Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4882

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
09-09-2016
Zaaknummer
ARN 15/6703
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:8427, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Publicatie op verzoek, geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2268
V-N Vandaag 2016/1941
V-N 2016/53.2.4

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 15/6703, AWB 15/6704

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 augustus 2016

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag ( [000] .H36.01) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.021. Tevens is bij beschikking € 24 aan belastingrente in rekening gebracht. Daarnaast is een aanslag ( [000] .W36.01) Inkomsensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 4.416.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 oktober 2015 de aanslag IB/PVV en de beschikking belastingrente gehandhaafd. Er is geen uitspraak op bezwaar gedaan over de aanslag Zvw.

Eiser heeft daartegen bij brief van 7 november 2015, ontvangen door de rechtbank op 13 november 2015, beroep ingesteld.

Eiser heeft desgevraagd te kennen gegeven dat hij met zijn beroep tegen het niet doen van een uitspraak over de aanslag Zvw 2013, verzoekt om rechtstreeks beroep in te stellen als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Verweerder heeft daartoe vervolgens toestemming verleend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016.

Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [A] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft het gehele jaar 2013 kranten bezorgd voor [B] B.V. en [C] N.V..

2. Met dagtekening 3 mei 2014 is aan eiser een voorlopige aanslag IB/PVV 2013 opgelegd, conform de ingediende aangifte van 3 maart 2014.

3. Per brief van 11 juli 2015 heeft verweerder verzocht om aanvullende informatie met betrekking tot de aangifte IB/PVV 2013. Uit de informatie die eiser daarop heeft toegezonden, blijken de werkzaamheden voor [B] B.V. en [C] N.V.. De inkomsten uit deze werkzaamheden (respectievelijk € 2.047 en € 2.369) zijn door eiser niet opgenomen in de ingediende aangifte van 3 maart 2014.

4. Verweerder heeft bij brief van 22 juli 2015 medegedeeld dat hij voornemens is om bij het opleggen van de aanslag van de aangifte IB/PVV 2013 af te wijken, omdat hij van mening is dat de werkzaamheden voor de [B] B.V. en [C] N.V. aangemerkt dienen te worden als inkomsten uit overige werkzaamheden.

5. Met dagtekening 12 augustus 2015 heeft verweerder een definitieve aanslag IB/PVV 2013 en een aanslag Zvw 2013 opgelegd, waarbij bovengenoemde inkomsten in het verzamelinkomen, respectievelijke het bijdrage-inkomen, zijn begrepen.

Geschil

6. In geschil is of de inkomsten die eiser heeft ontvangen van [B] B.V. en [C] N.V. moeten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden of loon uit dienstbetrekking.

7. Partijen verschillen tevens over de vraag of de Belastingdienst met het belasten van bovengenoemde inkomsten het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

Beoordeling van het geschil

8. Op de overeenkomst die eiser heeft met [B] B.V. en [C] N.V. heeft afgesloten staat dat het een overeenkomst van opdracht betreft. Eiser is echter van mening dat een en ander moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.

9. Voor de kwalificatie als resultaat uit overige werkzaamheden is op grond van artikel 3.90 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bepalend dat de genoten inkomsten niet als belastbare winst of belastbaar loon kunnen worden aangemerkt. Tussen partijen is niet geschil dat er geen sprake is van belastbare winst.

10. Het begrip “belastbaar loon” is opgenomen in artikel 3.80 van de Wet IB 2001. Via artikel 3.81 van de Wet IB 2001 wordt voor het begrip “loon” teruggegrepen naar de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. In artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) wordt loon omschreven als “al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten”. Voor de kwalificatie als loon uit dienstbetrekking is - voor zover van belang - op grond van artikel 2 van de Wet op de loonbelasting 1964 doorslaggevend of sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

11. Artikel 7:610, eerste lid, van het BW, luidt als volgt:

“1. De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten”.

12. Voor de beoordeling van de stelling van eiser dat de rechtsverhouding tussen partijen als arbeidsovereenkomst dient te worden aangemerkt, moet worden getoetst of de inhoud van de rechtsverhouding voldoet aan de criteria die gelden voor het bestaan ervan. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven (vergelijk Hoge Raad 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6231 en Hoge Raad 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495).

13. De vereisten voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW zijn een verplichting tot het enige tijd persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. De rechtbank stelt vast dat verweerder is uitgegaan van de juiste criteria die gelden voor het bestaan van een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst.

14. De rechtbank is van oordeel dat eiser zich niet heeft verplicht de werkzaamheden persoonlijk te verrichten, nu eiser contractueel met [B] B.V. en [C] N.V. overeen is gekomen dat hij vrij is om het bezorgen van de kranten door een ander te laten uitvoeren. Eiser hoeft geen toestemming voor de vervanging te vragen.

15. De opdrachtgever heeft op grond van artikel 7:402, eerste lid, van het BW, een zekere mate van instructiebevoegdheid, waardoor de enkele stelling van eiser dat er ontslag volgt als het werk niet wordt uitgevoerd of wanneer er fouten worden gemaakt niet voldoende is om van een gezagsverhouding te kunnen spreken. Daarnaast is in artikel 13 lid 1 van de voorwaarden bij de overeenkomst van opdracht tussen eiser en (in ieder geval) [C] N.V. opgenomen, dat opdrachtgever de overeenkomst tussentijds kan “beëindigen indien de opdrachtnemer of zijn vervanger in ernstige mate tekortschiet in het nakomen van zijn verplichtingen uit deze overeenkomst”. De rechtbank is derhalve van oordeel dat geen sprake is van een gezagsverhouding.

16. Eiser stelt dat het bezorgen van kranten valt onder de uitzondering van “…werkzaamheden… die in iets anders bestaan dan… het uitgeven van werken…”, als genoemd in artikel 7:400, eerste lid, van het BW. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant, nu het gevolg van het mogelijk voldoen aan deze uitzondering niet betekent dat dan automatisch sprake is van een arbeidsovereenkomst.

17. Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een arbeidsovereenkomst.

Fictieve dienstbetrekking

18. Voor de vraag of sprake kan zijn van een fictieve dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4, onderdeel e, van de Wet LB, in verbinding met artikel 2c, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, moet worden getoetst of door eiser in 2013 doorgaans ten minste 2 dagen per week, gedurende een periode langer dan 1 maand, persoonlijk arbeid verrichtte, waarbij het bruto-inkomen per week ten minste 2/5 maal het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag bedroeg.

19. Nog daargelaten dat de rechtbank reeds heeft vastgesteld dat eiser de werkzaamheden niet persoonlijk hoefde te verrichten, bedroeg het bruto-inkomen dat eiser in 2013 per week had moeten verdienen om een fictieve dienstbetrekking aan te kunnen nemen € 587,76. De opgegeven inkomsten van eiser zijn aanzienlijk lager. Daarbij is onduidelijk met welke frequentie de werkzaamheden door eiser werden uitgevoerd. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een fictieve dienstbetrekking.

20. Nu tussen partijen niet in geschil is dat geen sprake is van belastbare winst en de rechtbank heeft vastgesteld dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, noch van een fictieve dienstbetrekking, zijn de inkomsten van eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als belastbaar loon, maar als resultaat uit overige werkzaamheden.

Onkostenvergoedingen

21. [B] B.V. en [C] N.V. hebben de inkomsten die eiser heeft ontvangen aan de Belastingdienst doorgegeven. Voor zover eiser van mening is dat dit onbelaste onkostenvergoedingen zijn, kan dit geen stand houden nu de rechtbank heeft vastgesteld dat geen sprake is van loon uit dienstbetrekking.

22. Bij resultaat uit overige werkzaamheden zijn de gemaakte kosten die op deze werkzaamheden betrekking hebben in beginsel aftrekbaar. De bewijslast dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt rust op eiser. Voor zover eiser heeft bedoeld dat bovengenoemde inkomsten kostenvergoedingen betreffen, heeft eiser geen betalingsbewijzen overgelegd of anderszins ter zitting aannemelijk gemaakt dat er daadwerkelijk kosten zijn gemaakt voor de verwerving van inkomsten. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aan de bewijslast voor aftrekbaarheid heeft voldaan.

Gelijkheidsbeginsel

23. Voorts doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is nodig dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die veroorzaakt wordt door begunstigend beleid of een begunstigend oogmerk en er bovendien voor deze ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is, of door schending van de meerderheidsregel.

24. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Met de stelling dat op de werkvloer de sfeer hangt dat men de verschuldigde belasting niet voldoet is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er ten opzichte van zijn collega’s vanuit de Belastingdienst sprake was van begunstigend beleid of een oogmerk tot begunstiging. Niet is gesteld of aannemelijk gemaakt dat sprake is van het achterwege blijven van een juiste wetstoepassing in de meerderheid van de met eiser vergelijkbare gevallen (meerderheidsregel).

25. Gelet op het voorgaande dient het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2013 ongegrond te worden verklaard.

26. Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder de inkomsten van eiser terecht heeft aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden, stelt de rechtbank vast dat daarmee ook de aanslag Zvw juist is vastgesteld en dat een beroep tegen deze aanslag eveneens ongegrond dient te worden verklaard.

27. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de beschikking belastingrente, zodat ook het beroep tegen de beschikking belastingrente ongegrond dient te worden verklaard.

28. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Helsloot, rechter, in tegenwoordigheid van M.I.M. Geraerts, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 11 augustus 2016

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.