Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5227

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-10-2016
Datum publicatie
03-10-2016
Zaaknummer
05/900920-10 en 05/740130-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland te Arnhem heeft een (thans) 26-jarige man uit Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 46 maanden voor de zware mishandeling en verwaarlozing van zijn (toen) 8 maanden oude zoon, met de dood tot gevolg.

De moeder, de thans 26-jarige partner van de man, is door de rechtbank vrijgesproken van alle aanklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/900920-10 en 05/740130-16

Datum uitspraak : 3 oktober 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1990 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] , [woonplaats]

raadslieden: mr. J. Steenbrink en mr. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaten te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 april 2016, 2 mei 2016 en 19 september 2016.

Deze zaak is eerder - onder parketnummer 05/900920-10 - aangebracht bij deze rechtbank, in welke procedure het openbaar ministerie op 26 juni 2013 niet-ontvankelijk is verklaard. Bij arrest d.d. 16 september 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beslist dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is en is de zaak terug gewezen naar deze rechtbank.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Ten aanzien van parketnummer 05/900920-10

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

dat hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot 29 augustus 2010, te Arnhem, in ieder geval in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, althans alleen,

zijn zoontje [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2] ) (telkens) opzettelijk, en/of met voorbedachten rade, heeft mishandeld,

hebbende hij en/of zijn mededader(s), op die [slachtoffer] , (telkens) opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, (heftig) uitwendig mechanisch (botsend) geweld toegepast,

door die [slachtoffer] (met kracht) te slaan en/of (met kracht) te stoten en/of te knijpen en/of (met kracht) te stompen en/of (met kracht) duwen en/of (met kracht) trekken en/of (met kracht) trekken,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] letsel heeft bekomen, te weten

- bloeduitstortingen aan de ledematen en/of aan de behaarde hoofdhuid en/of

de hals rechts zijwaarts en/of onder het linker onderooglid en/of de borstkas

links en/of de rug rechts en links en/of de linker oorschelp (letsels genoemd

onder A5 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) en/of

- een breuk van de lange pijpbeen van het linker bovenbeen en/of een breuk van het rechter bovenbeensbot en/of meerdere ribbreuken aan de linker- en rechter voorzijde en/of een kleine breuk van de twaalfde borstwervel (letsels genoemd onder A1 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) en/of

- een bloeduitstorting aan de binnenzijde van de schedelhuid midboven (zoals genoemd onder B3 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011);

2.

dat hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 29 augustus 2010, te Arnhem, in ieder geval in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, althans alleen,

zijn zoontje [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2] ) (telkens) opzettelijk, en/of met voorbedachten rade, heeft mishandeld,

hebbende hij en/of zijn mededader(s), op die [slachtoffer] , (telkens) opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, (heftig) uitwendig mechanisch (botsend) geweld toegepast,

door die [slachtoffer] (met kracht) te slaan en/of (met kracht) te stoten en/of te knijpen en/of (met kracht) te stompen en/of (met kracht) duwen en/of (met kracht) trekken en/of (met kracht) trekken,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] letsel heeft bekomen, te weten

- bloeduitstortingen aan de midden bovenbuik en/of hoog bovenbuik en/of

midwaarts rug ter hoogte van de wervelkolom (letsels genoemd onder A4 van het

sectieverslag d.d. 28 maart 2011) en/of

- een bloeduitstorting in de vetweefsels van de dunne darm en/of vetkapsels van de rechter nier en/of onder de maagrand en/of onder het middenrif rechts en/of in beide bijnieren (letsels genoemd onder B1 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) en/of

- een bloeduitstorting aan de buitenzijde van het ruggenmerg op halsniveau (zoals genoemd onder B4 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011),

terwijl dit feit (de letsels genoemd onder A4 en/of B1 en/of B4 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

3.

dat hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 29 augustus 2010, te Arnhem, in ieder geval in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, althans alleen,

[slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2] ), zijnde verdachtes zoontje tot wiens onderhoud en/of verzorging verdachte krachtens de wet (art. 1:247 BW) verplicht was,

(telkens) opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten,

door die [slachtoffer] de nodige (medische) zorg te onthouden en/of die [slachtoffer] (stelselmatig) te verwaarlozen

terwijl dit feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Ten aanzien van parketnummer 05/740130-16

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 augustus

2010 tot en met 29 augustus 2010 te Arnhem,

zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld, immers heeft hij, verdachte:

- nadat in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 augustus 2010 een of meerdere keren bij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] ) blauwe plekken waren geconstateerd en/of

- nadat op 15 april 2010 bij [slachtoffer] een fractuur in het linkerbovenbeen was ontdekt en/of aan verdachte was medegedeeld dat het AMK in kennis was gesteld en op 4 mei 2010 door een vertrouwensarts aangifte was gedaan ter zake zware mishandeling van [slachtoffer] en/of verdachte en [medeverdachte] op 29 juni 2010 als getuigen waren gehoord in een onderzoek naar kindermishandeling van [slachtoffer] ;

- onvoldoende aandacht gehad voor de omstandigheden waaronder [slachtoffer] werd

verzorgd en/of er voor [slachtoffer] werd gezorgd en/of onvoldoende zorg

gedragen voor een 'veilig thuis'-situatie, hierin bestaande dat verdachte hetzij onvoldoende heeft voorkomen dat door [medeverdachte] geweld werd gepleegd tegen [slachtoffer] hetzij onvoldoende er voor zorg heeft gedragen te voorkomen in een situatie terecht te komen waarin hij zelf is overgegaan tot het plegen van geweld tegen [slachtoffer] ;

- waarna [slachtoffer] letsel heeft opgelopen, te weten bloeduitstortingen aan de midden bovenbuik en/of hoog bovenbuik en/of midwaarts rug en/of bloeduitstortingen in de nier en/of onder de maagrand en/of onder het middenrif rechts en/of in beide bijnieren en/of aan de buitenzijde van het ruggenmerg (letsels genoemd onder A4,B1 en B4 van het sectieverslag van 28 maart 2011),

ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden;

2.

hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 29 augustus 2010 te Arnhem,

zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld immers heeft hij, verdachte:

- nadat in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 augustus 2010 een of meerdere keren bij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] ) blauwe plekken waren geconstateerd en/of

- nadat op 15 april 2010 bij [slachtoffer] een fractuur in het linkerbovenbeen was ontdekt en/of aan verdachte was medegedeeld dat het AMK in kennis was gesteld en op 4 mei 2010 door een vertrouwensarts aangifte was gedaan ter zake zware mishandeling van [slachtoffer] en/of verdachte en [medeverdachte] op 29 juni 2010 als getuigen waren gehoord in een onderzoek naar kindermishandeling van [slachtoffer] ;

- onvoldoende aandacht gehad voor de omstandigheden waaronder [slachtoffer] werd verzorgd en/of er voor [slachtoffer] werd gezorgd en/of onvoldoende zorg gedragen voor een 'veilig thuis'-situatie, hierin bestaande dat verdachte hetzij onvoldoende heeft voorkomen dat door [medeverdachte] geweld werd gepleegd tegen [slachtoffer] hetzij onvoldoende er voor zorg heeft gedragen te voorkomen in een situatie terecht te komen waarin hij zelf is overgegaan tot het plegen van geweld tegen [slachtoffer] ;

waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een breuk in zijn rechter bovenbeensbot en/of een of meerdere ribbreuken.

2a. De geldigheid van de dagvaarding met parketnummer 05/740130-16

De verdediging heeft aangevoerd dat de nieuwe dagvaarding met parketnummer 05/740130-16 nietig moet worden verklaard, omdat de hierin ten laste gelegde feiten qua feitencomplex en verwijt hetzelfde zijn als en dus volledig opgaan in feit 3 van de (oude) dagvaarding met parketnummer 05/900920-10. Dit zou ingaan tegen het beginsel dat niemand voor hetzelfde feit tweemaal mag worden vervolgd, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft hiertegen ingebracht dat de onder feit 3 van parketnummer 05/900920-10 ten laste gelegde periode anders is dan de ten laste gelegde periode onder parketnummer 05/740130-16 en dat de kern van de verwijten anders is, te weten ernstige verwaarlozing enerzijds en het onthouden van een veilige thuissituatie anderzijds. Ook gelet op de feitelijke omschrijving kan niet worden gesproken van eenzelfde feitencomplex , aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van artikel 261, lid 1 Wetboek van Strafvordering (Sv) behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Bij de uitleg van deze bepaling staat centraal dat de tenlastelegging begrijpelijk moet zijn en dat de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen.

De onderhavige tenlasteleggingen zien op een elkaar overlappende periode, te weten van 1 augustus 2010 tot en met 29 augustus 2010 en betreffen, naar het oordeel van de rechtbank, in de kern hetzelfde verwijt. Bovengenoemde tenlasteleggingen zijn georiënteerd op de delictsomschrijvingen in de artikelen 255 (opzetdelict) respectievelijk 307 en 308 (schuld-delicten) van het Wetboek van Strafrecht. In beginsel sluiten zij elkaar logischerwijs uit, maar door deze feiten afzonderlijk naast elkaar ten laste te leggen ontstaat niet een innerlijke tegenstrijdigheid. Immers, voor de rechter wordt aldus de mogelijkheid opengehouden om te kiezen tussen hetzij opzetdelict hetzij schulddelict. Weliswaar is een dergelijke tenlastelegging ongebruikelijk, maar niet ongeoorloofd.

Nu bovendien de zaak met parketnummer 05/900920-10 op de voet van art. 423 lid 2 Sv is terug gewezen en derhalve het onderzoek ter terechtzitting opnieuw is aangevangen, doet zich door de toevoeging van de tenlastelegging met parketnummer 05/740130-16 niet de situatie voor dat verdachte tweemaal voor hetzelfde feit wordt vervolgd. De vervolging vindt immers gelijktijdig plaats.

Daarbij overweegt de rechtbank nog dat - gelet op het onderzoek ter terechtzitting - de verdediging heeft laten blijken de tenlastelegging goed te begrijpen en zich daartegen heeft weten te verweren.

De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat de gehele tenlastelegging in de dagvaardingen met parketnummers 05/900920-10 en 05/740130-16 aan de vereisten van artikel 261 Sv voldoet en verwerpt daarom het nietigheidsverweer van de verdediging.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 29 augustus 2010 om 13:45 uur overleed [slachtoffer] ( hierna te noemen: [slachtoffer] ), geboren op [geboortedatum 2] , op de leeftijd van ruim 8 maanden in het Radboud ziekenhuis te Nijmegen.

[slachtoffer] was die dag vanaf zijn woonadres, [adres 2] te [plaats] , per ambulance overgebracht naar het ziekenhuis, omdat hij niet meer ademde. [slachtoffer] is het kind van verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte] (hierna worden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gezamenlijk ook wel ‘de ouders’ genoemd). Zij waren beiden op ditzelfde woonadres aanwezig op 29 augustus 2010 toen zij - tussen 11 uur en 12 uur - bemerkten dat [slachtoffer] niet in orde was en op zeker moment niet meer leek te ademen.2

Bij onderzoek door verschillende deskundigen naar de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] werden diverse letsels aangetroffen, waaronder uitgebreide traumatische letsels in de bovenbuik3.

In het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011 van dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, wordt onder het kopje “interpretatie van resultaten” het navolgende vermeld (onderstrepingen door de rechtbank):

Bij sectie werd het lichaam van een jongetje gezien met lengte en lichaamsgewicht min of meer

conform gemiddeld (sub A2).

Er zijn bij sectie uitgebreide traumatische letsels in de bovenbuik gebleken (sub B1) en was er

bloeduitstorting rondom het ruggenmerg (sub B4). Bij neuropathologisch onderzoek (sub B4)

werden volgens de neuropatholoog in het gebied van het ruggenmerg afwijkingen gezien in de

middelste achterstreng, die zeer goed kunnen passen hij een kort voor het overlijden opgetreden

prikkeling, mogelijk beschadiging van deze lange baan. Mede gezien het gegeven dat bij de

lichaamssectie voornamelijk in het buikgebied letsels werden aangetroffen is het volgens Dr. Kubat zeer aannemelijk dat de veranderingen in deze lange, sensibele baan eveneens veroorzaakt zijn door geweldsinwerking op de romp.

De letsels aan de buik (sub B1) en het ruggenmerg (sub B4) waren bij leven ontstaan en waren het gevolg van inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op de (boven)buik en/of rug, zoals bijvoorbeeld door heftig slaan, duwen/drukken, stompen kan worden opgeleverd. De letsels hebben geleid tot bloeduitstorting in de vetweefsels/ wand van de dunne darm en dunne darm perforatie met als verwikkeling daarvan buikvliesontsteking (peritonitis), waarmee het intreden van de dood wordt verklaard.

De letsels sub A4 kunnen in hetzelfde kader van geweldsinwerking zijn ontstaan als de

bovengenoemde geweldsinwerking die de bloeduitstorting in de bovenbuik en de darmperforatie

heeft doen ontstaan.

De breuken aan het beenderstelsel (sub Al) waren bij leven ontstaan door inwerking van heftig

uitwendig mechanisch botsend geweld, zoals door heftig slaan, duwen, drukken, trekken kan

worden opgeleverd.

De letsels sub A5/A6 en B3 waren hij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch

botsend geweld zoals bijvoorbeeld door slaan, stoten kan worden opgeleverd en hebben op zich

geen rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood.

De letsels sub A6 en B5 zouden ook kunnen zijn ontstaan in het kader van reanimatie-handelingen .

De distributie en aard van de letsels aan de buik, het ruggenmerg, het beenderstelsel en de

uitwendige letsels, zijn op zich danwel in combinatie zeer suspect voor herhaaldelijk

kindermishandeling. (…) Er waren bij macroscopisch, lichtmicroscopisch, metabool-, microbieel en radiologisch onderzoek geen ziekelijke afwijkingen die het overlijden kunnen verklaren of daarvoor van betekenis geweest kunnen zijn.(…)” 4

Voorts worden in het sectieverslag de volgende resultaten van de in- en uitwendige schouwing beschreven: 5

A.

1. [..] Samengevat worden de uitslagen van het radiologisch onderzoek ten aanzien van het beenderstelsel als volgt geïnterpreteerd:

- er werd radiologisch een genezen breuk van de lange pijpbeen van het linker bovenbeen (genezen distale femurfractuur links) gezien. Volgens radioloog [getuige 2] was deze fractuur bij presentatie op 15 april 2010 al een week oud, verdacht voor (parent) delay. [..]

- er werd een breuk van het rechter bovenbeensbot (metafysaire hoek fractuur dorso mediaal distale femur rechts) vastgesteld. Bij sectie werd deze breuk niet gezien met het blote oog, macroscopisch. Bij daaropvolgend lichtmicroscopisch onderzoek werd het beeld van een metafysaire hoekfractuur gezien, welke bij leven was ontstaan. De fractuurouderdom wordt [..] geduid op circa 1-2 weken vóór het overlijden. [..]

- er werden meerdere oudere ribbreuken aan de voorzijde beiderzijds gezien. Deze waren bij sectie niet te zien (waarschijnlijk als gevolg van het genezingsproces).

- er waren geen overtuigende schedelbreuken (ook niet bij sectie)

- volgens radioloog [getuige 2] was er een kleine compressiefractuur (breuk) van de twaalfde borstwervel (Th 12). (de rechtbank merkt op dat de deskundige dr. V. Soerdjbalie-Maikoe dit ter terechtzitting van 26 september 2012 heeft gecorrigeerd in “ er was een verdenking op een kleine compressiefractuur”)

- [..]

[..]

Er waren tekenen van doorgemaakt medisch handelen: [..]

Midden en hoog aan de bovenbuik en midwaarts aan de rug op het niveau van de wervelkolom, waren vele bruine en rood-bruine huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen (welke beter zichtbaar werden met forensisch licht). [..]

[..] wonddateringsonderzoek [..] leverde geen meerwaarde op (VII).

5. Aan de ledematen, aan het behaarde hoofd, de hals rechts zijwaarts, onder het linker onderooglid, borstkas links, onderbuik links, rug rechts en links, linkeroorschelp waren vele bruine, groene en rode huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen. [..] Ten aanzien van de letsels aan de rug (V en VI) werd de wondouderdom geschat op letsels van meerdere dagen oud. [..]

6. [..]

7. [..]

B.

  1. De buik was bol; bij openen van de buik werd in de buikholte 110 ml bruin-rood troebel vocht vastgesteld. Er was bloeduitstorting in beide bijnieren (bevestigd met micro-scopisch onderzoek). Er was in het gebied van de bloeduitstorting van de dunne darm (duodenum), een verweekt gebied met perforatie. Het buikvlies was dof en toonde fibrineus beslag, het beeld van een peritonitis oftewel buikvliesontsteking . De organen waren met elkaar verkleefd. Er was uitgebreide versterf (necrose), ontsteking en bloedingen (hemorraghie), met plaatselijk bijmenging van lichaamsvreemd materiaal (imponerend als delen van ontlasting). De datering van deze lesies is op basis van voorhanden literatuur niet met zekerheid aan te geven, doch past macroscopisch goed bij een ouderdom van bijvoorbeeld meerdere uren tot dagen oud .

  2. [..]

  3. Er was bloeduitstorting aan de binnenzijde van de schedelhuid midboven.

  4. Er was bij sectie een kleine gelokaliseerde, bloeduitstorting aan de buitenzijde van het ruggenmerg op halsniveau. Neuropathologisch onderzoek van de hersenen en het ruggenmerg werd verricht door Dr. B. Kubat in het NFI. [..] De conclusie luidt als volgt: ‘Het neuropathologisch onderzoek van de hersenen toont het beeld van globale, kort voor het overlijden opgetreden hypoxie (zuurstoftekort) van het centrale zenuwstelsel. In het gebied van het ruggenmerg worden afwijkingen gezien in de middelste achterstreng, die zeer goed kunnen passen bij een kort voor het overlijden opgetreden prikkeling, mogelijk beschadiging van deze lange baan. [..] Mede gezien het gegeven dat bij de lichaamssectie voornamelijk in het buikgebied letsels werden aangetroffen is het zeer aannemelijk dat de veranderingen in deze lange, sensibele baan eveneens veroorzaakt zijn door geweldsinwerking op de romp .’

  5. [..]

  6. Er was vocht in de borstholten (rechts 14 ml, links 6 ml)

C. Toxicologisch onderzoek werd verricht in het NFI. [...] Op grond van de resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek kan een bijdrage van domperidon aan het overlijden van [slachtoffer] niet worden geconcludeerd noch met zekerheid worden uitgesloten.

D. [..] Samengevat werden bij dit onderzoek geen aanwijzingen voor een defect in de mitochondriale vetzuuroxidatie gezien.

E. [..]Er werden verder geen virussen geïsoleerd en geen ziekmakende bacteriën gekweekt.

Onder punt 7. ‘Conclusie’ vermeldt het sectieverslag: 6

"Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , oud 8 maanden en drie weken, werd het intreden van de dood verklaard door verwikkelingen als gevolg van inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op de (boven)buik en/of rug. De sectiebevindingen en radiologische bevindingen zijn zeer suspect voor herhaaldelijke kindermishandeling."

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 en 2 onder parketnummer 05/900920-10 wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert dit onder andere op de door de patholoog-arts en andere medici geconstateerde letsels en de ongeloofwaardige verklaringen die verdachte over het ontstaan van deze letsels althans de overige geconstateerde blauwe plekken heeft gegeven in samenhang met het feit dat verdachte degene was die, in ieder geval vanaf zijn werkloosheid vanaf mei 2010, het meest thuis bij [slachtoffer] was. Voor feit 3 onder parketnummer 05/900920-10 en de feiten 1 en 2 van parketnummer 05/740130-16 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de ten laste gelegde feiten.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 van parketnummer 05/900920-10

De rechtbank overweegt allereerst dat op aanvullende vragen naar aanleiding van de sectie forensisch arts R.A.C. Bilo heeft geantwoord:

- Er is overeenstemming over de aanwezigheid van 5 ribfracturen aan de voorzijde van de borstkas die minimaal 1 week en mogelijk 2 tot 3 weken voor het overlijden zijn ontstaan7;

- Alle breuken die bij leven en na overlijden zijn geconstateerd zijn ontstaan door inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld, zoals door heftig slaan, duwen, drukken, trekken kan worden opgeleverd8.

- Ten aanzien van de beenbreuk links is het zeer onwaarschijnlijk dat dit het gevolg is van een normaal trauma, zoals een val/ongeval. De beenbreuk rechts betreft een hoekfractuur, die ontstaat bij overstrekken van de gewrichten, zoals bijvoorbeeld optreedt bij schudden. Dit soort hoekfracturen zijn op deze leeftijd nagenoeg bewijzend voor kindermishandeling9.

Bij de beoordeling van de resultaten van het genoemde sectie-onderzoek en het radiologische onderzoek betrekt de rechtbank ook de verklaringen van de deskundigen dr. Soerdjbalie-Maikoe en dr. Bilo zoals die zijn verwoord in het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012.10

De rechtbank komt op basis hiervan tot het oordeel dat [slachtoffer] verwondingen, die deels tot zijn overlijden hebben geleid, heeft opgelopen door toedoen van opzettelijke mishandeling(en). Daarbij is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de hoeveelheid en regelmatige terugkeer van letsels, waaronder veel blauwe plekken en een tweetal beenbreuken in relatief korte tijd, er sprake is van stelselmatige mishandeling.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of en zo ja, welke rol bij die mishandeling(en) aan verdachte kan worden toegerekend. Daartoe zal de rechtbank hieronder nader ingaan op enkele specifieke letsels.

A. Letsel januari 2010

De arts van het consultatiebureau “ [naam 1] ”, [getuige 1] , heeft verklaard dat [slachtoffer] bij een bezoek op 19 januari 2010 een blauwe plek op zijn linkerwang had, dat de ouders bij dat bezoek aanwezig waren en dat zij als verklaring voor de blauwe plek aangaven dat [slachtoffer] , omdat hij niet zo’n goede balans had, met zijn hoofd tegen het hoofd van zijn vader, verdachte, was aangekomen11. De wijkverpleegkundige van het consultatiebureau “ [naam 1] ” heeft bevestigd dat op 19 januari 2010 een blauwe plek op de linkerwang van [slachtoffer] was gezien door een arts en dat de vader heeft verteld dat ze met de hoofden tegen elkaar waren gebotst12.

Ter terechtzitting van 26 september 2012 heeft de deskundige R.A.C. Bilo, forensisch arts, over de door verdachte destijds gegeven verklaring voor de blauwe plek op de linkerwang, opgemerkt dat als een kind onvoldoende hoofdbalans heeft en een beweging maakt waarbij hij met zijn hoofd tegen de wang van de vader aankomt, hij het uitgesloten acht dat op dat moment blauwe plekken ontstaan13.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat [slachtoffer] letsel in zijn gezicht heeft opgelopen terwijl hij alleen met verdachte was en dat de verklaring die verdachte voor dat letsel heeft gegeven, niet aannemelijk is. De rechtbank heeft daardoor de overtuiging dat verdachte heeft gelogen over de oorzaak van dit letsel en dat het verdachte is geweest die dit letsel opzettelijk bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt.

B. Letsel maart 2010

Op de GSM van verdachte is een filmpje aangetroffen, gedateerd op 13 maart 2010, waarop [slachtoffer] is te zien met drie blauwe plekken op zijn voorhoofd14.

De verklaring die verdachte voor dit letsel heeft gegeven, namelijk dat deze blauwe plekken zijn ontstaan doordat [slachtoffer] zijn gezichtje tegen de spijlen van de box aandrukte15, acht de rechtbank onwaarschijnlijk. Immers, verdachte heeft tevens verklaard dat hij [slachtoffer] op zijn buik of rug in het midden van de box legde16, terwijl de rechtbank het een feit van algemene bekendheid acht dat een baby van drie maanden niet in staat is zich zelfstandig van het midden naar de spijlen van de box te bewegen en aldaar zijn gezicht tegenaan te drukken met zodanige kracht dat blauwe plekken ontstaan. Ook de deskundige Bilo gaat uit van een heel beperkt vermogen tot voortbewegen bij kinderen onder de leeftijd van 6 maanden.17

De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat ook dit letsel is ontstaan in aanwezigheid van verdachte en dat hij een ongeloofwaardige verklaring voor dit letsel heeft gegeven. De rechtbank heeft daardoor de overtuiging dat verdachte ook over de oorzaak van dit letsel heeft gelogen en dat het verdachte is geweest die dit letsel opzettelijk bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt.

C. Letsel april 2010

Op 15 april 2010 is [slachtoffer] , na verwijzing door de huisarts, opgenomen in het ziekenhuis. [slachtoffer] zou sinds een week zijn linkerbeentje minder bewegen18. Op 15 april 2010 zijn er röntgenfoto’s gemaakt waarop een breuk van het linker bovenbeen zichtbaar was. Verdachte heeft geen adequate verklaring gegeven over de vraag hoe een dergelijke beenbreuk bij [slachtoffer] was ontstaan19.

Dr. [getuige 2] , kinderradioloog bij het Academisch Ziekenhuis Maastricht, heeft geconcludeerd dat het fors letsel betrof, nu het bot in het bovenbeen een van de sterkste botten in het lichaam is, en dat bij een kind jonger dan een (1) jaar het altijd verdacht voor kindermishandeling is20.

Naar aanleiding hiervan heeft op 4 mei 2010 [naam 2] , arts werkzaam bij het meldpunt Kindermishandeling te Arnhem, aangifte gedaan van mogelijke mishandeling van [slachtoffer]21.

Na de ziekenhuisopname van [slachtoffer] is door [naam 2] met de ouders een tijdelijk veiligheidsplan opgesteld. 22

Op 27 oktober 2010 heeft getuige [getuige 3] , kinderarts Rijnstate Arnhem, over dit letsel van [slachtoffer] op 15 april 2010 verklaard dat een dergelijke fractuur op de leeftijd van vier maanden slecht spontaan is te verklaren, tenzij wordt aangegeven dat het kind is gevallen of zij met het kind zijn gevallen.23 De rechtbank overweegt dat een dergelijke val niet aannemelijk is geworden tijdens het onderzoek ter terechtzitting en dat deskundige Bilo heeft verklaard dat hem geen geval bekend is van dergelijk letsel door een val.24

Op 26 oktober 2010 heeft dr. [getuige 4] , kinderradioloog bij het AMC, de röntgenfoto’s van 15 april 2010 herbeoordeeld. In het desbetreffende verslag 25 wordt geconcludeerd dat sprake was van een dwarse distale femurfractuur links (de rechtbank begrijpt: een volledige breuk in de onderkant van het linker bovenbeentje) en dat een distale femurfractuur op de leeftijd van 4 maanden ‘zeer suspect’ is voor kindermishandeling. Voorts wordt in voornoemd verslag opgemerkt dat ten tijde van de opname nog geen ‘callusvorming’ te zien is, hetgeen in dit verslag leidt tot de conclusie dat deze breuk ‘vrij recent’ is (minder dan twee weken oud). Uit het sectieverslag leidt de rechtbank af dat ‘callusvorming’ pas na circa 15 dagen pleegt te ontstaan.26 De rechtbank leest in het verslag van 26 oktober 2010 verder dat op een röntgenfoto van het ‘linkerbeen d.d. 22/04/2010’ dezelfde distale femurfractuur te zien is, maar dan met ‘evidente callusvorming ten teken van genezing’. 27 In zijn brief van 10 februari 2011 schrijft kinder-radioloog dr. [getuige 2] over “Femur 22-04-2010” dat sprake is van een “uitgebreide callus vorming, veel te veel voor een fractuur van 7 dagen oud”.28 De tussenconclusie van de rechtbank op grond van deze informatie luidt dat de beenbreuk op 15 april 2010 ten minste twee weken oud moet zijn geweest.

De ouders hebben als mogelijke veroorzaker van deze beenbreuk de kinderdagopvang genoemd29, maar de rechtbank acht dit niet geloofwaardig en overweegt het volgende.

[slachtoffer] zou op 22 maart 2010 en 26 maart 2010 korte tijd bij wijze van zogenaamde “wendag” op deze kinderdagopvang hebben verbleven.30 Pas vanaf 1 april 2010 ging [slachtoffer] er regelmatiger naar toe. Het desbetreffende strafrechtelijke onderzoek heeft geen resultaten opgeleverd in dier voege dat niet is gebleken van betrokkenheid van een medewerker van de kinderdagopvang.31 Ondanks het geuite vermoeden van de ouders dat de beenbreuk bij de kinderdagopvang zou kunnen zijn ontstaan is [slachtoffer] na zijn ontslag uit het ziekenhuis door zijn ouders nog verschillende malen, tot en met 9 juni 2010, naar deze kinderdagopvang gebracht32. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de ouders de mogelijkheid, dat [slachtoffer] tijdens zijn verblijf in de kinderopvang mishandeld zou worden, zelf niet serieus hebben genomen.

Voorts overweegt de rechtbank dat uit het sectieverslag naar voren komt dat ook in de periode dat [slachtoffer] niet meer in de kinderdagopvang kwam, aan hem ernstige letsels zijn toegebracht.

De rechtbank betrekt hierbij nog de verklaring van getuige [getuige 5] dat zij op 30 maart 2010 33 bij [medeverdachte] op bezoek was en - na een opmerking van [medeverdachte] - heeft gezien dat [slachtoffer] , als hij werd vastgehouden, maar op één beentje wilde staan. Het andere beentje hield hij een beetje gebogen en dat beentje voelde ook dikker. 34 Uit deze verklaring, in samenhang met de eerder genoemde bevindingen van dr. [getuige 4] en dr. [getuige 2] , leidt de rechtbank af dat de breuk in het linker bovenbeentje al moet zijn ontstaan vóór 30 maart 2010.

De mogelijkheid dat deze beenbreuk is ontstaan ten tijde van het op [slachtoffer] passen door familieleden sluit de rechtbank uit, mede omdat verdachte zelf ter terechtzitting heeft verklaard dat telkens na het oppassen niets opvallends aan [slachtoffer] was te zie35n. Ook overigens biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de mishandelingen werden toegebracht tijdens het oppassen door familieleden.

De ouders hebben op 29 juni 2010 tegenover de politie over deze beenbreuk verklaard dat verdachte op 10 april 2010 had gemerkt dat [slachtoffer] zijn linkerbeen niet gebruikte en dat hij huilde bij het verschonen36. De rechtbank concludeert echter uit de verklaring van getuige [getuige 5] dat een dergelijke waarneming niet pas op 10 april 2010, maar al op 30 maart 2010 was gedaan. Ook ten aanzien van dit letsel heeft de rechtbank derhalve de overtuiging dat verdachte niet de waarheid heeft gesproken. De rechtbank heeft - mede gelet op haar overtuiging dat verdachte eerder letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, zoals hiervoor overwogen - ook de overtuiging dat verdachte deze beenbreuk opzettelijk heeft veroorzaakt.

D. Letsel juli/augustus 2010

Zoals opgemerkt onder “de feiten” beschrijft het sectieverslag (onder A4 en A5) een aantal ‘huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen’, verspreid over het lichaam van [slachtoffer] . De wondouderdom van de letsels aan de rug worden geschat op ‘meerdere dagen oud’.

Een brief van een tweetal kinderartsen van het Radboud ziekenhuis van 14 september 2010 bevat de medische voorgeschiedenis van [slachtoffer] zoals die was verkregen via de ouders. Hieruit komt naar voren dat 4 weken voor het overlijden van [slachtoffer] een hematoom op zijn wang zichtbaar was en 2 weken voor het overlijden van [slachtoffer] zijn er vier hematomen op de onderrug ter plaatse van de wervelkolom opgemerkt. 37

Ter zake van deze blauwe plekken op de wang zou verdachte hebben verklaard dat [slachtoffer] zich tussen de spijlen van de box wilde manoeuvreren 38. Echter, uit onderzoek is gebleken dat het niet mogelijk is dat [slachtoffer] met zijn hoofdje tussen de spijlen van de box heeft gezeten39. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte daarom niet geloofwaardig.

Ook de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 september 2016 voor de blauwe plekken op de rug van [slachtoffer] , namelijk dat deze zouden zijn ontstaan omdat [slachtoffer] op een speeltje had gelegen, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Immers, door deskundige dr. R.A.C. Bilo is deze oorzaak niet waarschijnlijk bevonden40. En ter terechtzitting van 26 september 2012 heeft dr. Bilo hierover verklaard dat door het liggen op een speeltje geen blauwe plekken ontstaan tenzij sprake is van zwaar lichaamsgewicht en er lange tijd op het speeltje wordt gelegen41.

De in het sectieverslag onder A1 beschreven ribbreuken aan de voorzijde van de borstkas zouden minimaal 1 week en mogelijk 2 tot 3 weken voor het overlijden op 29 augustus 2010 zijn ontstaan.42 De ouders noch andere getuigen uit de omgeving van [slachtoffer] hebben een verklaring voor het ontstaan van de bovengenoemde geconstateerde ribbreuken.

Dat geldt ook voor de breuk in het rechter bovenbeen van [slachtoffer] (eveneens beschreven onder A1). Die breuk wordt door de patholoog dr. Soerdjbalie-Maikoe en prof. dr. G.J.R. Maat geschat op ongeveer één tot twee weken voor het overlijden op 29 augustus 2010.43

De rechtbank overweegt dat in deze periode (juli/augustus 2010) niet alleen het hiervoor genoemde tijdelijke veiligheidsplan van het meldpunt kindermishandeling ten einde was gekomen, maar ook dat in deze periode [medeverdachte] van dinsdag tot en met vrijdag buitenshuis werkte en dat verdachte thuis bleef en doorgaans op [slachtoffer] paste. 44

De rechtbank is er - mede gelet op haar overtuiging dat verdachte eerder letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, zoals hiervoor overwogen - buiten redelijke twijfel van overtuigd dat verdachte ook de opzettelijke veroorzaker is van deze rib- en botfracturen, evenals van de diverse bloeduitstortingen.

E. Dodelijke letsel(s) augustus 2010

De rechtbank gaat ervan uit dat het overlijden van [slachtoffer] op 29 augustus 2010 is veroorzaakt door heftig geweld op de (boven)buik en/of de rug van [slachtoffer] . Immers, de conclusie van het sectieverslag onder punt 7 luidt: 45

"Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , oud 8 maanden en drie weken, werd het intreden van de dood verklaard door verwikkelingen als gevolg van inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op de (boven)buik en/of rug. De sectiebevindingen en radiologische bevindingen zijn zeer suspect voor herhaaldelijke kindermishandeling."

Deze conclusie van de patholoog is gebaseerd op de volgende sectiebevindingen46:

B1. De buik was bol; bij openen van de buik werd in de buikholte 110 ml bruin-rood troebel vocht vastgesteld. Er was bloeduitstorting in beide bijnieren (bevestigd met micro-scopisch onderzoek). Er was in het gebied van de bloeduitstorting van de dunne darm (duodenum), een verweekt gebied met perforatie. Het buikvlies was dof en toonde fibrineus beslag, het beeld van een peritonitis oftewel buikvliesontsteking . De organen waren met elkaar verkleefd. Er was uitgebreide versterf (necrose), ontsteking en bloedingen (hemorraghie), met plaatselijk bijmenging van lichaamsvreemd materiaal (imponerend als delen van ontlasting). De datering van deze lesies is op basis van voorhanden literatuur niet met zekerheid aan te geven, doch past macroscopisch goed bij een ouderdom van bijvoorbeeld meerdere uren tot dagen oud .

B4. Er was bij sectie een kleine gelokaliseerde, bloeduitstorting aan de buitenzijde van het ruggenmerg op halsniveau. Neuropathologisch onderzoek van de hersenen en het ruggenmerg werd verricht door Dr. B. Kubat in het NFI. [..] De conclusie luidt als volgt: ‘Het neuropathologisch onderzoek van de hersenen toont het beeld van globale, kort voor het overlijden opgetreden hypoxie (zuurstoftekort) van het centrale zenuwstelsel. In het gebied van het ruggenmerg worden afwijkingen gezien in de middelste achterstreng, die zeer goed kunnen passen bij een kort voor het overlijden opgetreden prikkeling, mogelijk beschadiging van deze lange baan. [..] Mede gezien het gegeven dat bij de lichaamssectie voornamelijk in het buikgebied letsels werden aangetroffen is het zeer aannemelijk dat de veranderingen in deze lange, sensibele baan eveneens veroorzaakt zijn door geweldsinwerking op de romp.’

De patholoog heeft daarbij nog de volgende interpretatie gegeven47:

De letsels aan de buik (sub B1) en het ruggenmerg (sub B4) waren bij leven ontstaan en waren het gevolg van inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op de (boven)buik en/of rug, zoals bijvoorbeeld door heftig slaan, duwen/drukken, stompen kan worden opgeleverd. De letsels hebben geleid tot bloeduitstorting in de vetweefsels/ wand van de dunne darm en dunne darm perforatie met als verwikkeling daarvan buikvliesontsteking (peritonitis), waarmee het intreden van de dood wordt verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat het dodelijke buikletsel is veroorzaakt door handelingen van de huisarts op 26 augustus 2010. Immers, deskundige Bilo heeft ter terechtzitting van 26 september 2012 verklaard dat de onderzoekende arts op 26 augustus 2010 bij het desbetreffende onderzoek niet voldoende energetische kracht ontwikkelt om dergelijk letsel te kunnen veroorzaken48.

Evenmin acht de rechtbank aannemelijk dat het dodelijke buikletsel is veroorzaakt door handelingen gepleegd door [naam 3] tijdens het oppassen op 28 augustus 2010.

Daartoe overweegt de rechtbank het navolgende.

Op 28 augustus 2010, een dag voor zijn overlijden, hebben de ouders [slachtoffer] omstreeks 21:30 uur bij de zus van medeverdachte [medeverdachte] , [naam 3] , gebracht omdat zij de verjaardag van medeverdachte [medeverdachte] in de stad wilden vieren49. Niet later dan 02:00 uur (29 augustus 2010) hebben de ouders [slachtoffer] weer opgehaald en waren ze weer thuis50.

De ouders hebben op 29 augustus 2010 verklaard dat [slachtoffer] al ongeveer 10 dagen ziek was; hij at niets, moest overgeven en hij dronk niet. Daarom zijn zij op 26 augustus 2010 met hem naar de huisarts geweest51.

Zowel [naam 3] als medeverdachte [medeverdachte] hebben verklaard dat [slachtoffer] al een paar dagen voor de verjaardag op donderdag 26 augustus 2010 ziek was en dat [slachtoffer] moest overgeven52. [naam 3] heeft hierover verklaard dat [slachtoffer] de dinsdag voor de verjaardag van [medeverdachte] heel suf was en gal moest overgeven dat groen van kleur was53.

Deskundige Bilo heeft ter terechtzitting van 26 september 2012 verklaard dat, gelet op de klinische verschijnselen op 26 augustus 2010, zoals braken, het geweld dat het buikletsel heeft veroorzaakt in een periode van uren tot dagen voor 29 augustus 2010 heeft plaatsgevonden54.

Ook de deskundige Soerdjbalie-Maikoe heeft verklaard dat het toegebrachte letsel “uren tot dagen” nodig heeft gehad om tot de dood te lijden.55

Gelet op de verklaringen van de ouders en [naam 3] , in samenhang met de door deskundigen Bilo en Soerdjbalie-Maikoe gegeven verklaringen omtrent het moment van ontstaan van het buikletsel, gaat de rechtbank ervan uit dat het letsel eerder dan 28 augustus 2010 is toegebracht.

Daarbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting zelf heeft verklaard dat [slachtoffer] er normaal uitzag toen de ouders hem kwamen ophalen, alsmede de omstandigheid dat er geen enkel verband te leggen is tussen de eerdere letsels als gevolg van mishandeling en [naam 3] .

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid dat [naam 3] het dodelijke buikletsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht redelijkerwijs worden uitgesloten.

In de periode waarin de hiervoor onder D. genoemde dijbeenfractuur, ribbreuken en bloeduitstortingen zijn ontstaan, te weten augustus 2010, was het vooral verdachte die de zorg had over [slachtoffer] . In een telefoongesprek in november 2010 zegt medeverdachte [medeverdachte] tegen haar moeder over de periode van 18 augustus 2010 tot 26 augustus 2010 dat zij als ouders in die periode als enigen verantwoordelijk waren voor de verzorging56. Daarbij komt dat in deze periode medeverdachte [medeverdachte] vier dagen in de week werkte en dat verdachte per mei 2010 geen werk meer had en degene was die doorgaans op [slachtoffer] paste57. Om die reden neemt de rechtbank geen medeplegen aan.

Nu de rechtbank van oordeel is dat het verdachte was die [slachtoffer] in augustus 2010 meermalen opzettelijk heeft mishandeld, is de rechtbank er ook van overtuigd dat het verdachte was die in diezelfde periode opzettelijk de letsels - in voornoemd definitief sectieverslag beschreven onder B1 en B4 - heeft veroorzaakt, welke letsels (gezamenlijk of elk afzonderlijk) hebben geleid tot het overlijden van [slachtoffer] .

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten aangetroffen voor, en gaat dus ook niet uit van de mogelijkheid dat verdachte ook de vooropgezette bedoeling had [slachtoffer] lichamelijk letsel toe te brengen en/of van het leven te beroven. Daarom zal verdachte van het onderdeel ‘voorbedachte raad’ worden vrijgesproken. Gelet op de conclusie van de patholoog in het sectieverslag gaat de rechtbank er voorts van uit dat de letsels, zoals beschreven onder B1 en B4, zijn veroorzaakt door dezelfde geweldsinwerking op de romp.58

De rechtbank acht voor het overige wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hierna onder 3. wordt omschreven.

Ten aanzien van feit 3 van parketnummer 05/900920-10

Het tenlastegelegde in feit 3 roept de vraag op of en zo ja, in hoeverre verdachte opzettelijk [slachtoffer] in een hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten.

Gelet op de hierboven gemotiveerde bewezenverklaring onder parketnummer 05/740130-16 is buiten redelijke twijfel dat verdachte, wetende dat hij (ernstig) geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] , op de hoogte was van de oorzaak van de letsels bij [slachtoffer] . desondanks heeft hij nagelaten (tijdig) te zorgen voor adequate medische hulp en al helemaal heeft hij naar de overtuiging van de rechtbank nagelaten de ware oorzaken van de letsels bij [slachtoffer] te vermelden. Zelfs na het constateren van de linker dijbeenbreuk in april 2010 en de daaropvolgende aangifte wegens kindermishandeling, heeft verdachte bewust verzuimd melding te maken van de ware oorzaak van het letsel.

De rechtbank weegt hierbij mee dat het niet verdachte was, maar diens medeverdachte [medeverdachte] die, op advies van haar moeder, op 15 april 2010 naar de huisartsenpost is gegaan59. Voorts neemt de rechtbank nog in aanmerking dat radioloog [getuige 2] het feit dat [slachtoffer] pas op 15 april 2010 via de huisarts naar het ziekenhuis wordt gebracht, verklaart als zogenoemde ‘parent’ delay’ 60. Niet gebleken is dat verdachte op enig moment enige bijdrage heeft gehad aan die beslissing om naar een arts te gaan.

De rechtbank is echter niet overtuigd dat ook het overlijden van [slachtoffer] is veroorzaakt doordat verdachte opzettelijk [slachtoffer] in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten. Verdachte is immers op 26 augustus 2010 wel meegegaan naar de huisartsenpost omdat [slachtoffer] zo ziek was. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als een (te late) poging van verdachte om meer leed te voorkomen. Daarom zal de rechtbank vrijspreken van de strafverzwarende omstandigheid.

Voor het overige acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder feit 3 tenlastegelegde, zoals hierna onder 3. vermeld.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 van parketnummer 05/740130-16

Gelet op de bewezenverklaring van de feiten onder parketnummer 05/900920-10 is de rechtbank met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten zoals ten laste zijn gelegd onder parketnummer 05/740130-16.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 05/900920-10 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

dat hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2010 tot 29 augustus 2010, te Arnhem, in ieder geval in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, althans alleen,

zijn zoontje [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2] ) (telkens) opzettelijk, en/of met voorbedachten rade, heeft mishandeld,

hebbende hij en/of zijn mededader(s), op die [slachtoffer] , (telkens) opzettelijk, na

kalm beraad en rustig overleg, (heftig) uitwendig mechanisch (botsend) geweld

toegepast,

door die [slachtoffer] (met kracht) te slaan en/of (met kracht) te stoten en/of te

knijpen en/of (met kracht) te stompen en/of (met kracht) duwen en/of (met

kracht) trekken en/of (met kracht) trekken,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] letsel heeft bekomen, te weten

- bloeduitstortingen aan de ledematen en/of aan de behaarde hoofdhuid en/of

de hals rechts zijwaarts en/of onder het linker onderooglid en/of de borstkas

links en/of de rug rechts en links en/of de linker oorschelp (letsels genoemd

onder A5 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) en/of

- een breuk van de lange pijpbeen van het linker bovenbeen en/of een breuk van het rechter bovenbeensbot en/of meerdere ribbreuken aan de linker- en rechter voorzijde en/of een kleine breuk van de twaalfde borstwervel (letsels genoemd onder A1 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) en/of

- een bloeduitstorting aan de binnenzijde van de schedelhuid midboven (zoals genoemd onder B3 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011).

2.

dat hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 augustus

2010 tot en met 29 augustus 2010, te Arnhem, in ieder geval in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, althans alleen,

zijn zoontje [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2] ) (telkens) opzettelijk en/of met voorbedachten rade, heeft mishandeld,

hebbende hij en/of zijn mededader(s), op die [slachtoffer] , (telkens) opzettelijk na

kalm beraad en rustig overleg, (heftig) uitwendig mechanisch (botsend) geweld

toegepast,

door die [slachtoffer] (met kracht) te slaan en/of (met kracht) te stoten en/of te

knijpen en/of (met kracht) te stompen en/of (met kracht) duwen en/of (met

kracht) trekken en/of (met kracht) trekken,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] letsel heeft bekomen, te weten

- bloeduitstortingen aan de midden bovenbuik en/of hoog bovenbuik en/of midwaarts rug ter hoogte van de wervelkolom (letsels genoemd onder A4 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) en/of

- een bloeduitstorting in de vetweefsels van de dunne darm en/of vetkapsels van de rechter nier en/of onder de maagrand en/of onder het middenrif rechts en/of in beide bijnieren (letsels genoemd onder B1 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) en/of

- een bloeduitstorting aan de buitenzijde van het ruggenmerg op halsniveau (zoals genoemd onder B4 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011),

terwijl dit feit (de letsels genoemd onder A4 en/of B1 en/of B4 van het sectieverslag d.d. 28 maart 2011) de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

3.

dat hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2010 tot en met 29 augustus 2010, te Arnhem,

in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, althans alleen,

[slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2] ), zijnde verdachtes zoontje tot wiens onderhoud en/of verzorging verdachte krachtens de wet (art. 1:247 BW) verplicht was,

(telkens) opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten,

door die [slachtoffer] de nodige (medische) zorg te onthouden en/of die [slachtoffer] (stelselmatig) te verwaarlozen, terwijl dit feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde onder parketnummer 05/900919-10

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

Feit 2:

mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft en terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind .

Feit 3:

opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens de wet verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen of laten, meermalen gepleegd .

5 De strafbaarheid van de feiten onder parketnummer 05/900919-10

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder de feiten 1 en 2 van parketnummer 05-9009920-10 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit en geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 16 maart 2016.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan ernstige mishandeling van zijn zoontje [slachtoffer] . Deze mishandelingen zijn al begonnen toen [slachtoffer] een baby van ongeveer één maand oud was. Uiteindelijk heeft dit geweld zelfs geleid tot het overlijden van [slachtoffer] , op de leeftijd van ruim acht maanden, nog steeds een baby.

Verdachte heeft tegen [slachtoffer] herhaaldelijk zodanig heftig uitwendig mechanisch (botsend) geweld toegepast, dat dit vele bloeduitstortingen, gebroken ribben, tweemaal een gebroken bovenbeen en een darmperforatie tot gevolg heeft gehad. Laatstgenoemd letsel heeft uiteindelijk geleid tot de dood van [slachtoffer] .

[slachtoffer] , die juist afhankelijk was van verdachte’s zorg en toewijding, moet veel pijn hebben ondervonden in zijn korte leven. Daarnaast heeft verdachte [slachtoffer] de nodige medische zorg onthouden, naar de rechtbank vermoedt om te verheimelijken aan welk geweld hij zijn zoontje heeft blootgesteld. [slachtoffer] was volkomen weerloos tegenover verdachte, die hem als vader juist behoorde te beschermen.

Dergelijke feiten roepen hevige gevoelens van afschuw, onbegrip en onrust op, niet alleen in de naaste omgeving van het gezin, maar ook in de samenleving als geheel.

De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij [slachtoffer] niet alleen het leven heeft ontnomen, maar ook ernstig afbreuk heeft gedaan aan de kwaliteit van dat veel te korte leven.

Door zijn geweldshandelingen te blijven ontkennen, heeft verdachte geen inzicht gegeven in een mogelijke oorzaak van zijn handelen. De rechtbank kan daar dus ook geen rekening mee houden.

Gelet op de ernst van wat verdachte heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat slechts een vrijheidsstraf van langere duur passende straf is.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de lange tijd die deze strafzaak heeft geduurd.

Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat sprake is geweest van een aantal onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, te weten:

  • -

    er is te lang gewacht met het verstrekken van het definitieve sectieverslag en hiermee is gewacht totdat afluisterapparatuur was geïnstalleerd in de woningen van verdachte en de naaste familie;

  • -

    het pressieverbod jegens medeverdachte [medeverdachte] is geschonden, hetgeen tevens kon doorwerken in de zaak tegen verdachte;

  • -

    een aantal geheimhoudersgesprekken is te laat vernietigd.

De rechtbank ziet in deze verzuimen alsmede in het tijdsverloop aanleiding om over te gaan tot een verlaging van de op te leggen straf met twee maanden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57, 255, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder parketnummer 05/740130-16 ten laste gelegde feiten.

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 (zesenveertig) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. J. Barrau en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Gelderland-Midden, team Zware Criminaliteit, opgemaakte proces-verbaal, dossier 07TGO10003 (TGO Kruid), gesloten op 2 februari 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, dan wel het doorgenummerde forensische opsporingsdossier, tenzij anders vermeld.

2 Het onderzoeks/relaasproces-verbaal p. 3; het proces-verbaal van bevindingen uitwerken ‘112-melding’, p. 153-158; het proces-verbaal van bevindingen p. 102-103; verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 19 september 2016.

3 Een schriftelijk bescheid inhoudende een specialistenbericht van 29 augustus 2010 p. 130; proces-verbaal van bevindingen presentatie R.A.C. Bilo p. 328; het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 130 (forensisch opsporingsdossier) .

4 Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 131-132 (forensisch opsporingsdossier).

5 Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 129-130 (forensisch opsporingsdossier).

6 Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 132 (forensisch dossier)

7 Een schriftelijk bescheid inhoudende een brief ‘beantwoording vraagstelling’ p. 192 (forensisch dossier)

8 Een schriftelijk bescheid inhoudende een brief ‘beantwoording vraagstelling’ p. 193 (forensisch dossier)

9 Een schriftelijk bescheid inhoudende een brief ‘beantwoording vraagstelling’ p. 195 (forensisch dossier)

10 Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem in het bijzonder de pagina’s 4, 5, 6, 12, 13, 15 (1e alinea), 17 (laatste alinea), 21, 23 (3e alinea), 27, 30 (2e alinea) en 32.

11 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 1117.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , p. 265.

13 Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem p. 20, laatste alinea.

14 Een schriftelijk bescheid inhoudende tijdlijn vastgesteld letsel p. 1163.

15 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 september 2016.

16 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 september 2016.

17 Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem p. 22 (4e alinea).

18 het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] p. 525; een schriftelijk bescheid inhoudende een huisartsenbrief van het ziekenhuis Rijnstate d.d. 3 mei 2010 p. 467.

19 Het proces-verbaal van aangifte [naam 2] p. 97 en p. 98.

20 Het proces-verbaal van bevindingen horen getuige [getuige 2] p. 1184; het proces-verbaal van bevindingen p. 218-219. Idem verklaring deskundige Bilo: schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem , p. 22 (midden).

21 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 2] p. 556; het proces-verbaal van bevindingen horen getuige [getuige 2] p. 1184-1185.

22 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] p. 1297; een schriftelijk bescheid inhoudende een emailbericht van [naam 2] , AMK aan [getuige 8] van kinderdagverblijf [naam 4] p. 369; het proces-verbaal van verhoor [naam 2] p. 557.

23 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 3] p. 960.

24 Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem, p. 21 onderaan.

25 Schriftelijk bescheid, te weten een verslag d.d. 26-10-10 van dr. [getuige 4] , p. 177-178 (forensisch dossier).

26 Sectieverslag d.d. 28 maart 2011, pag. 129, midden (forensisch dossier).

27 Schriftelijk bescheid, te weten een verslag d.d. 26-10-10 van dr. [getuige 4] , p. 177 midden (forensisch dossier).

28 Schriftelijk bescheid, te weten een brief d.d. 10 februari 2011 van dr. [getuige 2] aan dr. Soerdjbalie-Maikoe, p. 179 onderaan (forensisch dossier)

29 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , kinderarts p. 963; het proces-verbaal van verhoor [naam 5] p. 744.

30 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] , p. 180; een schriftelijk bescheid, inhoudende een daglijst van 22 maart 2010, p. 192.

31 Het onderzoeks/relaasproces-verbaal dossier TGO Kruid p. 26.

32 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] , p.181; het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , p. 372.

33 Het proces-verbaal van bevindingen p. 1129.

34 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] p. 1051 en 1052.

35 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 september 2016.

36 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] p. 1295 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] p. 1403.

37 Een schriftelijk bescheid inhoudende een brief d.d. 14 september 2010 p. 943.

38 Een schriftelijk bescheid inhoudende een brief d.d. 14 september 2010 p. 943, vierde aandachtspunt.

39 Het proces-verbaal onderzoek spijlen in de box p. 120 .

40 Het proces-verbaal van bevindingen p. 1059.

41 Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem, p. 26 onderaan

42 Een schriftelijk bescheid inhoudende een brief ‘beantwoording vraagstelling’ p. 192 (forensisch dossier).

43 Sectieverslag d.d. 28 maart 2011, p. 129 midden (forensisch dossier).

44 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 19 september 2016; het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] p. 1300.

45 Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 132 (forensisch dossier)

46 Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 130 (forensisch dossier)

47 Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 131 (forensisch dossier)

48 Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem, p. 32, één-na-laatste alinea.

49 Het proces-verbaal van verhoor [naam 3] p. 449-450: het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] p. 1306.

50 Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] p. 1306-1307; het proces-verbaal van verhoor verdachte p. p. 1414.

51 Het proces-verbaal van bevindingen p. 115; een schriftelijk bescheid inhoudende verslag huisarts [getuige 11] p. 128.

52 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] p. 446; het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] p. 1304-1305.

53 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] p. 446.

54 Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem, p. 29,derde alinea.

55 Schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter en de griffier in de rechtbank Arnhem, p. 7, midden.

56 Het proces-verbaal betreffende tapgesprekken, p. 1530, bovenaan.

57 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 september 2016; het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] p. 1300.

58 Het definitieve sectieverslag van 28 maart 2011, p. 146, midden (forensisch dossier)

59 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] p. 525-526, 529, ; het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] p. 1295, 1305-1306.

60 een schriftelijk bescheid inhoudende een brief van kinderradioloog UMC [getuige 2] d.d. 10 februari 2011 p. 181 (forensisch dossier).