Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4864

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-07-2016
Datum publicatie
08-09-2016
Zaaknummer
304159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Handelsnaam; onrechtmatige daad. Gedaagde gebruikt de handelsnaam van eiser: Slaapspecialist Tiel niet alleen als domeinnaam maar ook als handelsnaam. Vanwege de combinatie van zuiver beschrijvende term: slaapspecialist en de geografische aanduiding: Tiel komt aan handelsnaam eiser onvoldoende beschermingsomvang toe om zich te verzetten tegen het gebruik van dezelfde aanduiding door gedaagde. Gedaagde handelt onrechtmatig door nodeloos Slaapspecialist Tiel te gebruiken enkel om geld uit te sparen om hoger in de google ranking te komen, terwijl hij niet eens in Tiel is gevestigd en klanten van eiser weglokt door verwarring te zaaien. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/441

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/304159 / KG ZA 16-269

Vonnis in kort geding van 19 juli 2016

in de zaak van

[eiser] , handelend onder de naam [bedrijf 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. A.J. Verbeek te Haarlem,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. C. Langereis te Zoetermeer.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 29 juni 2016

  • -

    de akte overlegging aanvullende producties van de zijde van [eiser]

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 12 juli 2016

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] drijft sinds 1 juni 2014 een onderneming die zich bezig houdt met advies over en de handel in bedden, beddengoed en aanverwante artikelen. Deze onderneming, die gevestigd is in [woonplaats 1] , staat bij de Kamer van Koophandel geregistreerd onder de handelsnaam [bedrijf 1] .

2.2.

[eiser] heeft op 16 juni 2014 de domeinnaam [website 1] laten registreren bij de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (hierna SIDN).

2.3.

[gedaagde] drijft sinds 28 juni 2012 eveneens een onderneming die zich bezig houdt met advies over en de handel in bedden, beddengoed en aanverwante artikelen, welke onderneming gevestigd is in [plaats] . Als handelsnaam van deze onderneming staat bij de Kamer van Koophandel de naam [bedrijf 2] geregistreerd en als vestigingsplaats [woonplaats 2] .

2.4.

[gedaagde] heeft op 3 september 2014 bij de SIDN de domeinnaam [website 2] laten registreren. Hij heeft deze domeinnaam, die hij sinds begin 2016 gebruikt, doorgelinkt naar zijn website, die bekend is onder de domeinnaam [website 3] .

2.5.

Op de homepage van deze website stond op 6 juli 2016 onder de zogenaamde header als eerste “ [bedrijf 1] ” vermeld. Verder staat op deze homepage onder meer de volgende tekst vermeld:

[bedrijf 1]
Wij, [bedrijf 2] zijn de slaapspeciaalzaak voor [woonplaats 1] en omgeving, gevestigd in [plaats] , een kleine 10 minuten van [woonplaats 1] . (..)

[bedrijf 1] Bedden

[bedrijf 2] biedt op korte afstand van [woonplaats 1] een ruim aanbod in bedden. Wij adviseren u graag vanuit onze showroom te [plaats] over een grote variatie in boxsprings, matrassen, ledikanten en complete slaapkamers. Onze adviseurs staan voor u klaar om u te helpen bij de keuze naar het juiste bed.

[bedrijf 1] boxspring

[bedrijf 2] heeft een ruime keuze in boxsprings. De boxsprings leveren wij als zijnde Slaapspecialist zeer geregeld in [woonplaats 1] , de bezorging en montage van de boxspring is gratis! (..)

[bedrijf 1] bedden en matrassen

Onze specialisten staan voor u klaar! Kom naar onze showroom, op 10 minuten van [woonplaats 1] , parkeer gratis voor de deur, geniet van een heerlijk kopje koffie, of thee en maak gebruik van ons gratis advies voor de juiste keuze in alle bedden en matrassen voor de regio [woonplaats 1] !”


In de zogenaamde footer, die onderaan iedere subpagina van de betreffende website vermeld wordt, staat onder meer eveneens “ [bedrijf 1] ” vermeld.

3
3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - [gedaagde] te bevelen ieder gebruik van zijn handelsnaam [bedrijf 1] en/of zijn domeinnaam [website 2] en/of daarmee overeenstemmende handelsnamen en/of domeinnamen en/of tekens te staken en gestaakt te houden, alsmede hem te bevelen voornoemde domeinnaam aan [eiser] over te dragen dan wel zijn volledige medewerking aan deze overdracht te geven, een en ander op straffe van een dwangsom. Ook vordert [eiser] [gedaagde] op straffe van een dwangsom te bevelen de in het petitum van de dagvaarding genoemde rectificatie op zijn website te plaatsen. Tot slot vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] in de volledige kosten van de onderhavige procedure, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1019h Rv.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met de aard van het gevorderde en het daaraan ten grondslag gelegde acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen gegeven.

4.2.

[gedaagde] heeft bij zijn pleitnota, derhalve eerst ter zitting, een vijftal producties overgelegd. Op grond van het bepaalde in artikel 6.2 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie dienen stukken waarop een partij zich wil beroepen zo spoedig mogelijk ingediend te worden en worden stukken die niet binnen 24 uur vóór de mondelinge behandeling zijn ingediend in beginsel buiten beschouwing gelaten. Aangezien de raadsvrouw van [gedaagde] geen plausibele reden heeft gegeven voor het late tijdstip van het indienen van de betreffende stukken en deze in omvang niet zeer gering zijn, bestaat er geen aanleiding van deze bepaling af te wijken. Deze stukken zullen derhalve als in strijd met de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor buiten beschouwing worden gelaten.

4.3.

[eiser] beroept zich op schending van artikel 5 van de Handelsnaamwet (Hnw) en legt subsidiair onrechtmatige daad aan zijn vorderingen ten grondslag. Hij stelt dat door het gebruik van de domeinnaam [website 2] en het gebruik van de naam [bedrijf 1] op de website van [gedaagde] , [gedaagde] inbreuk maakt op zijn handelsnaamrecht en dat er mede gelet op de aard van de ondernemingen van partijen en de vestigingsplaats, sprake is van verwarringsgevaar bij het publiek.

4.4.

Op grond van het bepaalde in artikel 5 Hnw is het verboden een handelsnaam te voeren, die, vóórdat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig werd gevoerd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover dientengevolge, in verband met de aard der beide ondernemingen en de plaats waar zij zijn gevestigd, bij het publiek verwarring tussen de ondernemingen is te duchten. Onder een handelsnaam wordt ingevolge artikel 1 Hnw verstaan de naam waaronder een onderneming wordt gedreven. Dit is de naam waaronder men feitelijk handelt, de naam die naar buiten toe (op commerciële wijze) wordt gebruikt als aanduiding van de onderneming.

4.5.

Vast staat dat [eiser] de naam [bedrijf 1] naar het publiek toe gebruikt als aanduiding van de door hem gedreven onderneming. Niet in geschil is dat [eiser] deze handelsnaam reeds voerde voordat [gedaagde] [bedrijf 1] ging gebruiken. Weliswaar gebruikt [gedaagde] reeds sinds 2012 in zijn handelsnaam ook het woord slaapspecialist, maar dit betekent niet dat hij een ouder recht heeft op de handelsnaam [bedrijf 1] .

4.6.

Voorop gesteld wordt dat een handelsnaam geen onderscheidend vermogen behoeft te hebben om een geldige handelsnaam te zijn en bescherming van artikel 5 Hnw mogelijk te maken. Ook zuiver beschrijvende handelsnamen of samenvoegingen van beschrijvende woorden zijn geldige handelsnamen waaraan een zekere bescherming kan toekomen. Bij het bepalen van de beschermingsomvang van een handelsnaam speelt het onderscheidend vermogen van die naam echter wel een (belangrijke) rol.

4.7.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de domeinnaam

[website 2] niet is aan te merken als het voeren van een handelsnaam, aangezien deze domeinnaam slechts een internetadres betreft en alleen gebruikt wordt als link naar zijn website [website 3] .

4.8.

In beginsel is een domeinnaam niet meer of anders dan een (internet)adres van de domeinnaamhouder en is het gebruik daarvan niet aan te merken als het voeren van een handelsnaam. Door omstandigheden kan dat evenwel anders zijn. Dat is het geval als de domeinnaam overeenkomt met een handelsnaam en gebruikt wordt ter aanduiding van de bedrijfsactiviteiten van een onderneming, waarbij ook de inhoud van de website achter de domeinnaam van belang is.

4.9.

Hoewel [gedaagde] de domeinnaam [website 2] slechts gebruikt om potentiële klanten naar zijn eigen website te leiden en de website onder deze domeinnaam dus geen inhoud heeft, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de betreffende domeinnaam wel degelijk als handelsnaam kan worden aangemerkt. Vast staat immers dat [gedaagde] op de homepage van zijn website [website 3] herhaaldelijk de naam [bedrijf 1] in grote, vetgedrukte letters gebruikt en dat deze naam ook onderaan iedere subpagina van deze website vermeld staat. Aldus treedt [gedaagde] tevens onder de naam [bedrijf 1] naar buiten en wordt deze naam op zijn website dus ook als handelsnaam gebruikt. In feite wordt daarmee de domeinnaam gekleurd tot handelsnaam. Het gebruik van de domeinnaam [website 2] in combinatie met het vermelden van de naam [bedrijf 1] op de website moet derhalve als handelsnaamgebruik worden aangemerkt.

4.10.

De vraag is vervolgens of [eiser] zich op grond van artikel 5 Hnw tegen dit gebruik kan verzetten.

4.11.

Naar vaste rechtsopvatting komt aan een handelsnaam naar mate deze een meer beschrijvend karakter heeft, minder onderscheidend vermogen toe. Een dergelijke handelsnaam heeft daarom slechts een geringe beschermingswaarde. Hiermee wordt voorkomen dat algemeen gangbare woorden worden gemonopoliseerd.

4.12.

Het woord slaapspecialist is heden ten dage in de beddenbranche een algemeen beschrijvende aanduiding geworden voor een beddenspeciaalzaak. Volgens [eiser] gaat het hem echter om de combinatie met het woord [woonplaats 1] , maar voor een dergelijke geografische benaming geldt net als voor zuiver beschrijvende woorden dat deze niet zomaar door middel van een handelsnaam mag worden gemonopoliseerd, in die zin dat anderen die benaming niet meer zouden kunnen gebruiken in de aanduiding van hun onderneming.

4.13.

Nu de handelsnaam van [eiser] louter een combinatie van een in de beddenbranche gebruikelijke algemeen beschrijvende term en een geografische aanduiding betreft, zou bescherming van deze handelsnaam leiden tot monopolisering van algemeen gangbare woorden. De voorzieningenrechter acht voorshands dan ook onvoldoende aannemelijk dat de beschermingsomvang van deze handelsnaam dusdanig is dat [eiser] een gerechtvaardigd beroep op de bescherming van artikel 5 Hnw kan doen. Door zijn handelsnaam samen te stellen uit een in de branche gebruikelijke algemeen beschrijvende term en een geografische aanduiding, heeft [eiser] het risico genomen dat andere bedrijven hier ook gebruik van zullen maken. Het beroep van [eiser] op artikel 5 Hnw slaagt derhalve niet.

4.14.

[eiser] stelt zich subsidiair op het standpunt dat [gedaagde] door het gebruik van de domeinnaam [website 2] en de naam [bedrijf 1] op zijn website onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.

4.15.

Aangezien het voor een ieder mogelijk moet zijn zich te bedienen van een aanduiding die beschrijvend is voor zijn producten of diensten, ook in een domeinnaam, is het gebruik van een louter beschrijvende domeinnaam, ook indien deze verwarringwekkend is, alleen onrechtmatig indien bijkomende omstandigheden dat meebrengen (Hoge Raad 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3554).

4.16.

In aanmerking genomen dat de door [gedaagde] gebruikte handels- en domeinnaam [bedrijf 1] (vrijwel) identiek is aan de handels- en domeinnaam van [eiser] , dat de aard van beide ondernemingen gelijk is en dat zij beide gevestigd zijn in dezelfde regio is in voldoende mate aannemelijk dat bij het relevante publiek verwarring is te duchten tussen de beide bedrijven. Uit de door [eiser] overgelegde producties volgt, anders dan [gedaagde] betoogt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook dat dit verwarringsgevaar zich reeds meerdere malen concreet heeft voorgedaan.

4.17.

Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat de reden van het gebruik van de domeinnaam [website 2] en de naam [bedrijf 1] op zijn website is gelegen in het feit dat zijn bedrijf door het gebruik van deze namen beter scoort in de zoekresultaten van Google. Volgens [gedaagde] kan hij ook op een andere manier een hogere ranking in de zoekresultaten bereiken, maar zal hij daarvoor meer geld uit moeten geven aan zijn Google-specialist.

4.18.

[gedaagde] handelt in de gegeven omstandigheden onrechtmatig jegens [eiser] . Hij is kennelijk alleen om hoger in de Google-ranking uit te komen ‘ [bedrijf 1] ’ gaan gebruiken om zodoende kosten uit te sparen, terwijl hij niet eens in [woonplaats 1] is gevestigd, anders dan [eiser] , en ook gemakkelijk op een andere manier hoger in de ranking kan komen zonder dezelfde aanduiding als zijn concurrent te gebruiken, bij wie hij op deze manier mogelijk ook klanten weglokt maar in ieder geval verwarring zaait. Aldus is sprake van bijkomende omstandigheden die meebrengen dat het gebruik van de domeinnaam [website 2] en de aanduiding [bedrijf 1] op de website jegens [eiser] onzorgvuldig is en dus als onrechtmatig kan worden aangemerkt. De vordering tot het staken van het gebruik van de handelsnaam [bedrijf 1] en de domeinnaam [website 2] zal op die grond worden toegewezen. Voor het toewijzen van het staken van het gebruik van met deze handelsnaam of domeinnaam overeenstemmende handelsnamen en/of domeinnamen bestaat op voorhand geen aanleiding.

4.19.

De gevorderde overdracht van de domeinnaam [website 2] zal als niet weersproken eveneens worden toegewezen. Aangezien [gedaagde] niet heeft toegelicht waarom een termijn van vijf werkdagen na betekening van dit vonnis te kort is om een en ander te effectueren, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding deze termijn te verlengen. Er bestaat evenmin aanleiding de kosten van de overdracht van de domeinnaam voor rekening van [eiser] te laten komen.

4.20.

Aangezien de voorzieningenrechter thans onvoldoende kan vaststellen dat de door [eiser] gevorderde rectificatie noodzakelijk is, zal dit deel van de vordering worden afgewezen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt op de hierna te vermelden wijze.

4.21.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Nu geoordeeld wordt dat het beroep van [eiser] op artikel 5 Hnw niet slaagt, kan [eiser] slechts aanspraak maken op een vergoeding van de proceskosten conform het gebruikelijke liquidatietarief. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,88

- griffierecht 288,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.203,88

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

beveelt [gedaagde] om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis ieder gebruik van de aanduiding [bedrijf 1] en de domeinnaam [website 2] te staken en gestaakt te houden, waaronder begrepen het “redirecten” en/of “rerouten” van de domeinnaam [website 2] naar de website van [gedaagde] ,

5.2.

beveelt [gedaagde] om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis de domeinnaam [website 2] aan [eiser] over te dragen, dan wel zijn volledige medewerking aan deze overdracht te geven,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij niet aan de in 5.1 en 5.2 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.203,88,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2016.

Coll. MD