Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:485

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
26-02-2016
Zaaknummer
C/05/264620 / HZ ZA 14-221
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regresvordering AVB-verzekeraar. Na bewijslevering afgewezen. Niet voldaan aan de maatstaf Davelaar?Allspan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/264620 / HZ ZA 14-221

Vonnis van 3 februari 2016

in de zaak van

de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

ALLIANZ BENELUX N.V.,

gevestigd te Brussel, België,

eiseres,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., tevens handelend on de naam INTERPOLIS,

gevestigd te Apeldoorn,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam BV] ,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. E. Bos-van den Berg te Zwolle.

Partijen zullen hierna Allianz en Achmea c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 december 2014

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 12 mei 2015

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 oktober 2015

  • -

    de akte uitlating getuigenverhoor van de zijde van Allianz

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor Achmea c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Het geschil tussen partijen betreft de vraag of Allianz, de verzekeraar van de onderaannemer ( [onderaannemer] ), regres heeft op [hoofdaannemer] , hoofdaannemer, en diens AVB-verzekeraar Achmea voor de door Allianz aan [naam 1] (zzp-er werkzaam voor [onderaannemer] ) reeds vergoede en nog te vergoeden schade als gevolg van het hem overkomen arbeidsongeval. De grondslag voor aansprakelijkheid van [hoofdaannemer] jegens [naam 1] heeft Allianz gebaseerd op artikel 7:658 lid 4 BW. Bij tussenvonnis van 3 december 2014 heeft de rechtbank Allianz opgedragen feiten en/of omstandigheden te bewijzen, waaruit blijkt dat [naam 1] voor de zorg van zijn veiligheid (mede) afhankelijk is geweest van [hoofdaannemer] .

2.2.

Allianz heeft in dit kader [onderaannemer] (hierna: [onderaannemer] ) als getuige doen horen. Achmea c.s. heeft hiertoe [naam 2] (hierna ook: [naam 2] ) en [hoofdaannemer] als getuigen voorgebracht.

2.3.

[onderaannemer] heeft het volgende verklaard:

“(…) Samen met [naam 2] en [hoofdaannemer] hebben we over het terrein gelopen en de schade aan de kassen opgenomen. Vervolgens zijn we naar de kantine gegaan en bij een kop koffie hebben we overlegd hoe we het werk zouden aanpakken. Er is toen afgesproken dat ik met jongens bij zou springen om het af te maken. Ik zou met acht man komen, inclusief mijzelf. [hoofdaannemer] ( [hoofdaannemer] ) zou met drie man komen. Ik heb de rechter helft van de kas in orde gebracht en [hoofdaannemer] heeft de linkerhelft van de kas gedaan. Qua werkzaamheden heb ik 80 % voor mijn rekening genomen, dat waren met name alle grote stukken. [hoofdaannemer] heeft de andere kant gedaan met kleinere schades. [hoofdaannemer] heeft voor het glas en alle materialen gezorgd, ik hoefde zelf niets mee te nemen. Ik regelde de beschermingsmaatregelen voor mijn mensen. Dat zijn handschoenen en polsmouwtjes. Het glas werd van een kist op een kar gezet die van de kweker zelf was. Deze werd dan naar de kas gereden. Het glas werd met hoogwerkers naar de hoger gelegen delen gebracht. Deze hoogwerkers zijn door [hoofdaannemer] verzorgd. In twee bussen ging ik met mijn mensen naar het werk. De werknemers namen zelf hun handschoenen en mouwen mee, dat zit in hun systeem. Ook [naam 1] deed dat. Ik heb ervoor gezorgd dat alle administratieve gegevens van de mensen die ik aan het werk had aan [hoofdaannemer] zijn gegeven. Ik ben wel door alle kassen heen gelopen, ook degene die [hoofdaannemer] in orde zou maken. Ik heb geen werkzaamheden verricht aan de kassen die [hoofdaannemer] in orde heeft gemaakt. Alles was netjes dicht. Voor zover er sprake is geweest van beschadigd glas dat uit de sponning moest worden gehaald is dezelfde werkverdeling gehanteerd.
(…)

[hoofdaannemer] heeft drie hoogwerkers geleverd. Deze zijn van belang om in de hoogte op een veilige manier te kunnen werken.
Tijdens de uitvoering van het werk kwam [hoofdaannemer] twee tot drie keer per week om spullen te brengen en de stand van het werk door te nemen. Wij liepen dan samen over het terrein om de werkzaamheden te bekijken.

(…)

Het ongeval van [naam 1] is gebeurd met een klein ruitje dat hij uit de sponning wilde duwen. Bij de beweging om het ruitje uit de sponning te halen brak het glas af en het resterende deel kwam boven de elle boog in de arm terecht. (…)”

2.4.

Verbaarschot heeft het volgende verklaard:

“(…) Na de storm heb ik mijn vader gebeld over wat ik het beste kon doen. Ik heb contact opgenomen met [hoofdaannemer] ( [hoofdaannemer] ). [hoofdaannemer] was de vaste hersteller bij schade in de kassen. Ik denk dat er zo’n 1250 ruiten beschadigd waren.

(…)

Bij een volgend gesprek is [onderaannemer] erbij geweest en hebben wij met drieën over het terrein gelopen om de schade op te nemen. [hoofdaannemer] en [onderaannemer] hebben vooral met elkaar gesproken over hoe ze het zouden aanpakken en voor mij was belangrijk hoe het met de logistiek moest ten aanzien van de gedeelten van de kas waar nog kon worden doorgewerkt. Van het gesprek tussen [hoofdaannemer] en [onderaannemer] kan ik me niet zo heel veel meer herinneren. Ik weet dat [onderaannemer] met eigen mensen zou gaan herstellen en [hoofdaannemer] ook met eigen werknemers. Over de precieze verdeling kan ik niks zeggen. Het werk is opgedeeld, maar ik weet niet precies hoe. Voor mij was van belang dat de kas snel dichtging. (…)”

2.5.

[hoofdaannemer] heeft als volgt verklaard:

“(…) Na de storm kreeg ik veel telefoontjes over schades. Dat betekende dat ik het herstel bij [naam 2] niet alleen af kon. Ik heb toen [onderaannemer] gebeld en hem gevraagd of hij voor gespecialiseerd personeel kon zorgen voor ruitherstel van de kassen. We hebben een afspraak gemaakt om op locatie het werk te gaan bekijken. De omvang van de schade hebben we met zijn drieën vastgesteld en het plan van aanpak is toen besproken. Het belangrijkste was om het glas dat gevaarlijk hing zo snel mogelijk veilig te maken zodat er onderdoor gelopen kon worden. [onderaannemer] zou alles gaan regelen en had daar de leiding. [onderaannemer] zou met zijn personeel komen en ik zou bijspringen. Ik denk dat de verhouding 80 ( [onderaannemer] )-20 % is geweest qua werkzaamheden. Ik zou naar eigen klanten gaan en zou gaan bijspringen op het moment dat ik op het andere werk klaar was. Ik zou de materialen bestellen, zoals het glas en het aluminium. Ik zou ook voor schaarhoogwerkers zorgen. Daar had [onderaannemer] om gevraagd.

[onderaannemer] zou de grote schades herstellen in de hoeken die waren afgezet en ik heb het gedeelte met de kleine schades van enkele ruitjes voor mijn rekening genomen. Omdat ik niet altijd aanwezig kon zijn, moest [onderaannemer] zijn eigen mensen aansturen. [onderaannemer] zou voor de eigen veiligheidsmiddelen zorgen. Toen het werk aan de gang was liep ik zo’n twee keer per week rond om de vorderingen te beoordelen en of er nog voldoende glas en andere materialen aanwezig waren. Ik stuurde mijn eigen mensen aan en niet de werknemers van [onderaannemer] . Die waren de verantwoordelijkheid van [onderaannemer] .

Elke week leverde [onderaannemer] de urenstaten van zijn medewerkers in. Die moest ik door factureren naar [naam 2] en die stuurde het naar de verzekering. Voor zover ik mij kan herinneren betaalde ik vervolgens [onderaannemer] voor het geleverde werk.

(…)

De reden dat ik [onderaannemer] heb gebeld, heeft te maken met het feit dat ik vaker met [onderaannemer] gewerkt heb bij schadeherstel van ruiten. Herstel van kassen is gespecialiseerd werk waarvan vooral in het Westland meerdere vaklieden zoals [onderaannemer] voor handen zijn.

Op uw vraag of ik aan [onderaannemer] instructies gaf voor het werk antwoord ik dat ik mijn eigen mensen aanstuurde en niet [onderaannemer] .”

2.6.

Uit de getuigenverklaringen komt duidelijk naar voren dat [hoofdaannemer] en [onderaannemer] ieder voor zich verantwoordelijk waren voor het afgesproken gedeelte (20% [hoofdaannemer] en 80% [onderaannemer] ) van het ruitherstelwerk aan de kassen. Niet gebleken is dat van deze verdeling is afgeweken. [onderaannemer] was met zijn medewerkers bezig in ‘zijn’ gedeelte van de kas en voor [hoofdaannemer] gold hetzelfde. [hoofdaannemer] heeft in overleg met en op verzoek van [onderaannemer] materiaal zoals glas en aluminium besteld en schaarhoogwerkers ter beschikking gesteld. Wat betreft de persoonlijke beschermingsmiddelen zouden [hoofdaannemer] en [onderaannemer] ieder voor hun eigen mensen daarvoor zorgdragen. Gelet op het arbeidsongeval zoals aan [naam 1] is overkomen, waren het met name de persoonlijke beschermingsmaatregelen die de (ernst van de) gevolgen van het ongeval hadden kunnen voorkomen dan wel verminderen. Nu vaststaat dat dat de verantwoordelijkheid van [onderaannemer] is, kan niet worden gezegd dat [naam 1] voor zijn veiligheid op dat punt mede afhankelijk was van [hoofdaannemer] . Het enkele feit dat de schaarhoogwerkers van [hoofdaannemer] afkomstig waren, is daartoe - zonder enig gesteld verband met de oorzaak van het aan [naam 1] overkomen arbeidsongeval - onvoldoende.

Deze grondslag kan niet leiden tot aansprakelijkheid van [hoofdaannemer] jegens [naam 1] .

2.7.

Het voorgaande leidt mede tot de conclusie dat de AVB-verzekering van [hoofdaannemer] dan ook geen dekking biedt, omdat geen sprake is van aansprakelijkheid van [hoofdaannemer] . De overige stellingen behoeven geen bespreking, omdat het niet kan leiden tot toewijzing van de vordering.

2.8.

Allianz zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Achmea c.s. worden begroot op:

- griffierecht 1.892,00

- getuigenkosten 250,00

- salaris advocaat 3.576,00 (4,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 5.718,00

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt Allianz in de proceskosten, aan de zijde van Achmea c.s. tot op heden begroot op € 5.718,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2016.

St/IvD