Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5069

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-09-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
AWB - 12 _ 3214
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:3813, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Te laat beroep in 35 zaken. Niet-ontvankelijk (8:54 Awb). Verzet gegrond verklaard, omdat niet is beslist over immateriële schade. In deze uitspraak wordt het verzoek om vergoeding daarvan beoordeeld.

Ook bij een niet-ontvankelijk beroep kan onder omstandigheden ruimte bestaan voor vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, te weten indien het geschil aan de rechter is voorgelegd. Het is niet noodzakelijk dat de rechter aan de behandeling ervan toekomt. Het te laat indienen van het beroepschrift doet niet af aan het feit dat het geschil is voorgelegd. Geen heropening ondanks verzoek van verweerder, nu deze deels heeft gereageerd op het verzoek van eiser tot vergoeding van schade en voor het overige voldoende in de gelegenheid is geweest.

Verlenging termijn in bezwaarfase. Overschrijding volledig toe te rekenen aan beroepsfase. Samenhangende zaken, nu sprake is van hetzelfde onderwerp: de opgebouwde spanning en frustratie hebben met name betrekking op de ontvankelijkheid. Proceskostenvergoeding en vergoeding griffierecht (35 maal!) ten laste van de Staat (Minister van Veiligheid en Justitie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2119
FutD 2016-2423 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/2533
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummers: AWB 12/3214 t/m 12/3222, 12/3224, 12/3225, 12/3228, 12/3230 t/m 12/3246, 12/3248 t/m 12/3251, 12/3253 en 12/3254

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2016

in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder,

en

de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie), te Den Haag, de Staat.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van verweerder van 10 mei 2012 op vijfendertig bezwaren van eiser tegen voldoeningen van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) op aangifte.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2016. Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. [gemachtigde] en mr. [A] verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de Staat tot het vergoeden van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 3.000;

  • -

    veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.860;

  • -

    draagt de Staat op het betaalde griffierecht van € 5.460 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. De Staat heeft afgezien van het voeren van verweer (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

2. Bij uitspraken van 28 mei 2015 zijn de beroepen met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. De daartegen gerichte verzetten zijn bij uitspraak van 28 juni 2016 gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank als volgt overwogen:

“Opposant heeft telkens aangevoerd dat hij in zijn beroepschrift heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade omdat sinds de indiening van zijn bezwaarschrift meer dan twee jaren zijn verstreken, en dat de rechtbank dit verzoek had moeten beoordelen. De rechtbank deelt de visie van opposant op dit punt. De rechtbank had in de 8:54-uitspraak dienen te beslissen omtrent de vraag of een vergoeding voor immateriële schade toegekend diende te worden. Nu hierover niet is beslist, zijn de verzetten van opposant gegrond.”

3. De niet-ontvankelijkheid van de beroepen staat tussen partijen niet ter discussie. In geschil is slechts of de rechtbank een vergoeding ter zake van immateriële schade dient toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4. Uit rechtsoverweging 3.1 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 vloeit voort dat een vergoeding van immateriële schade slechts op verzoek wordt toegekend. Anders dan eiser blijkens de pleitnota voor ogen staat, is dit dus geen ambtshalve toets. De rechtbank stelt vast dat eiser in de onderhavige beroepschriften geen verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft gedaan. Zij leest de hiervoor weergegeven overweging uit de uitspraak van de rechtbank van 28 juni 2016 aldus dat is geoordeeld dat de rechtbank er in de 8:54-uitspraken blijk van had dienen te geven dat zij had onderzocht of een dergelijk verzoek was gedaan en dat het feit dat dit niet blijkt uit de uitspraak reeds leidt tot gegrondverklaring van het verzet. Daarbij is van belang dat ten tijde van de 8:54-uitspraken de termijn van twee jaren voor de bezwaar- en beroepsfase inmiddels ruimschoots was overschreden. Overigens kan ook nog in verzet een dergelijk verzoek worden gedaan (Hoge Raad 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:352) en kan dit ook in de aanvullende gronden van het verzet gelezen worden.

5. Hoewel ten tijde van de 8:54-uitspraken dus nog geen verzoek was gedaan, was er dus aanleiding het verzet gegrond te verklaren. Daarmee herleeft de onderhavige procedure en kon het desbetreffende verzoek naar het oordeel van de rechtbank (in het verlengde van het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2016) alsnog gedaan worden. De rechtbank leest dit verzoek in de pleitnota, alwaar is opgenomen:

“In rechte moet uw rechtbank aldus oordelen of en tot welk bedrag belanghebbende recht heeft op vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.”

6. Verweerder heeft aangevoerd dat niet aan de toekenning van een vergoeding wordt toegekomen in geval van niet-ontvankelijkverklaring van een beroep. Blijkens de formulering van de Hoge Raad dient het te gaan om de procedure over een belastingaanslag. Daarmee wordt volgens verweerder de beperking aangebracht dat er een inhoudelijke beoordeling van het materiële geschil is geweest. In geval van niet-ontvankelijkverklaring wordt de zaak niet inhoudelijk beoordeeld door de rechter, waardoor deze ook niet kan beoordelen of er bijvoorbeeld gronden zijn voor verlenging van de redelijke termijn, of sprake is van samenhang en of sprake is van een zeer gering financieel belang.

7. Uit voormeld arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2016 leidt de rechtbank af dat niet is uitgesloten dat bij een niet-ontvankelijk beroep een vergoeding wordt toegekend voor geleden immateriële schade. Indien immers het verzoek zonder meer afgewezen zou moeten worden, omdat niet aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep is toegekomen, had geen verwijzing behoeven plaats te vinden naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en had de Hoge Raad de zaak zelf kunnen afdoen. Wel geldt als voorwaarde dat sprake is van een situatie waarin het geschil (inhoudelijk) aan de rechter is voorgelegd (vgl. Hoge Raad 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8360), nu het basisprincipe voor de toekenning van een vergoeding is dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, meebrengt dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht. Naar het oordeel van de rechtbank doet het te laat indienen van een beroepschrift niet af aan het feit dat het geschil aan de rechter is voorgelegd. Daarvoor is niet noodzakelijk dat de rechter aan de behandeling ervan toekomt, om welke reden dan ook. Daarmee bestaat in het onderhavige geval in beginsel recht op een vergoeding van immateriële schade, voor zover ook aan de overige voorwaarden is voldaan.

8. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het verzoek van verweerder te honoreren om de zaak te heropenen. Verweerder heeft dit verzoek voorwaardelijk gedaan, te weten voor het geval de rechtbank zou oordelen zoals zij onder 7. heeft gedaan. Verweerder heeft verzocht alsnog inhoudelijk op de hoogte van een eventuele vergoeding te mogen ingaan. De bedoelde voorwaarde is weliswaar vervuld, maar de rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende in de gelegenheid is geweest zich uit te laten over de overschrijding van de redelijke termijn. Verweerder heeft in deze zaken een verweerschrift ingediend, waarin daarop ook reeds is ingegaan en het standpunt is ingenomen dat in de bezwaarfase grond is voor verlenging van de termijn. Aanvullend, mede voor de inmiddels ontstane overschrijding in de beroepsfase, heeft verweerder bovendien ter zitting verwezen naar de eerdere jurisprudentie van deze rechtbank, waarin veelal aanleiding is gezien voor verlenging van de termijn van twee jaren. De keuze van verweerder om naast een primair standpunt (te weten dat aan de inhoud niet wordt toegekomen) geen subsidiair standpunt (voor het geval de rechtbank hierover anders zou oordelen) in te nemen behoort tot het procesrisico van verweerder. Eiser is in zijn pleitnota ingegaan op de vraag of sprake is van samenhang. Niet valt in te zien dat het voor verweerder niet mogelijk was geweest daarop te reageren. Nu bovendien in de bezwaarfase wel een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden, heeft verweerder de inhoudelijke toets reeds uitgevoerd en stond niets eraan in de weg ook onderwerpen als zeer gering financieel belang reeds aan de orde te stellen. Dat - naar aanleiding van vragen van verweerder - door de rechtbank te kennen is gegeven dat er geen gelegenheid werd geboden voor het overleggen van een (nader) verweerschrift, maakt dit niet anders, nu verweerder op grond van artikel 8:58 van de Awb nadere stukken had kunnen indienen.

9. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Bij overschrijding van deze termijn dient tevens te worden bepaald in hoeverre de overschrijding is toe te rekenen aan het bestuursorgaan respectievelijk de rechterlijke macht. Voor deze toerekening heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.

10. De diverse bezwaarschriften zijn ingediend tussen 1 september 2011 (zaaknummer 12/3214) en 12 april 2012 (zaaknummer 12/3241). Sindsdien is een periode van aanzienlijk meer dan twee jaren verstreken.

11. De rechtbank is evenwel van oordeel dat sprake is van omstandigheden die aanleiding geven om de redelijke termijn voor de onderhavige procedures op een langere termijn dan twee jaren te stellen. De gemachtigde van eiser heeft vanaf mei 2010 een zeer groot aantal gelijksoortige bezwaarschriften tegen de heffing van BPM bij verweerder ingediend. Vanaf medio 2011 hebben verweerder en de gemachtigde besprekingen gevoerd teneinde tot een oplossing te komen voor deze geschillen. Het is aannemelijk dat door middel van overleg sneller beslist zou kunnen worden op de zeer grote aantallen bezwaarschriften dan wanneer in elke individuele zaak op het bezwaar beslist zou moeten worden. De besprekingen hebben geleid tot een op 17 februari 2012 gesloten vaststellingsovereenkomst, waarna de gemachtigde van eiser het merendeel van de door hem ingediende bezwaarschriften (60%) heeft ingetrokken. Nadat de gemachtigde had aangegeven welke bezwaren niet werden ingetrokken, heeft verweerder alsnog binnen een tijdsbestek van enkele maanden op die bezwaren uitspraak gedaan. Nu niet is gebleken dat de gemachtigde voorafgaand aan de besprekingen een deel van de bezwaarschriften heeft uitgezonderd van de besprekingen, gaat de rechtbank ervan uit dat ook namens eiser is ingestemd met een verlenging van de termijn als gevolg van het overleg. Voor zover dat al niet het geval zou zijn, is het naar het oordeel van de rechtbank bovendien te billijken dat verweerder eerst heeft getracht een overeenkomst over het grootste deel van de lopende zaken te sluiten alvorens op de overige, inhoudelijk vergelijkbare zaken te beslissen. Het ligt immers voor de hand dat verweerder de onderhandelingen niet wenste te doorkruisen. Dit betekent dat voor de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn de periode van 1 september 2011 tot 17 februari 2012 niet wordt meegerekend.

12. Sinds 17 februari 2012 is een periode van ruim vierenhalf jaar is verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met meer dan tweeënhalf jaar, maar met minder dan drie jaar is overschreden. Nu verweerder op 10 mei 2012 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is de redelijke termijn in de bezwaarfase niet overschreden. De overschrijding is dus volledig toe te rekenen aan de beroepsfase.

13. Als uitgangspunt voor de schadevergoeding wordt een tarief gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden. In een geval als het onderhavige, waarin meer zaken van een belastingplichtige gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:700).

14. De beroepen zijn gelijktijdig behandeld en hebben betrekking op hetzelfde juridische vraagstuk, te weten de ontvankelijkheid. De rechtbank betrekt daarbij niet de onderliggende (inhoudelijke) zaak, nu zij reeds bij brieven van 9 juli 2012 aan eiser heeft meegedeeld dat de beroepschriften buiten de beroepstermijn waren ingekomen. Eiser is in de gelegenheid gesteld binnen twee weken mee te delen waarom de beroepen te laat waren. De rechtbank heeft tevens meegedeeld dat als hij niet binnen twee weken reageert, zij kan beslissen het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Eiser, die met een professionele gemachtigde procedeert, heeft niet gereageerd en heeft dan ook moeten begrijpen dat het zeer waarschijnlijk was dat de beroepen niet-ontvankelijk verklaard zouden worden. De opgebouwde spanning en frustratie hebben dan ook met name betrekking op de ontvankelijkheid en niet zozeer op het inhoudelijke geschil, waarvan eiser al had moeten begrijpen dat dit niet meer aan de orde zou komen. Aldus wordt ook ondervangen dat de rechtbank haar toch op de inhoud van de zaak dient te baseren, terwijl zij daar bij de behandeling van de beroepen niet aan toekomt. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser voldoende wordt gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn door een vergoeding van € 3.000. De rechtbank veroordeelt daarom de Staat tot betaling van een vergoeding van € 3.000 voor deze vijfendertig zaken.

15. De rechtbank heeft voorts aanleiding gezien voor toekenning van een proceskostenvergoeding. Nu de beroepen niet-ontvankelijk zijn, houdt deze proceskostenvergoeding slechts verband met de verzoeken om vergoeding van immateriële schade. Dit brengt mee dat sprake is van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding, nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden.

16. De proceskosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.860 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het verschijnen bij een comparitie, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1,5 voor meer dan vier samenhangende zaken). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 zal de Staat in deze kosten worden veroordeeld.

17. Met betrekking tot het griffierecht overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 8:74 van de Awb voorziet niet in de mogelijkheid een ander dan “het bestuursorgaan” op te dragen het griffierecht te vergoeden. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de context van de bepaling niet anders worden afgeleid dan dat daarmee verweerder wordt bedoeld. De Hoge Raad heeft in het arrest van 19 februari 2016 niettemin geoordeeld dat wanneer de overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase plaatsvindt, de Staat (de Minister) wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. De rechtbank zal daarom de betaling van het griffierecht als een onderdeel van de schadevergoeding beschouwen en de Staat op grond van artikel 8:73 van de Awb veroordelen in deze kosten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.