Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4990

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-09-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1852
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting. Naheffingsaanslagen met boetes. Dubbele beboeting? Passend en gebodenheid opgelegde boetes?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2120
FutD 2016-2454
NTFR 2016/2738 met annotatie van Mr. M.W.C. Soltysik
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 16/1852 en 16/2131

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 september 2016

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 9 oktober 2015 tot en met 17 oktober 2015 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] .Y.5.3) motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) opgelegd van € 11, alsmede bij beschikking een boete van € 158.

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 18 oktober 2015 tot en met 17 januari 2016 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] .Y.5.4) MRB opgelegd van € 119, alsmede bij beschikking een boete van € 158.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 24 maart 2016 de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de uitspraken betreffende de boetebeschikkingen op 21 maart 2016 elektronisch beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2016. Eiser is verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is blijkens de kentekenregistratie sinds 9 oktober 2015 houder van een motorrijtuig (hierna: de auto) met het kenteken [00-AA-BB] .

2. Met dagtekening 26 oktober 2015 zijn aan eiser ter zake van de auto rekeningen motorrijtuigenbelasting gezonden voor het tijdvak 9 oktober 2015 tot en met 17 oktober 2015 en voor het tijdvak 18 oktober 2015 tot en met 17 januari 2016. Eiser heeft de verschuldigde MRB niet tijdig, te weten vóór de uiterste betaaldatum van 25 november 2015, betaald.

3. Verweerder heeft met dagtekening 7 januari 2016 aan eiser de onderhavige naheffingsaanslagen MRB en boetebeschikkingen opgelegd. Bij het opleggen van de verzuimboetes is verweerder uitgegaan van een tweede verzuim binnen twaalf maanden, aangezien eiser de over het tijdvak 17 juli 2015 tot en met 30 september 2015 verschuldigde MRB eveneens te laat heeft betaald.

Geschil

4. In geschil is of terecht twee verzuimboetes van € 158 zijn opgelegd.

5. Eiser is van mening dat hij dubbel wordt gestraft voor hetzelfde vergrijp omdat hij eenmalig niet op tijd is geweest met het betalen van MRB en bovendien niet wist dat de betaalperiode door de Belastingdienst was opgedeeld in twee afzonderlijke rekeningen.

6. Verweerder is van mening dat de verzuimboetes terecht en tot juiste bedragen zijn vastgesteld.

Beoordeling van het geschil

7. Eiser heeft gesteld dat ten aanzien van de boetes materieel slechts sprake is van één verzuim, omdat het gaat om rekeningen met eenzelfde betaaldatum en terzake van één auto. De rechtbank verwerpt de stelling van eiser. Zij overweegt daartoe dat de indeling in tijdvakken volgt uit de wet (artikelen 10 en 11 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, hierna: de Wet MRB) en dat de belasting wordt geheven van degene die telkens bij aanvang van een tijdvak het motorijtuig houdt (artikel 6 van de Wet MRB). Hieruit volgen voor eiser dus twee verschillende betalingsverplichtingen. Dat de rekeningen eenzelfde betaaldatum hebben doet aan het voorgaande niet af.

8. Verweerder heeft de onderhavige verzuimboetes opgelegd op grond van artikel 37 van de Wet MRB met overeenkomstige toepassing van artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR). Dit artikellid bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete (verzuimboete) van ten hoogste € 5.278 kan opleggen. Bij het opleggen van verzuimboetes wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid, met dien verstande dat bij afwezigheid van alle schuld (avas) het opleggen ervan achterwege behoort te blijven.

9. Het gaat in artikel 67c van de AWR om een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Hij moet deze bevoegdheid op een zodanige wijze uitoefenen dat hij de boete afstemt op de ernst van de gedraging waarvoor zij is opgelegd en het verwijt dat de overtreder ter zake kan worden gemaakt. Daarbij dient verweerder rekening te houden met de omstandigheden waaronder de gedraging is begaan (vergelijk Hoge Raad 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0087).

10. Verweerder is voorts gehouden overeenkomstig een door het bestuursorgaan vastgestelde beleidsregel te handelen. Dit vloeit niet alleen voort uit de wet (vergelijk artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) maar ook uit de werking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een belastingplichtige mag erop vertrouwen dat het bestuursorgaan zich houdt aan de door hem vastgestelde beleidsregels. In het onderhavige geval dient verweerder derhalve een juiste uitvoering te geven aan het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: het BBBB).

11. Ingevolge paragraaf 33, tweede lid, van het BBBB legt de inspecteur in geval van een betalingsverzuim bij de motorrijtuigenbelasting een boete op van drie procent van het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR, tenzij een belanghebbende in de periode van één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop hij in verzuim is, niet eerder in verzuim is geweest (alsdan wordt geen boete opgelegd, maar een verzuimmededeling verzonden). Naar het bepaalde in artikel 5:46 van de Awb en paragraaf 7, eerste en derde lid, van het BBBB is een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op grond van het BBBB opgelegde boete een strafverminderende omstandigheid, waarmee de inspecteur rekening moet houden.

12. In het onderhavige geval heeft verweerder met inachtneming van artikel 67c, eerste lid, van de AWR en artikel 33, tweede lid, van het BBBB de boetes vastgesteld op € 158. De naheffingsaanslagen bedragen respectievelijk € 11 en € 119. Verweerder heeft afgezien van matiging van de boetes.

13. De bestuursrechter in belastingzaken heeft tot taak te onderzoeken of de boete, hoewel deze is opgelegd conform de wettelijke regeling en het BBBB, in dit specifieke geval passend en geboden is (vergelijk HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7216). In het kader van zijn taak om tot een passende straftoemeting te komen – de beoordeling van de vraag of de boete in overeenstemming is met de ernst van de gedraging waarvoor zij is opgelegd en het verwijt dat de overtreder ter zake kan worden gemaakt – kan de rechter verschillende, ook niet in het BBBB genoemde, omstandigheden laten meewegen.

14. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van feiten of omstandigheden die het oordeel rechtvaardigen dat eiser geen enkel verwijt treft (avas) en dat de boetes om die reden dienen te vervallen.

15. De onderhavige verzuimboete heeft als voornaamste doel het onderhouden en versterken van de bereidheid van een belastingplichtige om zijn fiscale verplichtingen, in dit geval een tijdige betaling van motorrijtuigenbelasting, na te komen.

16. Bij de beoordeling van de hoogte van de toe te passen sanctie dient te worden vooropgesteld dat, anders dan bij vergrijpboeten, de wetgever bij verzuimboeten geen relatie heeft gelegd – door middel van een percentage – tussen de op te leggen sanctie en het bedrag van de verschuldigde belasting. Niettemin kan het bedrag van de verschuldigde belasting wel een rol spelen bij de straftoemeting.

17. Hoewel ter zitting is komen vast te staan dat eiser voor de vierde maal in één jaar de verplichting tot tijdige betaling van motorrijtuigenbelasting niet is nagekomen en hij na constatering van het eerste verzuim is gewezen op de consequenties van een tweede en volgend verzuim, staat ten aanzien van de naheffingsaanslag over het tijdvak 9 oktober 2015 tot en met 17 oktober 2015 naar het oordeel van de rechtbank een boete van € 158, zijnde ruim 1.400% van de verschuldigde belasting, niet in een evenredige verhouding tot de ernst van de verwijtbare gedraging, zijnde een te late betaling van een bedrag van € 11. De rechtbank neemt bij zijn oordeel tevens in aanmerking dat indien eiser – anders dan hier het geval is – de belasting opzettelijk of grofschuldig te laat zou hebben betaald, hem ter zake van dat feit op grond van artikel 67f van de AWR een maximale (vergrijp)boete van € 11 had kunnen worden opgelegd. Paragraaf 15 van het BBBB bepaalt dat de inspecteur een verzuimboete oplegt in het geval het opleggen van een vergrijpboete tot een lager boetebedrag voor hetzelfde feit zou leiden dan het opleggen van een verzuimboete. Dat maakt echter niet dat een verzuimboete in een dergelijk geval niet behoeft te worden afgestemd op de omstandigheden van het geval. De rechtbank ziet dan ook aanleiding de boete te matigen. Rekening houdend met de omstandigheid dat eiser - naar verweerder onweersproken heeft gesteld - in de twaalf maanden voorafgaande aan de onderhavige naheffingsaanslag de verschuldigde belasting meerdere malen niet tijdig heeft betaald, acht de rechtbank een boete van € 52 (oftewel één procent van het wettelijk maximum) passend en geboden. Ten aanzien van het tijdvak 18 oktober 2015 tot en met 17 januari 2016 acht de rechtbank de boete van € 158 passend en geboden.

18. Gelet op het voorgaande dient het beroep met betrekking tot de boete inzake het tijdvak 9 oktober 2015 tot en met 17 oktober 2015 gegrond te worden verklaard. Het beroep inzake de boete voor het tijdvak 18 oktober 2015 tot en met 17 januari 2016 dient ongegrond te worden verklaard.

19. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor de door eiser genoemde proceskosten, te weten reis- en verblijfskosten wordt verweerder, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 22,10. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep inzake de boetebeschikking over het tijdvak 18 oktober 2015 tot en met 17 januari 2016 ongegrond;

- verklaart het beroep inzake de boetebeschikking over het tijdvak 9 oktober 2015 tot en met 17 oktober 2015 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar ter zake van die boetebeschikking;

- vermindert de boete tot € 52;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 22,10;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.J.C. Pieterse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 20 september 2016

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.