Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:512

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-01-2016
Datum publicatie
02-02-2016
Zaaknummer
05/820133-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het veroorzaken van een verkeersongeval tot het verrichten van een werkstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. (Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820133-15

Datum uitspraak : 29 januari 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 juni 2015 te Voorthuizen in de gemeente Barneveld als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Amersfoort en gaande in de richting van de kruising van de wegen, de afrit(18) van de Rijksweg A1 en de Baron van Nagellstraat, daarmede rijdende over de weg, de rijstrook voor het rechts afslaande verkeer van de uit twee rijstroken bestaande rijbaan van de afrit (18) van de Rijksweg A1,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht voor hem verdachte, gelet op zijn, verdachtes rijrichting, op het voor hem van links over die Baron van Nagellstraat naderende verkeer werd belemmerd en/of gehinderd, door een op de voor het links afslaande verkeer bestemde rijstrook van de door hem, verdachte bereden rijbaan, (voor een verkeerslicht) stilstaande vrachtwagen en/of

terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg, de afrit(18) van de Rijksweg A1, haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of

voor die kruising, in de rechter berm van die weg, de afrit(18)van de Rijksweg A1, een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement, inhoudende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg", was geplaatst en/of

een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd en voor het verkeer van de door hem, verdachte bereden rijstrook bestemd verkeerlicht rood licht uitstraalde

in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder C van voormeld reglement, inhoudende: "Bij drie kleurige verkeerslichten betekent: rood licht stop", niet dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto)voor de op het wegdek van die afrit(18)van de Rijksweg A1 aangebrachte en voor hem, verdachte ingevolge artikel 79 van voormeld reglement bestemde stopstreep, tot stilstand heeft gebracht en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) op zodanige wijze heeft geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand

waarover hij, verdachte die weg, de afrit(18) van de Rijksweg A1, kon overzien

en waarover deze vrij was en/of

die kruising zonder te stoppen is opgereden en/of

geen voorrang heeft verleend aan twee over het langs die kruisende (voorrangs)weg, de Baron van Nagellstraat, gesitueerde vrij liggende fiets/bromfietspad rijdende, gelet op zijn, verdachte rijrichting, toen dicht van links genaderd zijnde bestuurders van ander motorrijtuigen (bromfietsen) en/of welke bestuurders doende waren om bij groen licht die kruising over te

steken en/of

heeft hij, verdachte de bestuurders van die andere motorrijtuigen (bromfietsen), in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 6 van voormeld reglement niet voor laten gaan en/of

is hij, verdachte in aanrijding gekomen met één (zijnde het slachtoffer/benadeelde [slachtoffer 1] ) van die over dat fiets/bromfietspad van die kruisende (voorrangs)weg, de Baron van Nagellstraat rijdende, toen dicht genaderd zijnde bestuurders van die andere motorrijtuigen (bromfietsen)en/of diens motorrijtuig (bromfiets) en/of

ten gevolge waarvan of waarbij de andere bestuurder (het slachtoffer [slachtoffer 2] ) van genoemde andere motorrijtuigen (bromfietsen), die op dat moment zeer dicht naast en/of links achter voormelde bestuurder van eerder voormeld ander motorrijtuig (bromfiets van het slachtoffer/benadeelde [slachtoffer 1] )reed, in botsing en/of aanrijding is gekomen met dat andere

motorrijtuig (de bromfiets van het slachtoffer/benadeelde [slachtoffer 1] ) en/of

ten gevolge waarvan of waarbij die bestuurders van die andere motorrijtuigen (bromfietsen) ten val zijn gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat aan zijn schuld te wijten verkeersongeval/en heeft/hebben plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt, doordat hij, verdachte geen voorrang heeft verleend;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 4 juni 2015 te Voorthuizen in de gemeente Barneveld als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Amersfoort en gaande in de richting van de kruising van de wegen, de afrit(18) van de Rijksweg A1 en de Baron van Nagellstraat, daarmede heeft gereden over de weg, de rijstrook voor het rechts afslaande verkeer van de uit twee rijstroken bestaande rijbaan van de afrit (18) van de Rijksweg A1 en

terwijl het zicht voor hem verdachte, gelet op zijn, verdachtes rijrichting, op het voor hem van links over die Baron van Nagellstraat naderende verkeer werd belemmerd en/of gehinderd, door een op de voor het links afslaande verkeer bestemde rijstrook van de door hem, verdachte bereden rijbaan, (voor een verkeerslicht) stilstaande vrachtwagen en/of

terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg, de afrit(18) van de Rijksweg A1, haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of

voor die kruising, in de rechter berm van die weg, de afrit(18)van de Rijksweg A1, een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement, inhoudende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg", was geplaatst en/of

een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd en voor het verkeer van de door hem, verdachte bereden rijstrook bestemd verkeerlicht rood licht uitstraalde

in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder C van voormeld reglement, inhoudende: "Bij drie kleurige verkeerslichten betekent: rood licht stop", niet dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto)voor de op het wegdek van die afrit(18)van de Rijksweg A1 aangebrachte en voor hem, verdachte ingevolge artikel 79 van voormeld reglement bestemde stopstreep, tot stilstand heeft gebracht en/of

die kruising zonder te stoppen is opgereden en/of

geen voorrang heeft verleend aan twee over het langs die kruisende (voorrangs)weg, de Baron van Nagellstraat, gesitueerde vrij liggende fiets/bromfietspad rijdende, gelet op zijn, verdachte rijrichting, toen dicht van links genaderd zijnde bestuurders van ander motorrijtuigen (bromfietsen) en/of welke bestuurders doende waren om bij groen licht die kruising over te

steken en/of

heeft hij, verdachte de bestuurders van die andere motorrijtuigen (bromfietsen), in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 6 van voormeld reglement niet voor laten gaan en/of

is hij, verdachte in aanrijding gekomen met één (zijnde het slachtoffer/benadeelde [slachtoffer 1] ) van die over dat fiets/bromfietspad van die kruisende (voorrangs)weg, de Baron van Nagellstraat rijdende, toen dicht genaderd zijnde bestuurders van die andere motorrijtuigen (bromfietsen)en/of

diens motorrijtuig (bromfiets) en/of ten gevolge waarvan of waarbij de andere bestuurder (het slachtoffer [slachtoffer 2] ) van genoemde andere motorrijtuigen (bromfietsen), die op dat

moment zeer dicht naast en/of links achter voormelde bestuurder van eerder voormeld ander motorrijtuig (bromfiets van het slachtoffer/benadeelde [slachtoffer 1] ) reed, in botsing en/of aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (de bromfiets van het slachtoffer/benadeelde [slachtoffer 1] ) en/of

ten gevolge waarvan of waarbij die bestuurders van die andere motorrijtuigen (bromfietsen) ten val zijn gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg/kruising van wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg/kruising van wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte reed op 4 juni 2015 als bestuurder in een personenauto te Voorthuizen in de gemeente Barneveld. Verdachte was komende uit de richting Amersfoort en gaande in de richting van de kruising van de wegen, de afrit (18) van de Rijksweg A1 en de Baron van Nagellstraat. Verdachte reed op de rijstrook voor het rechts afslaande verkeer van de uit twee rijstroken bestaande rijbaan van de afrit (18) van de Rijksweg A1.2 Direct voor de kruising waren op het wegdek van de afrit (18) van de Rijksweg A1 haaientanden aangebracht, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg”. In de rechter berm voor de kruising van de afrit (18) van de Rijksweg A1 was een in verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg”, geplaatst.3 Een in verdachtes rijrichting gekeerd en voor het verkeer van de door verdachte bereden rijstrook bestemd verkeerslicht straalde rood licht uit.4 Verdachte heeft, in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder C van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Bij drie kleurige verkeerslichten betekent: rood licht stop”, zijn personenauto niet tot stilstand gebracht.5 Verdachte is de kruising zonder te stoppen opgereden en heeft geen voorrang verleend aan twee van links komende bromfietsers, rijdend over het langs de kruisende (voorrangs)weg, de Baron van Nagellstraat, gesitueerde vrij liggende fiets/bromfietspad.6 Deze bromfietsers waren dicht van links genaderd en waren doende om bij groen licht de kruising over te steken.7 Verdachte heeft deze bromfietsers in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 6 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens niet voor laten gaan. Verdachte is in aanrijding gekomen met één bromfietsers, zijnde [slachtoffer 1] . Ten gevolge waarvan de andere bromfietser, [slachtoffer 2] , die op dat moment zeer dicht naast en/of achter [slachtoffer 1] reed, in botsing gekomen. Beide bromfietsers zijn ten val gekomen.8 Door deze val heeft [slachtoffer 2] een breuk in zijn rechterknie opgelopen, waaraan hij moest worden geopereerd.9 De knie van [slachtoffer 2] is met een plaat en twaalf pinnen vastgezet.10 De verwachtte genezingsduur is één jaar.11

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdachte

Door verdachte is geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is in zijn algemeenheid vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer, of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en voorts naar de overige omstandigheden van het geval.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vanaf de Rijksweg A1 kwam aanrijden en dat hij van plan was om rechtsaf de Baron van Nagellstraat op te rijden. Verdachte zag ongeveer 30 meter voor zich, het stoplicht op oranje springen. Verdachte had de mogelijkheid om te stoppen, maar is doorgereden omdat hij dacht dat hij het wel zou redden. Voordat verdachte het stoplicht naderde heeft verdachte niet geremd, maar hij heeft wel afgeremd net vóór de stoplichten om de bocht te nemen. Op het moment dat verdachte over de witte stopstreep reed, zag verdachte dat het stoplicht op rood was gesprongen. Op hetzelfde moment kwamen de twee bromfietsers van links aangereden. Verdachte had de bromfietsers niet eerder gezien doordat de vrachtwagen die op de rijbaan links van verdachte stond, zijn zicht belemmerde. Verdachte was niet bekend ter plaatse en reed daar pas sinds een week voor zijn werk.12

De rechtbank stelt vast dat verdachte kwam aanrijden op de afrit (18) van de Rijksweg A1 en dat op de linker rijbaan een vrachtwagen stond te wachten voor het verkeerslicht. Terwijl verdachte de stoplichten naderde en hij zich nog op ca 30 m afstand daarvan bevond, had verdachte langs de linkerzijde van de voor dat stoplicht reeds wachtende vrachtauto vrij zicht op eventuele, van links komende, wachtende verkeersdeelnemers. Verdachte had achter de vrachtwagen langs kunnen kijken om zich ervan te vergewissen of er verkeer voor de verkeerslichten stond te wachten op de Baron van Nagellstraat. Echter, verdachte had zijn aandacht alleen gericht op het verkeerslicht welke op het moment dat verdachte aan kwam rijden oranje licht uitstraalde. Verdachte had naar eigen zeggen kunnen stoppen, maar koos ervoor om door te rijden en sloeg af op het moment dat het verkeerslicht rood licht uitstraalde. Op dat moment werd het zicht van verdachte wel belemmerd door de vrachtwagen. Desondanks is verdachte, zonder zich ervan te vergewissen of er verkeersdeelnemers de kruising op kwamen rijden en zonder te stoppen, rechtsaf geslagen. Verdachte heeft de van links komende bromfietsers dan ook niet zien aan komen rijden en deze ook geen voorrang verleend.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zijn personenauto niet voor de bestemde stopstreep tot stilstand heeft gebracht, ingevolge artikel 79 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Daar komt bij dat verdachte zijn snelheid niet op zodanige wijze had geregeld dat hij in staat was zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de afrit (18) van de Rijksweg A1 kon overzien en te beoordelen of de kruising vrij was, wat in strijd is met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Dit terwijl verdachte niet bekend was ter plaatse.

Verdachte is door zijn handelswijze aanmerkelijk tekort geschoten in zijn zorgplicht jegens andere, met name kwetsbare verkeersdeelnemers. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich, met het voorgaande weggedrag, aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gedragen en daarmee schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

Letsel

Naar het oordeel van de rechtbank is het letsel van [slachtoffer 2] te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 4 juni 2015 te Voorthuizen in de gemeente Barneveld als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Amersfoort en gaande in de richting van de kruising van de wegen, de afrit(18) van de Rijksweg A1 en de Baron van Nagellstraat, daarmede rijdende over de weg, de rijstrook voor het rechts afslaande verkeer van de uit twee rijstroken bestaande rijbaan van de afrit (18) van de Rijksweg A1,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht voor hem verdachte, gelet op zijn, verdachtes rijrichting, op het voor hem van links over die Baron van Nagellstraat naderende verkeer werd belemmerd en/of gehinderd, door een op de voor het links afslaande verkeer bestemde rijstrook van de door hem, verdachte bereden rijbaan, (voor een verkeerslicht) stilstaande vrachtwagen en/of

terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg, de afrit(18) van de Rijksweg A1, haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of

voor die kruising, in de rechter berm van die weg, de afrit (18) van de Rijksweg A1, een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement, inhoudende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg", was geplaatst en/of

een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd en voor het verkeer van de door hem, verdachte bereden rijstrook bestemd verkeerlicht rood licht uitstraalde

in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder C van voormeld reglement, inhoudende: "Bij drie kleurige verkeerslichten betekent: rood licht stop", niet dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto)voor de op het wegdek van die afrit (18) van de Rijksweg A1 aangebrachte en voor hem, verdachte ingevolge artikel 79 van voormeld reglement bestemde stopstreep, tot stilstand heeft gebracht en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) op zodanige wijze heeft geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand

waarover hij, verdachte die weg, de afrit(18) van de Rijksweg A1, kon overzien en waarover deze vrij was en/of

die kruising zonder te stoppen is opgereden en/of

geen voorrang heeft verleend aan twee over het langs die kruisende (voorrangs)weg, de Baron van Nagellstraat, gesitueerde vrij liggende fiets/bromfietspad rijdende, gelet op zijn, verdachte rijrichting, toen dicht van links genaderd zijnde bestuurders van ander motorrijtuigen (bromfietsen) en/of welke bestuurders doende waren om bij groen licht die kruising over te

steken en/of

heeft hij, verdachte de bestuurders van die andere motorrijtuigen (bromfietsen), in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 6 van voormeld reglement niet voor laten gaan en/of

is hij, verdachte in aanrijding gekomen met één (zijnde het slachtoffer/benadeelde [slachtoffer 1] ) van die over dat fiets/bromfietspad van die kruisende (voorrangs)weg, de Baron van Nagellstraat rijdende, toen dicht genaderd zijnde bestuurders van die andere motorrijtuigen (bromfietsen)en/of diens motorrijtuig (bromfiets) en/of

ten gevolge waarvan of waarbij de andere bestuurder (het slachtoffer [slachtoffer 2] ) van genoemde andere motorrijtuigen (bromfietsen), die op dat moment zeer dicht naast en/of links achter voormelde bestuurder van eerder voormeld ander motorrijtuig (bromfiets van het slachtoffer/benadeelde [slachtoffer 1] ) reed, in botsing en/of aanrijding is gekomen met dat andere

motorrijtuig (de bromfiets van het slachtoffer/benadeelde [slachtoffer 1] ) en/of

ten gevolge waarvan of waarbij die bestuurders van die andere motorrijtuigen (bromfietsen) ten val zijn gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat aan zijn schuld te wijten verkeersongevallen heeft/hebben plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt, doordat hij, verdachte geen voorrang heeft verleend.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primaire feit:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 120 uren werkstraf, te vervangen door 60 dagen hechtenis en tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Het standpunt van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn rijbewijs hard nodig heeft voor zijn werk en dat hij verwacht dat hij anders zijn baan zal verliezen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 30 november 2015.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende. Verdachte heeft door zijn eigen handelen een verkeersongeval veroorzaakt met twee bromfietsers ten gevolge waarvan één van de bromfietsers zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Verdachte had zijn aandacht gericht op de naderende verkeerslichten en is daarbij door rood gereden. Verdachte heeft door hem verwijtbaar gedrag de van links komende bromfietsers niet gezien en bovendien aan hen geen voorrang verleend, terwijl zij groen licht hadden en hij door rood licht. Daardoor heeft een aanrijding plaatsgevonden met ernstig letsel, pijn en langdurige revalidatie voor een van de bromfietsers tot gevolg. Dit rekent de rechtbank verdachte dan ook zeer aan.

Uit het uittreksel van de justitiële documentatie van 30 november 2015 blijkt dat verdachte niet recentelijk is veroordeeld voor verkeersovertredingen.

De door de officier van justitie geëiste werkstraf is naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden.

Vanuit het oogpunt van normhandhaving acht de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats, omdat verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar heeft gebracht. De rechtbank zal de door de officier van justitie geëiste ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk opleggen met als doel om verdachte extra te motiveren tot het blijvend in acht nemen van de in het verkeer benodigde voorzichtigheid en oplettendheid. Daarbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte zijn rijbewijs hard nodig heeft voor zijn werk.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van aantal 12 (twaalf) maanden;

bepaalt, dat deze bijkomende straf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.S. Croll (voorzitter), mr. A.M. van Gorp en mr. M.A. Bijl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Verhagen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 januari 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, basisteam Veluwe Vallei-Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2015269914, gesloten op 20 juli 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 januari 2016.

3 Het proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse, d.d. 5 augustus 2015, p. 6 van 19, onder het kopje 2.1.3. Verkeersmaatregelen ter plaatse.

4 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 januari 2016.

5 Het proces-verbaal misdrijf, d.d. 20 juli 2015, p. 3 alsmede het proces-verbaal aanrijding misdrijf, d.d. 20 juli 2015, p. 5, middelste alinea.

6 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 januari 2015.

7 Het proces-verbaal van verhoor betrokkene [slachtoffer 2] , d.d. 24 juni 2015, p. 9 en het proces-verbaal van verhoor betrokkene [slachtoffer 1] , d.d. 24 juni 2015, p. 11.

8 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 januari 2016 alsmede het proces-verbaal van verhoor betrokkene [slachtoffer 2] , d.d. 24 juni 2015, p. 9 en het proces-verbaal van verhoor betrokkene [slachtoffer 1] , d.d. 24 juni 2015, p. 11.

9 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, d.d. 17 juni 2015, p. 16.

10 Het nagekomen proces-verbaal van verhoor betrokkene [slachtoffer 2] , d.d. 25 september 2015,, derde alinea.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, d.d. 17 juni 2015, p. 16.

12 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 januari 2016.