Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4867

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-07-2016
Datum publicatie
08-09-2016
Zaaknummer
303341
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Hebben partijen de tussentijdse opzegmogelijkheid van de tussen hen gesloten overeenkomst van opdracht contractueel uitgesloten? Voor nadere bewijslevering in het kader van de daarvoor noodzakelijke uitleg van de overeenkomst is in kort geding geen plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2606
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/303341 / KG ZA 16-242

Vonnis in kort geding van 19 juli 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] .,

gevestigd te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M. Duurtsema te Arnhem,

tegen

1. de stichting

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [plaats] ,

2. de stichting

[gedaagde 2] ,

gevestigd te [plaats] ,

3. de stichting

[gedaagde 3] ,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagden,

advocaten mr. P. van de Goor en mr. D.C.M.H. Vielvoye te Eindhoven,

waarnaast tevens een vierde partij is gedagvaard.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] worden genoemd. Gedaagde partijen zullen afzonderlijk worden aangeduid als [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 16;

  • -

    de mondelinge behandeling van 5 juli 2016;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagden] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiseres] is een commerciële dienstverlener en biedt vakinhoudelijke consultancy, aanbestedingsjuristen, een tenderdesk, een helpdesk, interim management en coaching trajecten om Europese aanbestedingen bij aanbestedende diensten doelmatig en rechtmatig te doorlopen. Zij richt zich daarbij met name op aanbestedende diensten, waaronder onderwijsinstellingen.

2.2.

Gedaagde sub 1, 2 en 4 wilden in 2013 het inkoopproject ‘Europese aanbesteding Schoonmaakdienstverlening’ uitvoeren. In dat kader hebben zij [eiseres] gevraagd een offerte uit te brengen voor de integrale begeleiding van deze Europese aanbesteding. Op basis daarvan heeft [eiseres] op 1 september 2013 een projectvoorstel uitgebracht met offertenummer 580. In dit voorstel staat onder meer vermeld:

‘(…)

VSR/kwaliteitscontroles

Integraal onderdeel van dit aanbod zijn de VSR controles. [eiseres] stelt als voorwaarde dat zij tevens de VSR controles mag uitvoeren totdat er een nieuwe aanbesteding plaatsvindt.

(…)’

2.3.

Gedaagde sub 1, 2 en 4 hebben vervolgens tezamen met gedaagde sub 3 de offerte geaccepteerd. De definitieve overeenkomst is bij brief van 12 september 2013 aan [gedaagden] toegestuurd. Deze overeenkomst is door partijen ondertekend. In deze overeenkomst staat voor zover relevant bericht:

‘Hierbij bevestigen wij de zeer gewaardeerde opdracht tot uitvoering van de Europese aanbesteding “schoonmaak” voor de samenwerkende inkooppartners:

 [gedaagde 1]

 [gedaagde 2]

 De Basis

 [gedaagde 3]

(…)

De vergoeding wordt gebaseerd op een aantal uitgangspunten:

(…)

 de heer [naam] treedt op als projectmanager namens samenwerkende inkooppartners/opdrachtgevers

(…)

 de beoogde contractduur met schoonmaakdienstverleners is 4 tot 6 jaar

 de ingangsdatum van de nieuwe contracten is 1 april 2014

 [eiseres] voert 4 keer per jaar VSR controles uit vanaf 1 april 2014 gedurende de contractperiode met de schoonmaakdienstverleners

(…)’

2.4.

Op de overeenkomst tussen partijen zijn de door [eiseres] gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing. Deze voorwaarden vermelden voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang:

‘(…)

Artikel 9. Opzegging

1. Opdrachtnemer kan te allen tijde de Overeenkomst schriftelijk opzeggen, tenzij de aard van de Overeenkomst of de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten. Opdrachtnemer dient een opzegtermijn van ten minste 30 dagen in acht te nemen. Een en ander zonder recht op enige vorm van schadevergoeding.

(…)’

2.5.

De openbare aanbestedingsprocedure is vervolgens op 4 oktober 2013 gestart. Op basis van deze procedure zijn de schoonmaakwerkzaamheden gegund. [eiseres] heeft vervolgens op basis van een tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht vanaf

1 april 2014 bij de diverse verschillende scholen die onder [gedaagden] vallen viermaal per jaar VSR controles uitgevoerd en daarvoor [gedaagden] ieder afzonderlijk telkens gefactureerd. [gedaagde 1] heeft de facturen van 24 augustus 2015 en 1 december 2015 ten bedrage van in totaal € 7.500,00 exclusief BTW onbetaald gelaten. [gedaagde 2] heeft de factuur van 1 december 2015 ten bedrage van € 3.750,00 exclusief BTW eveneens niet aan [eiseres] betaald.

2.6.

[gedaagde 1] heeft bij brief van 17 september 2015 de overeenkomst met [eiseres] opgezegd. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben de overeenkomst eveneens opgezegd bij afzonderlijke brieven van 17 september 2015.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I [gedaagden] te gebieden de contracten met [eiseres] per heden, althans per datum van dit vonnis, na te komen tot 1 april 2018, althans tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen einddatum, onder meer (maar niet beperkt tot) door [eiseres] in staat te stellen de overeengekomen VSR-metingen te verrichten en daarvoor de overeengekomen prijs te voldoen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 20.000,00 per gedaagde per overtreding;

II [gedaagden] te gebieden om in de periode van de looptijd van de contracten met [eiseres] tot 1 april 2018, althans tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen einddatum, zich te onthouden van het uitbesteden van de VSR-metingen voor schoonmaakwerkzaamheden op een andere wijze of in een ander verband en\of andere contractspartij dan overeenkomstig de contracten met [eiseres] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 20.000,00 per gedaagde per overtreding;

Subsidiair

III [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een voorschot van € 50.000,00 per gedaagde, in totaal € 150.000,00, ten titel van schadevergoeding, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis en, voor het geval betaling niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot de dag van algehele voldoening;

Primair en subsidiair

IV [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van de openstaande nota van [eiseres] van

€ 7.500,00, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en, voor het geval betaling niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot de dag van algehele voldoening;

V [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van de openstaande nota van [eiseres] van

€ 3.750,00, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en, voor het geval betaling niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot de dag van algehele voldoening;

VI [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proces- en nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en, voor het geval betaling van de proceskosten niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot de dag van algehele voldoening, althans de proceskosten tussen partijen te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.2.

[gedaagden] hebben verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Vooropgesteld wordt dat [eiseres] en gedaagde partij [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling op

5 juli 2016 tot een onderlinge oplossing van het tussen hen gerezen geschil zijn gekomen. Daarmee is de procedure tussen hen beëindigd en zullen de door [eiseres] ingestelde vorderingen uitsluitend jegens [gedaagden] worden beoordeeld.

4.2.

[eiseres] vordert allereerst nakoming door [gedaagden] van de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst van opdracht, uit hoofde waarvan [eiseres] vanaf april 2014 bij [gedaagden] zogenoemde VSR metingen heeft uitgevoerd. [eiseres] legt aan deze vordering ten grondslag dat in de overeenkomst in afwijking van het uitgangspunt van vrije opzegbaarheid een tussentijds opzegverbod is opgenomen, althans dat dat de bedoeling van partijen is geweest, zodat de overeenkomst doorloopt tot 1 april 2018. [eiseres] stelt dat het [gedaagden] eind 2015 daardoor niet vrij stond om de overeenkomst op te zeggen en dat, nu partijen dit toch hebben gedaan en [eiseres] vanaf dat moment geen VSR-metingen meer heeft kunnen uitvoeren, [gedaagden] dient te worden veroordeeld tot nakoming van de overeenkomst van opdracht.

4.3.

[gedaagden] heeft de juistheid van de stellingen van [eiseres] weersproken. Zij heeft in dat kader allereerst aangevoerd dat geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat de overeenkomst van opdracht eind 2015 is opgezegd en inmiddels acht maanden zijn verstreken. Inhoudelijk is [gedaagden] van mening dat in de overeenkomst de mogelijkheid tot tussentijdse opzegging niet is uitgesloten, zodat zij de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd en niet tot nakoming kan worden gehouden.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De beoordeling van het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht al dan niet tussentijds door [gedaagden] kon worden opgezegd. Voor de beantwoording van deze vraag dient naar de inhoud van de overeenkomst te worden gekeken. Partijen verschillen van mening over de betekenis van de daarin vervatte bepalingen. [eiseres] is van mening dat voor de (minimale) duur van de overeenkomst dient te worden gekeken naar de door haar op 1 september 2013 uitgebrachte offerte en de daarin vervatte bepaling die luidt: stelt als voorwaarde dat zij tevens de VSR controles mag uitvoeren totdat er een nieuwe aanbesteding plaatsvindt. [gedaagden] heeft aangevoerd dat deze bepaling in de definitieve overeenkomst echter niet is teruggekomen, maar dat over de duur van de overeenkomst in de definitieve versie in afwijking daarvan is bepaald: [eiseres] voert 4 keer per jaar VSR controles uit vanaf 1 april 2014 gedurende de contractperiode met de schoonmaakdienstverleners. Gelet op deze afwijkende bepalingen, is voor de vraag welke duur partijen ten minste zijn overeengekomen en of tussentijdse opzegging al dan niet is toegestaan beslissend de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Om deze zogenoemde partijbedoeling te kunnen achterhalen is nadere bewijslevering noodzakelijk. Nu voor bewijslevering in kort geding geen plaats is en [eiseres] daarnaast onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar vordering een zodanig spoedeisend karakter heeft dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht, zal de vordering tot nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht met daaraan gekoppelde nevenvorderingen worden afgewezen.

4.5.

Ook ten aanzien van de gevorderde betaling van twee openstaande facturen, ter zake waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op een opschortingsrecht beroepen, acht de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk dat [eiseres] een zodanig spoedeisend belang heeft bij die ingestelde vorderingen, dat deze in een kort gedingprocedure dienen te worden beoordeeld. Derhalve zullen ook deze vorderingen worden afgewezen.

4.6.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 3.903,00

  • -

    salaris advocaat € 816,00

Totaal € 4.719,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderinen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 4.719,00, waarin begrepen € 816,00 aan salaris advocaat;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.H.J. Krijnen op 19 juli 2016.