Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5070

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-09-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6787ev
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:8755, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bron van inkomen, vergoeding van raadslidmaatschap wordt aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden, kosten aftrek werkruimte en diverse kostencorrecties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2150
FutD 2016-2447
NTFR 2016/2902 met annotatie van drs. R.P. Bitter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 15/6787, 15/6789, 15/6791, 15/7593, 15/7594 en 15/7595

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 september 2016

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] RB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .H.97) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.322. Tevens is bij beschikking € 464 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .W.97) inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrageinkomen van € 13.542. Tevens is bij beschikking € 53 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .H.07) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.053. Tevens is bij beschikking € 284 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2011 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.16.01) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.763. Tevens is bij beschikking € 1.738 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.26.01) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.314. Tevens is bij beschikking € 694 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag (aanslagnummer [000] .W.26.01.4) Zvw opgelegd, berekend naar een bijdrageinkomen van € 12.858. Tevens is bij beschikking € 28 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 2 oktober 2015 de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2009 en tegen de aanslag IB/PVV 2011 niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder is gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het verzoek tot ambtshalve vermindering over het jaar 2011 en heeft over dat jaar een beschikking ambtshalve vermindering vastgesteld berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.674. De belastingrente is verminderd tot € 497.

Eiser heeft daartegen bij brief van 10 november 2015, ontvangen door de rechtbank op 12 november 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 11 december 2015 de bezwaren tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 en tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2012 afgewezen.

Eiser heeft daartegen bij brief van 15 december 2015, ontvangen door de rechtbank op 17 december 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft, na daartoe de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. [gemachtigde] en [A] , administrateur. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en mr. [B] .

Eiser heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser staat sinds 1991 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als eenmanszaak onder de naam “ [C] ”. Hij heeft daarvoor als zelfstandige werkzaamheden verricht als loodgieter, maar is hiervoor arbeidsongeschikt geraakt. In 2008, 2009 en 2010 is eiser commissielid geweest van de partij [D] . Eiser is sinds 2010 lid van de gemeenteraad in [Z] . Eiser ontvangt hiervoor een vergoeding. Vanaf 2010, 2011 is eiser zich gaan oriënteren om activiteiten in Thailand te ontplooien. In 2012 is eiser meerdere keren naar Thailand gegaan om hiermee verder te gaan, waarna in latere jaren een rijstplantage is opgestart.

2. Eiser heeft over de jaren 2009 tot en met 2012 aangifte gedaan voor de IB/PVV. Eiser heeft daarbij de inkomsten en kosten uit de hiervoor genoemde activiteiten verantwoord als winst uit onderneming.

3. Eiser ontvangt naast een WAZ-uitkering een uitkering uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Eiser heeft deze aangegeven als belastbare periodieke uitkering.

4. Eiser is woonachtig in een huurwoning in [Z] . Hij heeft in 2010 met goedkeuring van de verhuurder in de huurwoning een werkruimte gerealiseerd. Deze werkruimte beslaat 31,62% van de totale oppervlakte van de woning. De werkruimte heeft onder meer een eigen opgang, een pantry met watervoorziening en een aansluiting voor sanitaire voorzieningen. De sanitaire voorzieningen zijn niet gerealiseerd.

5. Verweerder heeft op 14 november 2013 schriftelijk een boekenonderzoek bij eiser aangekondigd over de jaren 2011 en 2012 ten aanzien van de aangiften IB/PVV en over de jaren 2009 tot en met 2012 ten aanzien van de omzetbelasting. Aanleiding hiervoor is een negatief bedrag aan winst uit onderneming over de afgelopen jaren. Het onderzoek is uitgebreid met de beoordeling van de juistheid van de kosten in de jaren 2009 en 2010. Het definitieve rapport is, nadat door partijen over en weer is gecorrespondeerd, uitgebracht op 10 september 2015.

6. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder aan eiser
de onderhavige (navorderings-)aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd.

Geschil

7. In geschil is of:

  • -

    de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over het jaar 2009 en de aanslag IB/PVV over het jaar 2011 terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard;

  • -

    sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt;

  • -

    uitkeringen uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering als winst uit onderneming kunnen worden aangemerkt;

  • -

    inkomsten als raadslid tot winst uit onderneming dan wel tot resultaat uit overige werkzaamheden moeten worden gerekend;

  • -

    sprake is van een bron van inkomen voor de activiteiten in Thailand;

  • -

    tot welk bedrag diverse kosten ten laste van de winst uit onderneming dan wel het resultaat uit een werkzaamheid kunnen worden gebracht.

Ter zitting heeft eiser zijn standpunt dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2009 en de aanslag IB/PVV over het jaar 2011 buiten de termijn zijn opgelegd, ingetrokken.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar 2009

8. De dagtekening van de navorderingsaanslag is 29 november 2014. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij niet langer betwist dat de e-mail van de heer [A] van 27 november 2014 betrekking heeft op de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2009 en dat deze als bezwaarschrift had moeten worden aangemerkt. Dit leidt er volgens verweerder toe dat het bezwaarschrift tegen deze navorderingsaanslagen tijdig is ingediend en het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank zal partijen hierin volgen, zodat het beroep op dit punt gegrond is.

Ontvankelijkheid bezwaar 2011

9. Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) juncto artikel 22j, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

10. De aanslag is gedagtekend 5 december 2014. Eiser betwist deze aanslag te hebben ontvangen en stelt pas door de ontvangst van een kopie van de aanslag op 31 januari 2015 op de hoogte te zijn geraakt van de aanslag. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser de aanslag niet heeft ontvangen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder de verzending van de aanslag IB/PVV over 2011 heeft onderbouwd met een rapport van de Centrale Administratie Apeldoorn.

11. Uit het voorgaande volgt dat als datum bekendmaking van de aanslag 5 december 2014 heeft te gelden. Dat betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 6 december 2014. Alsdan had het bezwaarschrift uiterlijk op 16 januari 2015 bij verweerder ingediend moeten worden, dan wel bij terpostbezorging uiterlijk op 16 januari 2015 en door verweerder uiterlijk op 23 januari 2015 moeten zijn ontvangen. Niet in geschil is dat verweerder eerst op 27 januari 2015 een bezwaarschrift van eiser heeft ontvangen. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift buiten de wettelijke termijn is ingediend.

12. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Artikel 6:11 van de Awb ziet op gevallen waarin eiser redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. Eiser heeft niet naar voren gebracht dat hij niet in staat was bezwaar te maken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor toepassing van artikel 6:11 van de Awb. Verweerder heeft terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring is ongegrond.

13. Verweerder heeft de als bezwaar aangemerkte aangifte tevens als een verzoek om ambtshalve vermindering aangemerkt. De bij de uitspraak op bezwaar bekendgemaakte beslissing van de inspecteur op dit verzoek is (tevens) een voor bezwaar vatbare beschikking. Eiser heeft ter zitting verklaard dat het beroep tevens is ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Partijen hebben beiden ingestemd met prorogatie op de voet van artikel 7:1a van de Awb. De rechtbank zal partijen hierin volgen.

Nieuw feit

14. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder voor de jaren 2009 en 2010 niet over een nieuw feit beschikt, waardoor navordering over die jaren niet mogelijk is.

15. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat er sprake is van een nieuw feit.

16. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit dient beoordeeld te worden of de navorderingsaanslagen voortvloeien uit feiten die bij het opleggen van de primitieve aanslagen reeds bij de inspecteur bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die belanghebbende in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven of het ontbreken daarvan, in redelijkheid behoort te twijfelen (zie HR 6 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2890). De inspecteur behoeft in redelijkheid niet te twijfelen aan de juistheid van de in het aangiftebiljet opgenomen posten, indien er voor deze posten ook een andere, niet onwaarschijnlijke verklaring mogelijk is (zie HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

17. Verweerder stelt dat er sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Er waren niet-onwaarschijnlijke verklaringen mogelijk voor de door eiser in de aangiften opgenomen gegevens. Eerst bij het boekenonderzoek is aan de orde gekomen in hoeverre de feitelijke situatie van eiser zich verhoudt tot de door hem in de aangifte opgenomen gegevens. Eiser heeft enkel gesteld dat de feiten reeds bleken uit de aangiften IB/PVV 2009 en 2010. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden gegeven waarom verweerder zou moeten twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de aangifte, zodat sprake is van een nieuw feit. Verweerder was gerechtigd tot het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen.

Uitkeringen arbeidsongeschiktheidsverzekering

18. Eiser stelt zich op het standpunt dat de periodieke uitkering die hij ontvangt uit zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering tot de winst uit onderneming moet worden gerekend. In het arrest van 2 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5190, heeft de Hoge Raad beslist dat arbeidsongeschiktheidsverzekeringen in de regel geen bijzonder verband houden met de door de verzekerden gelopen of nog te lopen specifieke beroepsrisico’s, omdat zij mede dekking bieden tegen de inkomensderving door arbeidsongeschiktheid die niet ten gevolge van de beroepsuitoefening is ontstaan. Nu gebleken noch gesteld is dat voormeld risico wordt opgeroepen of vergroot door het beroep van de belastingplichtige, kunnen bij de verzekering van dit risico de desbetreffende premies niet tot de beroepskosten worden gerekend. Ook de uitkering uit zodanige verzekering behoort niet tot de beroeps- of winstsfeer.

19. Eiser heeft gesteld dat de arbeidsongeschiktheid (mede) is veroorzaakt door zijn beroep. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een tweetal pagina’s van de verzekeringsvoorwaarden verstrekt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit de incomplete set overgelegde verzekeringsvoorwaarden volgt geenszins dat enkel sprake is van een beroeps- of bedrijfsongevallenverzekering. De rechtbank acht aannemelijk dat de verzekering, zoals gebruikelijk, mede dekking biedt tegen inkomensderving door arbeidsongeschiktheid die niet door de beroepsuitoefening is ontstaan. Dit betekent dat de uitkeringen uit de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet tot de winstsfeer behoren en verweerder deze terecht tot de belastbare periodieke uitkeringen of verstrekkingen heeft gerekend.

Vergoeding raadslidmaatschap

20. Volgens vaste rechtspraak is de vergoeding die een raadslid voor zijn werkzaamheden ontvangt, ingevolge artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, belast als inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden (zie HR 5 mei 1971, ECLI:NL:HR:1971:AX4978). Onder de Wet IB 2001 worden de inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden aangemerkt als resultaat uit een werkzaamheid in de zin van artikel 3.94 van de Wet IB 2001.

21. Ingevolge artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, gelezen in samenhang met artikel 3.90 van de Wet IB 2001, behoort het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren, tot het belastbaar inkomen uit werk en woning. Gelet hierop heeft verweerder de vergoeding voor de werkzaamheden die eiser als gemeenteraadslid heeft verricht, terecht aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.

Bron van inkomen

22. Eiser stelt verder dat hij als zelfstandige, onder de handelsnaam [C] , een onderneming drijft. De ondernemingsactiviteiten bestaan volgens eiser al jarenlang en vanaf 2010 in ieder geval uit het raadslidmaatschap en vanaf 2011 mede uit activiteiten in Thailand. Verweerder stelt daar tegenover dat in de jaren 2009 en 2010 geen activiteiten zijn verricht. Vanaf 2011 worden er weliswaar werkzaamheden verricht voor activiteiten in Thailand, maar in de onderhavige jaren vormen deze geen bron van inkomen omdat er in Nederland geen omzet wordt gegeneerd. Er is geen sprake van een objectieve voordeelsverwachting, aldus verweerder.

23. Een voordeel kan slechts inkomen zijn indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen:

- deelname aan het economische verkeer;

- het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen; en

- de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

De bewijslast dat sprake is van een bron van inkomen, rust op eiser.

24. De vraag of een belastingplichtige in een jaar een onderneming uitoefent, en met name of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (zie HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707).

25. De rechtbank stelt voorop dat de raadslidwerkzaamheden, zoals hiervoor is overwogen, niet als ondernemingsactiviteiten kunnen worden aangemerkt. Voor de jaren 2009 en 2010 heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij nog andere activiteiten heeft verricht waarmee hij deelneemt aan het economische verkeer, zodat er in die jaren geen sprake is van een bron van inkomen.

26. Uit de gedingstukken leidt de rechtbank af dat in de jaren 2011 en 2012 slechts kosten zijn gemaakt en geen omzet is gegenereerd. Voor het jaar 2013 zou een omzet van € 955 zijn behaald, voor het jaar 2014 € 3.699 en voor het jaar 2015 € 10.750. De kosten over deze jaren zijn ongeveer € 30.000 per jaar. Deze zijn evenwel niet gespecificeerd, zodat niet duidelijk is welk deel daarvan betrekking heeft op de activiteiten in Thailand. Hiermee heeft eiser tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een objectieve winstverwachting en dat hij redelijkerwijs positieve resultaten uit de activiteiten in Thailand kon verwachten, ook niet als de ontwikkelingen in de volgende jaren bij de beoordeling worden betrokken. Ook overigens heeft eiser geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan bij de aanvang van de activiteiten een redelijke voordeelverwachting aanwezig zou zijn te verwachten. Van een bron van inkomen is derhalve ook in de jaren 2011 en 2012 geen sprake.

27. Gelet op het voorgaande kan eiser het negatieve resultaat van zijn activiteiten in Thailand niet in mindering brengen op zijn inkomen uit werk en woning. Enkel de kosten die betrekking hebben op de werkzaamheden als raadslid kunnen ten laste van het resultaat worden gebracht.

28. Naar volgt uit artikel 3.95 van de Wet IB 2001 is een aantal bepalingen betreffende de bepaling van de winst uit onderneming van overeenkomstige toepassing bij de bepaling van het resultaat van een werkzaamheid (hierna: resultaat). Dit brengt onder meer mee dat de kosten die verband houden met de werkzaamheid op het resultaat in mindering komen. Het is aan eiser om de hoogte en de aard van de door eiser in aftrek gebrachte kosten aannemelijk te maken.

Kosten werkruimte

29. In de aangiften IB/PVV over onderhavige jaren heeft eiser ter zake van de werkruimte in zijn huurwoning ten laste van de aangegeven winst uit onderneming huisvestingskosten in aftrek gebracht, bestaande uit verbouwingskosten, huur werkruimte, verzekering en afschrijving, omdat volgens eiser sprake was van een zelfstandig gedeelte van de woning waarvoor kostenaftrek mogelijk was. Daarna heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een huurrecht dat tot zijn ondernemings- dan wel resultaatsvermogen behoort. Verweerder heeft dit gemotiveerd betwist.

30. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld is er in het jaar 2009 geen sprake van winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden, zodat er geen kostenaftrek mogelijk is. De huisvestingskosten zijn in dat jaar derhalve terecht gecorrigeerd. Vanaf het moment dat eiser in 2010 raadslid is geworden, geniet eiser resultaat uit een werkzaamheid en dient de aftrekbaarheid van de huisvestingskosten beoordeeld te worden.

31. Een huurrecht is een vermogensrecht en daarmee een goed in de zin van artikel 3.1 Burgerlijk Wetboek en artikel 3.30, eerste lid, van de Wet IB 2001. Dit brengt mee dat een huurrecht dat (mede) voor de ondernemingsuitoefening wordt gebruikt, ondernemingsvermogen kan vormen. De etikettering van het huurrecht als ondernemingsvermogen leidt ertoe dat het gehele bedrag van de huur ten laste van de winst kan worden gebracht en dat daartegenover vanwege het privégebruik van de woning een volgens artikel 3.19, eerste lid, van de Wet IB 2001 te bepalen bedrag aan de winst dient te worden toegevoegd. Deze bijtelling betreft mede de werkruimte. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, dat ook van toepassing is op “een door de onderneming gehuurde of gepachte onroerende zaak” blijft immers voor het bepalen van de onttrekking een werkruimte waarvan de kosten ingevolge artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001 niet aftrekbaar zouden zijn als die niet tot het ondernemingsvermogen zou behoren, onder de desbetreffende woning begrepen. Gelet op artikel 3.19, vijfde lid, van de Wet IB 2001 dient artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001 aldus te worden gelezen dat onder “een tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning” mede moet worden begrepen een tot het ondernemingsvermogen behorend huurrecht van een woning (zie Hoge Raad 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1899).

32. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij niet langer betwist dat de oppervlakte van de werkruimte 31,62% van de gehele woning beslaat. Ook is niet in geschil dat eiser vanaf 2010 vanuit de werkruimte werkzaamheden ten behoeve van het raadslidmaatschap heeft verricht. Dit leidt er toe dat het huurrecht van de woning als keuzevermogen kan worden aangemerkt. Het is dan ook niet in strijd met de redelijkheid zijn als eiser het huurrecht in zijn geheel als resultaatsvermogen zou aanmerken. Eiser heeft evenwel nagelaten, ook in de beroepsfase, zijn stelling dat het huurrecht als resultaatsvermogen moet worden aangemerkt cijfermatig te onderbouwen. Hij heeft voor de onderhavige jaren niet gesteld welk bedrag aan huur voor de gehele woning ten laste van het resultaat moet worden gebracht. Evenmin heeft eiser een bijtelling voor privégebruik van de gehuurde woning in aanmerking genomen bij de onderbouwing van zijn standpunt. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser in de onderhavige jaren kennelijk ervoor heeft gekozen om het huurrecht tot het privévermogen te rekenen.

33. Het voorgaande leidt ertoe dat bij de beoordeling van de huisvestingskosten artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001 toepassing vindt. Op grond van het bepaalde in dit artikel komen kosten en lasten die verband houden met een werkruimte niet in aftrek op de winst, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en intensief wordt gebruikt voor verwerving van inkomen.

34. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een zelfstandig gedeelte van de woning is van belang of de werkruimte beschikt over een eigen opgang of ingang en over eigen voorzieningen zoals bijvoorbeeld sanitair en een keuken. De werkruimte in de woning van eiser is weliswaar toegankelijk via een eigen opgang, maar beschikt niet over eigen sanitaire voorzieningen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een zelfstandig gedeelte van de woning. Niet gebleken is dat de werkruimte een dusdanige zelfstandigheid bezit, dat zij ook als zodanig zou kunnen worden verhuurd aan derden. Verweerder heeft daarom terecht de huisvestingskosten over de jaren 2010 tot en met 2012 gecorrigeerd.

Autokosten

35. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser vanaf 2010 de auto veelvuldig gebruikt ten behoeve van zijn werkzaamheden als raadslid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geloofwaardig heeft verklaard dat hij in verband met zijn gezondheid genoodzaakt is om de auto in plaats van de fiets te gebruiken voor onder meer de bezoeken die hij als raadslid maakt, ondanks dat deze geregeld in de (relatieve) nabijheid van zijn woning plaatsvinden. Dit betekent dat eiser de auto als keuzevermogen kan aanmerken en het niet in strijd met de redelijkheid is dat eiser zijn auto vanaf 2010 tot het resultaatsvermogen rekent. De autokosten ten bedrage van € 3.792 (2011) en € 4.556 (2012) kunnen derhalve ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden worden gebracht. Voor het jaar 2011 wordt het belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.674 verminderd met € 3.792 tot € 41.882. Voor het jaar 2012 wordt het belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.314 verminderd met € 4.556 tot € 43.758. Het beroep is in zoverre derhalve gegrond.

Administratiekosten/toerekening kosten

36. Eiser stelt zich nog op het standpunt dat een groter deel dan 50% van de administratie- en advieskosten aan het raadslidmaatschap moet worden toegerekend. Hij heeft zijn standpunt niet nader onderbouwd met verifieerbare gegevens. De rechtbank acht eiser derhalve niet erin geslaagd dit aannemelijk te maken. Ook ziet de rechtbank in de stukken geen aanknopingspunt voor de stelling van eiser dat verweerder tijdens het boekenonderzoek heeft toegezegd dat de kosten voor het jaar 2009 en 2010 in het geheel niet zouden worden gecorrigeerd. Het beroep faalt derhalve op deze punten.

Zvw

37. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de navorderingsaanslag Zvw 2009 en aanslag Zvw 2012. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het bijdrage-inkomen over het jaar 2012 worden verminderd met € 4.556 van € 12.858 tot € 8.302.

Heffingsrente/belastingrente

38. Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente over de jaren 2009 en 2010 heeft aangevoerd, dient het beroep inzake de beschikkingen heffingsrente ongegrond te worden verklaard. Eiser heeft voor de jaren 2011 en 2012 evenmin afzonderlijke gronden tegen de beschikkingen belastingrente aangevoerd. De in rekening gebrachte belastingrente dient te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslagen.

39. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen betreffende het jaar 2010 ongegrond en betreffende de jaren 2009, 2011 en 2012 gegrond te worden verklaard. De beroepen over het jaar 2009 zijn gegrond omdat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, voor het overige falen de beroepsgronden zodat het belastbaar inkomen en het bijdrage-inkomen tot de juiste hoogten zijn vastgesteld.

40. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een bijzondere omstandigheid die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Gelet hierop heeft eiser recht op een forfaitaire vergoeding van de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.486 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2009 en Zvw 2009 gegrond;

- verklaart de beroepen tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 en de aanslag IB/PVV 2011 ongegrond;

- verklaart het rechtstreeks beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2011 gegrond;

- verklaart de beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2012 en Zvw 2012 gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV 2009, Zvw 2009, de aanslagen IB/PVV 2011, IB/PVV 2012 en Zvw 2012;

- verklaart de bezwaren ontvankelijk en handhaaft de navorderingsaanslagen IB/PVV 2009 en Zvw 2009;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2011 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.882;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2012 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.758;

- vermindert de aanslag Zvw 2012 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 8.302;

- vermindert de beschikkingen heffingsrente en belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.486;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Linssen, voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr. J.A. Helsloot, rechters in tegenwoordigheid van de griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 22 september 2016

griffier

rechter

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.