Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4938

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
15-09-2016
Zaaknummer
293299
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ex-samenwoners: afwijzing vordering bewerkstelligen ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid hypothecaire lening en meewerken aan verkoop woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/24.7

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/293299 / HA ZA 15-665

Vonnis van 3 augustus 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. P.H. Verschuren te 's-Hertogenbosch,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. M.J.S. Linssen te Waardenburg.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd en gezamenlijk [gedaagden]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 januari 2016 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 mei 2016 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde 1] hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. [gedaagde 2] is de vader van [gedaagde 1] .

2.2.

[eiser] en [gedaagde 1] hebben tijdens hun relatie samengewoond in de woning aan het [adres] te [woonplaats 2] (hierna: de woning). Deze woning is voor 9999/10000 deel eigendom van [gedaagde 1] en voor 1/10000 deel eigendom van [gedaagde 2]

2.3.

Op 15 mei 2009 hebben [eiser] en [gedaagde 1] een samenlevingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer het volgende is bepaald:

GESCHILLEN

Artikel 12

(…)

MEERWAARDEVERREKENING

Partijen verklaarden dat bij beëindiging van hun samenwoning, bij overlijden van de vrouw en bij verkoop van de woning, de meerwaarde van haar aandeel zijnde negenduizend negenhonderd negenennegentig/tienduizendste onderverdeeld aandeel, in de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] , in eigendom door de vrouw verkregen bij akte op negenentwintig november tweeduizend twee, voor mr. M.M.G. van Santvoort, destijds notaris in de gemeente [woonplaats 2] , verleden, tussen partijen bij helften wordt gedeeld. Onder meerwaarde wordt verstaan de waarde bij beëindiging van de samenwoning, bij overlijden van de vrouw of bij verkoop van het pand minus de huidige waarde van de woning door partijen vastgesteld op tweehonderdvijftienduizend euro (€ 215.000,00).

Deze bepaling beschouwen partijen als voldoening van een dringende verplichting van moraal en fatsoen aangezien de man mede hoofdelijk aansprakelijk wordt voor de hypothecaire geldlening en de daaruit voortvloeiende lasten meebetaalt.

De waardering van het registergoed zal moeten geschieden in onderling overleg en bij gebreke van overeenstemming daaromtrent op de wijze als door de wet is voorgeschreven voor verdeling van gemeenschappen, zulks op verzoek van de meest gerede partij. Bij gebreke van overeenstemming zal er derhalve door beide partijen een taxateur worden aangewezen.”

2.4.

Bij notariële akte van hypotheekverlening van 15 mei 2009 zijn [eiser] en [gedaagde 1] met BLG Hypotheekbank N.V. (hierna: BLG) een hypothecaire lening van € 154.000,00 aangegaan, voor welke schuld zij beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn. Het bedrag van € 154.000,00 heeft betrekking op een drietal hypothecaire leningen. De bruto maandlast van laatstelijk in totaal € 395,58 wordt thans volledig voldaan door [gedaagde 1] .

2.5.

Vanaf medio mei 2014 is de samenwoning tussen [eiser] en [gedaagde 1] beëindigd en woont [gedaagde 1] , samen met de zoon van haarzelf en [eiser] , in de woning.

2.6.

Bij brief van 14 oktober 2014 heeft [gedaagde 1] BLG verzocht om [eiser] te ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de hiervoor vermelde hypothecaire lening.

2.7.

Bij brief van 2 maart 2015 heeft mr. Verschuren namens [eiser] [bedrijf] verzocht om te bemiddelen met betrekking tot het ontslag van [eiser] uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid. [bedrijf] heeft tevens bemiddeld bij de totstandkoming van de onderhavige hypothecaire lening.

2.8.

Bij e-mailbericht van 1 juli 2015 heeft de heer [naam 1] , werkzaam voor [bedrijf] , medegedeeld dat hij van BLG heeft vernomen dat ontslag uit de hoofdelijkheid van [eiser] niet mogelijk is vanwege inkomenstechnische redenen.

2.9.

Bij brief van 4 januari 2016 heeft mr. Linssen namens [gedaagde 1] aan BLG gevraagd de mogelijkheden te onderzoeken om de hypotheek volledig op naam van [gedaagde 1] te zetten, zodat [eiser] uit zijn hoofdelijkheid kan worden ontslagen.

2.10.

Bij brief van 4 april 2016 aan [bedrijf] heeft mr. Verschuren namens [eiser] verzocht te bewerkstelligen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser] wordt opgeheven. BLG heeft hierop gereageerd met de mededeling dat op basis van de toen bekende gegevens geen ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser] kan worden verleend.

2.11.

Bij e-mailbericht van 9 mei 2016 aan [bedrijf] heeft mr. Verschuren namens [eiser] nogmaals duidelijkheid gevraagd over het door hem gevraagde ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarnaast kondigt mr. Verschuren aan dat wanneer het een en ander niet kan worden gerealiseerd, ook BLG in rechte zal worden betrokken. Hierop is diezelfde dag per e-mail gereageerd door de heer [naam 2] namens BLG, waarin hij heeft medegedeeld dat hij nog geen uitsluitsel kan geven over het gevraagde ontslag uit de hoofdelijkheid.

2.12.

Op 11 mei 2016 heeft de heer [naam 2] voornoemd per mail bericht dat BLG zich opnieuw zal gaan beraden over het ontslag uit de hoofdelijkheid. Op 13 mei 2016 heeft de heer [naam 2] medegedeeld dat hierover nog geen uitsluitsel kan worden gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair

[gedaagden] gelast om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis over te gaan tot het aan BLG overleggen van de benodigde formulieren, inhoudende een verzoek tot wijziging van de tenaamstelling en ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser] betreffende de op de woning rustende hypothecaire geldlening, alsmede alles in het werk te stellen wat redelijkerwijs mogelijk is voor de behandeling van voormelde formulieren door genoemde hypotheekverstrekker, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat aan deze veroordeling niet wordt voldaan, met een maximum van € 100.000,00;

I. subsidiair

a. [gedaagden] veroordeelt om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis over te gaan tot het tekenen van een verkoopopdracht van de woning bij een door de rechtbank aan te wijzen makelaar, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag waarmee [gedaagden] in gebreke is om aan de inhoud van het in dezen te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van € 100.000,00;

b. [gedaagden] veroordeelt om mee te werken aan de verkoop en levering van de woning, in die zin dat zij uitvoering geeft aan al hetgeen volgens de aangewezen makelaar nodig is om de woning te verkopen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag indien zij haar medewerking niet verleent, met een maximum van € 100.000,00;

c.bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt voor dat gedeelte van de akte van verkoop en akte van levering van de woning waarvoor een wilsverklaring van [gedaagden] nodig is;

d. [gedaagde 1] veroordeelt om twee weken voorafgaand aan de notariële akte van levering de woning te ontruimen onder medeneming van de aan haar in eigendom toebehorende inboedelzaken, onder de verplichting de woning schoon achter te laten en onder afgifte van de in haar bezit zijnde sleutels aan de makelaar;

e.bepaalt dat, indien [gedaagde 1] niet aan het onder d. gestelde voldoet, [eiser] gemachtigd is de ontruiming van [gedaagde 1] en de aan haar in eigendom toebehorende inboedelzaken te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van justitie en politie, waarbij de aan deze ontruiming verbonden kosten op [gedaagde 1] kunnen worden verhaald;

II.

[gedaagde 1] , en voor zover relevant [gedaagde 2] , veroordeelt mee te werken aan de bepaling van de meerwaarde van de woning conform het bepaalde in het samenlevingscontract onder artikel 12, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag indien zij haar / hun medewerking niet verleent / verlenen, met een maximum van € 100.000,00.

Tot slot vordert [eiser] de veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag.

Ondanks dat hij geen mede-eigenaar is van de woning, is hij nog steeds hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheekschuld die op de woning rust. [eiser] meende bij de ondertekening van de akte op 15 mei 2009 dat hij een schuld aanging van € 30.000,00 voor een geplande verbouwing. Later kwam hij er echter achter dat hij had getekend voor de gehele hypotheekschuld van € 154.000,00. Hierin is hij door de bank misleid. [eiser] wenst thans uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te worden ontslagen. Hij stelt in dat verband dat hij geen inzage heeft in de financiële positie van [gedaagde 1] . Hij kan er daarom niet op vertrouwen dat zij de volledige hypotheeklasten blijft voldoen, zodat [eiser] een risico loopt dat hij wordt aangesproken voor betaling van de hypotheeklasten met betrekking tot de woning die niet zijn mede-eigendom is. Voorts stelt [eiser] dat de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de onderhavige hypotheekschuld hem belemmert in de mogelijkheid om zelf een lening aan te gaan. Ook dient hij steeds uitleg te geven aan instanties, zoals de gemeente en de belastingdienst, dat hij geen eigenaar is van een woning maar dat hij wel een hypotheekschuld heeft. Daarnaast stelt [eiser] dat uit de hiervoor vermelde samenlevingsovereenkomst kan worden opgemaakt dat partijen steeds de bedoeling hebben gehad dat met het einde van de feitelijke samenleving er een einde zou komen aan de aansprakelijkheid van [eiser] voor de hypothecaire schuld. [gedaagden] dient er daarom volgens [eiser] voor te zorgen dat hij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen.

3.3.

[gedaagden] voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] vordert onder I. primair dat [gedaagden] alle benodigde stukken aan BLG overlegt die nodig zijn om hem uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit de hypothecaire lening te ontslaan. De rechtbank overweegt in dat verband dat uit de door [gedaagde 1] in het geding gebrachte stukken genoegzaam is gebleken dat zij reeds heeft geprobeerd de bank te bewegen om tot ontslag van [eiser] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening over te gaan. Dit blijkt onder meer uit de brieven van 14 oktober 2014 en 4 januari 2016, waarin door of namens haar is verzocht om [eiser] uit de hoofdelijkheid te ontslaan. BLG heeft tot op heden hieraan geen medewerking willen verlenen. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen is ook door [eiser] erkend dat [gedaagde 1] haar best heeft gedaan voor het ontslag van [eiser] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dat BLG haar medewerking daaraan niet verleent, kan [gedaagden] dan ook niet worden tegengeworpen. Nu zij haar volledige medewerking wil verlenen aan het ontslag van [eiser] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en [eiser] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat aan haar bereidheid om medewerking te verlenen moet worden getwijfeld, heeft hij geen recht en belang bij toewijzing van zijn primaire vordering. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

4.2.

Ten aanzien van de subsidiaire vordering (I. a. tot en met e.) - kort gezegd de veroordeling van [gedaagden] om mee te werken aan de verkoop van de woning - overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de tekst van de samenlevingsovereenkomst volgt niet dat [eiser] en [gedaagde 1] de bedoeling hadden dat bij het einde van de samenleving er ook een einde zou komen aan de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser] voor de hypothecaire schuld, zoals [eiser] stelt en [gedaagden] betwist. [eiser] heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld, waaruit de door hem gestelde bedoeling blijkt. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling van [eiser] als onvoldoende onderbouwd voorbij.

Slechts in het geval dat moet worden geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] nog langer hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de hypothecaire schuld, terwijl hij geen (mede)eigenaar is van de woning, zou gedwongen verkoop van de woning door [gedaagden] aan de orde kunnen zijn. [eiser] heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat daarvan sprake is. Als niet weersproken staat immers vast dat [gedaagde 1] de hypothecaire lasten van de woning volledig betaalt en dat zij daarvoor voldoende inkomsten heeft. Voorts is niet gesteld of gebleken dat [eiser] na het beëindigen van de samenleving ooit is aangesproken door BLG wegens een achterstand in de verschuldigde betalingen. Daarnaast woont [gedaagde 1] met de zoon van haar en [eiser] in de woning en zal zij na verkoop van de woning niet gemakkelijk in aanmerking komen voor een huurwoning. Ter comparitie is bovendien gebleken dat [eiser] op korte termijn geen concrete plannen heeft om een lening aan te gaan, dat hij alleenstaand is en een bijstandsuitkering ontvangt en dat hij zijn voornemen om een eigen bedrijf te beginnen nog niet heeft uitgevoerd. Evenmin is gebleken dat hij psychisch lijdt doordat hij hoofdelijk verbonden blijft aan de hypotheekschuld. Hij heeft die stelling niet nader onderbouwd. Onder de geschetste omstandigheden heeft [gedaagde 1] dan ook een zwaar(der)wegend belang om in de woning te kunnen blijven wonen.

De subsidiaire vorderingen zullen daarom eveneens worden afgewezen.

4.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst heeft [eiser] bij beëindiging van de samenleving recht op de helft van de meerwaarde van de woning boven € 215.000,00. Als niet weersproken staat vast dat de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2014 € 172.000,00 bedroeg en dat de woning medio 2014 door twee makelaars is getaxeerd op € 210.000,00. Niet gesteld of gebleken is dat de waarde van de woning bij beëindiging van de samenleving meer was dan € 215.000,00. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [eiser] bovendien zelf verklaard dat hij niet verwacht dat de woning meer waard is dan € 215.000,00. Evenmin is gebleken dat [eiser] [gedaagde 1] heeft verzocht mee te werken aan een taxatie van de woning en dat zij dat heeft geweigerd. Op grond van het voorgaande heeft [eiser] dan ook geen recht en belang bij toewijzing van het sub II. gevorderde, zodat deze vordering eveneens zal worden afgewezen.

4.4.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] , begroot op € 1.189,00 (€ 904,00 aan salaris gemachtigde, 2 punten ad € 452,00, en € 285,00 aan griffierecht).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] begroot op € 1.189,00,

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2016.