] heeft geraakt.

De rechtbank acht dan ook dat deel van het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Binnendringen

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of er door het met de vingers en penis raken van de binnenste schaamlippen sprake is van seksueel binnendringen.

Artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht is gericht op de bescherming van de (seksuele) integriteit van het lichaam. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat het brengen van de vingers tussen de schaamlippen gelijk kan worden gesteld met geslachtsgemeenschap en wat betreft de ernst van de inbreuk op de seksuele integriteit een vergelijkebare gedraging is (ECLI:NL:HR:2013:BZ3627). Het betasten van de vagina tussen de schaamlippen, valt daarmee dus onder het bestanddeel ‘seksueel binnendringen’. Nu de rechtbank bewezen acht dat verdachte met zowel zijn vingers als zijn penis de binnenste schaamlippen van [slachtoffer] heeft betast, is de rechtbank van oordeel dat daarmee mede sprake is van het seksueel binnendringen, zoals primair ten laste is gelegd.

Periode

[slachtoffer] heeft verklaard dat deze handelingen op drie momenten hebben plaatsgevonden, namelijk in oktober en november 2015 en de donderdag vóór het studioverhoor van 7 januari 2016 (de rechtbank begrijpt derhalve: 31 december 2015).4 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het betasten drie keer heeft plaatsgevonden, de laatste keer op nieuwjaarsdag .5 De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 1 januari 2016 schuldig heeft gemaakt aan de seksuele handelingen.

Conclusie

De rechtbank heeft op grond van de inhoud van voormelde bewijsmiddelen de overtuiging dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 1 januari 2016 plegen van handelingen, mede bestaand uit het seksueel binnendringen bij [slachtoffer] die toen de leeftijd van twaalf jaar nog niet had bereikt en aan verdachte’s zorg en waakzaamheid was toevertrouwd.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2015 tot en met 1 januari 2016 te Opheusden en/of te Kesteren, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , één of meer handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten,

- het brengen van zijn penis en/of één of meer van zijn vingers in haar vagina, in ieder geval tussen haar schaamlippen en/of

- het (met zijn vingers en/of zijn penis) betasten van haar vagina en/of haar billen en/of

- het likken van de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het zich door die [slachtoffer] aan zijn penis laten betasten,

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en/of aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, een ambulante behandeling en het houden aan de aanwijzingen van ZorgPlus.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het van belang is dat de thans ingezette behandeling en begeleiding voortgezet worden. De verdediging heeft verzocht aan te sluiten bij een uitspraak van de rechtbank te Den Bosch in een vergelijkbare zaak waarbij een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden is opgelegd met een proeftijd van 4 jaren.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 12 augustus 2016;

- voorlichtingsrapportages van Reclassering Nederland, gedateerd 13 januari en 22 september 2016.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zijn 7-jarige kleindochter meermalen seksueel misbruikt. Hij deed dat door haar vagina te likken en met zijn vingers en penis haar vagina te betasten, waarbij hij zelfs met zijn penis en vingers tussen haar schaamlippen is geweest. Daarnaast heeft verdachte zijn kleindochter ook zijn penis laten aanraken en zich door haar laten aftrekken. Verdachte heeft verschillende keren de mogelijkheid gehad te stoppen met zijn handelingen. Desondanks is hij niet alleen doorgegaan, maar zelfs is hij steeds verder gegaan in zijn handelingen. Verdachte ging zelfs zover dat hij op verschillende momenten achtereenvolgende seksuele handelingen met zijn kleindochter heeft verricht door eerst in de douche seksuele handelingen te verrichten daarna ook nog bij haar in bed is gekropen om zich daar weer aan haar te vergrijpen.

Verdachte heeft zijn kleindochter het zwijgen opgelegd door haar te vertellen dat het ‘hun geheimpje’ was. Pas toen het slachtoffer dit tegen haar vader heeft gezegd en verdachte hiermee door zijn zoon werd geconfronteerd , is het misbruik gestopt.

De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij enkel heeft gehandeld ter bevrediging van zijn eigen seksuele gevoelens, zonder ook maar enig moment na te denken over het welzijn van zijn kleinkind en de gevolgen voor haar in de toekomst.

Verdachte was bovendien op die momenten op haar aan het oppassen en had juist voor haar zorg moeten dragen. Een kleinkind moet zich veilig voelen bij haar grootouders en in haar eigen huis. In plaats daarvan heeft verdachte zich aan haar vergrepen en zeer verstrekkende seksuele handelingen bij haar verricht en door haar laten verrichten. Verdachte heeft hiermee niet alleen het vertrouwen van het slachtoffer, maar ook het vertrouwen van het gezin en de familie ernstig geschaad.

Verdachte heeft een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, die door haar jonge leeftijd niet in staat was om weerstand te kunnen bieden aan het handelen van verdachte. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gedragingen voor minderjarige slachtoffers ernstige psychische gevolgen kunnen hebben. In hoeverre dit het geval is, zal in de toekomst moeten blijken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

De rechtbank houdt bij de bepaling van de straf ook rekening met de omtrent verdachte opgestelde reclasseringsrapporten. Volgens de reclassering is er, sinds het handelen van verdachte bekend is geworden, veel veranderd in zijn leven. Verdachte woont elders, zijn gezin wil geen contact meer met hem en hij is een groot deel van zijn sociale contacten kwijtgeraakt. Met ondersteuning en hulp van de reclassering, ZorgPlus en De Waag heeft verdachte zijn leven weer enigszins opgebouwd. ZorgPlus zorgt voor praktische ondersteuning en werkt toe naar psychosociale begeleiding van verdachte en het verkrijgen van een stabieler en ruimer sociaal leven. Verdachte volgt ook een individueel behandeltraject bij De Waag. Hierbij dreigt echter het behandelplafond bereikt te worden. Volgens de reclassering weet verdachte nog steeds niet hoe hij tot zijn handelen gekomen is, noch weet hij de gevolgen voor het slachtoffer te benoemen, ook niet als hij daarbij geholpen wordt. Verdachte neemt wel verantwoordelijkheid, maar lijkt zijn handelen te bagatelliseren. Het recidiverisico wordt door de reclassering als laag ingeschat maar dat is mede gebaseerd op de huidige leefsituatie, waarin verdachte geen contact met zijn familie heeft. De reclassering kan niet inschatten hoe dit zal zijn als hierin verandering komt.

Voortzetting van deze ingezette trajecten wordt door de reclassering dan ook als noodzakelijk gezien, inbegrepen een mogelijke verwijzing naar een andere forensische psychiatrische kliniek indien verdere behandeling bij De Waag niet meer zinvol is.

Gelet op de ernst van het feit, acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke straf zoals bepleit door de raadsman niet passend. De rechtbank acht het wel noodzakelijk dat verdachte zijn reeds ingezette traject van behandeling en begeleiding voortzet. De rechtbank zal daarom een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met daarbij bijzondere voorwaarden die zijn gericht op voortzetting van de behandeling en begeleiding van verdachte.

De rechtbank zal de proeftijd bepalen op een duur van vier jaar. Daarbij overweegt de rechtbank dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Immers, verdachte heeft aangegeven graag het contact met zijn gezin weer te willen opbouwen. Hij zal dan weer in contact kunnen komen met zijn kleinkind(eren). En nu verdachte, ondanks behandeling, nog steeds geen inzicht zegt te hebben in de oorzaak van zijn handelen en de gevolgen daarvan, is de rechtbank van oordeel dat ernstig rekening moet worden gehouden met herhaling van soortgelijke delicten.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het noodzakelijk is dat de behandeling direct wordt voortgezet. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 27, 57, 244 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op vier jaren wordt bepaald:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich zal melden bij Reclassering Nederland en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

5. medewerking zal verlenen aan diagnostisch onderzoek;

6. zich onder (ambulante) behandeling zal stellen bij forensische polikliniek ‘De Waag’ of een soortgelijke ambulante (forensische) zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich daarbij zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

7. zich zal houden aan de afspraken en aanwijzingen van ZorgPlus, of soortgelijke instantie, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Barrau (voorzitter), mr. P.C. Quak en mr. H.C.M. Snellen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G.A. Luijckx, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 oktober 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [slachtoffer] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016003707 gesloten op 25 februari 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting, verslag verbatim studio verhoor getuige [slachtoffer] , p. 38, 40, 41, 43, 44.

3 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4 verslag verbatim studio verhoor getuige [slachtoffer] , p. 35.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.