Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4816

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-07-2016
Datum publicatie
02-09-2016
Zaaknummer
302764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbesteding. Uitleg aanbestedingsdocumenten. Aanbestedingsdocumenten eisen niet dat CAO-verklaring van SFT omtrent naleving CAO Taxivervoer in specifieke vorm van bedrijfsoordeel is vereist. Brieven van SFT in combinatie met eerder bedrijfsoordeel voldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2016/231
Module Aanbesteding 2016/479
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/302764 / KG ZA 16-230

Vonnis in kort geding van 22 juli 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WILLEMSEN-DE KONING GROEP B.V.,

statutair gevestigd te Arnhem,

eiseres,

advocaten mrs. J.M.E. Yilmaz en M. van den Brink te Utrecht,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DOETINCHEM,

zetelend en kantoorhoudende te Doetinchem,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BRONCKHORST,

zetelend te Bronckhorst en kantoorhoudende te Hengelo,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK,

zetelend te Oude IJsselstreek en kantoorhoudende te Gendringen,

gedaagden,

advocaat mr. J.H.J. Bax te Nijmegen,

waarin heeft gevorderd als tussenkomende partij, althans voegende partij aan de zijde van de gemeenten, te worden toegelaten:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CONNEXXION TAXI SERVICES B.V.,

gevestigd te IJsselmuiden,

eiseres in het incident tot tussenkomst, althans voeging,
advocaten mrs. C.R.V. Lagendijk en J. Wesselman te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Willemsen-de Koning, de gemeenten en Connexxion genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Willemsen-de Koning

  • -

    de pleitnota van de gemeenten

  • -

    de pleitnota van Connexxion.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeenten Bronckhorst, Doetinchem en Oude IJsselstreek (hierna: de gemeenten) hebben op 10 maart 2016 de openbare Europese aanbesteding aangekondigd voor het leerlingenvervoer in die gemeenten voor het schooljaar 2016-2017 (hierna: de opdracht).

2.2.

Ten behoeve van de opdracht hebben de gemeenten de inschrijvingsleidraad “EU-aanbesteding leerlingenvervoer gemeenten Bronckhorst, Doetinchem en Oude IJsselstreek” opgesteld, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

3.3

Beroepsbekwaamheid

De opdrachtnemer (…) dient bij gunning te beschikken over de volgende documenten:

(…)

 Cao-verklaring:

 De inschrijver is verplicht om door middel van een verklaring van Sociaal Fonds Taxi (hierna: SFT) aan te tonen dat de bepalingen van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Taxivervoer getrouwelijk wordt nageleefd. Uit de verklaring van SFT moet blijken dat de Cao-naleving van de vervoerder door SFT als voldoende wordt beoordeeld. Vervoerders die dispensatie hebben van de Cao-taxivervoer in verband met een eigen bedrijfs-Cao, dienen middels een brief/verklaring vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te tonen dat deze dispensatie is verleend. Daarnaast dient een verklaring van SFT te worden aangeleverd waaruit blijkt dat de bedrijfs-Cao op juiste wijze wordt nageleefd.

Deze verklaring verstrekt opdrachtnemer jaarlijks aan de opdrachtgever. De verklaring is op het moment van de sluiting van de kluis niet ouder dan twee jaar.

(…)

3.6

Eigen verklaring

(…)

Bij de inschrijving moet de naar waarheid ingevulde Eigen Verklaring worden gevoegd (bijlage 1).

3.7

Bewijsstukken

(…)

Voor deze aanbesteding kan de opdrachtgever de volgende bewijsmiddelen opvragen bij de inschrijver:

(…)

 Cao-verklaring.

(…)

Indien de inschrijver binnen de genoemde termijn de opgevraagde bewijsmiddelen niet overlegt of indien zou blijken dat de (Eigen) Verklaring van de inschrijver onjuist is, legt de opdrachtgever de inschrijving van de desbetreffende inschrijver ter zijde en zullen zij overgaan tot het opvragen bij de nummer 2 in ranking. (…)

2.3.

Op de aanbestedingsprocedure is de Aanbestedingswet 2012 van toepassing. De gemeenten hanteren het gunningscriterium de laagste prijs, hetgeen betekent dat de inschrijver die het laagste beladen uurtarief heeft geoffreerd de opdracht krijgt gegund.

2.4.

In de derde nota van inlichtingen van 15 april 2016 is onder meer opgenomen:

Nr 10

Categorie Bestek/beschrijvend document

Betreft 3.3

Vraag

Mogen wij er vanuit gaan dat u met hetgeen u stelt in paragraaf 3.3, 4e bullit, bedoelt dat inschrijver (structureel) dient aan te tonen te voldoen aan de naleving van de cao voor taxi conform de eisen zoals gesteld door het Sociaal Fonds Taxi (SFT)? Laatste bepaalt immers de controle cyclus en publiceert haar bevindingen op haar site, welke wekelijks wordt geactualiseerd. Op de site: [website 1] onder “Overzicht bedrijven met bedrijfsoordeel ‘voldoende’ staat een link naar het overzicht (Excel). Hiermee kunt u monitoren en vaststellen welke partijen voldoen aan de in de cao gestelde eisen.

Antwoord Vrijgegeven: 15-04-2016

Deze aanname is correct.

2.5.

De inschrijvingen voor de opdracht dienden uiterlijk 21 april 2016 te zijn ingediend bij de gemeenten. Willemsen-de Koning en Connexxion hebben tijdig op de opdracht ingeschreven.

2.6.

Bij brief van 10 mei 2016, verzonden op 11 mei 2016, hebben de gemeenten Willemsen-de Koning bericht dat Connexxion de laagste prijs had geoffreerd en dat de gemeenten voornemens zijn de opdracht aan Connexxion te gunnen. Willemsen-de Koning is op de tweede plaats geëindigd.

2.7.

De advocaat van Willemsen-de Koning heeft de gemeenten bij brief van 18 mei 2016 verzocht om Connexxion uit te sluiten van de procedure, omdat zij volgens Willemsen-de Koning niet aan de gestelde geschiktheidseis (de beroepsbekwaamheid) zou voldoen.

2.8.

Bij brief van 23 mei 2015 heeft de advocaat van de gemeenten de advocaat van Willemsen-de Koning bericht dat de gemeenten het gunningsvoornemen handhaven.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

Willemsen-de Koning vordert dat de voorzieningenrechter

1. de gemeenten gebiedt het gunningsvoornemen van 10 mei 2016 (verzonden op 11 mei 2016) in te trekken binnen één week na dagtekening, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn,

2. de gemeenten gebiedt de inschrijving van Connexxion als ongeldig terzijde te leggen,

3. de gemeenten gebiedt binnen veertien dagen na dit vonnis, althans een door de voorzieningenrechter te noemen redelijke termijn, – voor zover de gemeenten de opdracht nog wensen te vergeven – een nieuw gunningsvoornemen bekend te maken ten gunste van Willemsen-de Koning,

alles op straffe van een aan Willemsen-de Koning te verbeuren dwangsom van

€ 100.000,00 dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere dag dat de gemeenten hiermee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijven, en

de gemeenten veroordeelt in de kosten van dit geding, daaronder begrepen de nakosten met bepaling dat, indien deze kosten niet binnen twee weken na dagtekening van het vonnis gewezen in onderhavige procedure zijn voldaan, de gemeenten daarover zonder nadere sommatie wettelijke rente zijn verschuldigd.

3.2.

Willemsen-de Koning legt aan haar vorderingen kort gezegd ten grondslag dat Connexxion een ongeldige inschrijving heeft gedaan, omdat zij ten tijde van haar inschrijving op 21 april 2016 niet voldeed aan de gestelde geschiktheidseis van beroepsbekwaamheid. Nu Connexxion in haar eigen verklaring heeft ingevuld dat haar onderneming voldoet aan de gestelde geschiktheidseisen, terwijl dat niet zo is, dient zij (ook) te worden uitgesloten van de aanbestedingsprocedure.

3.3.

De gemeenten voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in het incident

3.5.

Connexxion vordert primair dat zij als tussenkomende partij en subsidiair als voegende partij aan de zijde van de gemeenten wordt toegelaten. Als tussenkomende partij vordert Connexxion dat de voorzieningenrechter

1. de vorderingen van Willemsen-de Koning niet-ontvankelijk verklaart, althans de vorderingen afwijst,

2. de gemeenten verbiedt de opdracht aan een ander te gunnen dan aan Connexxion, voor zover de gemeenten de opdracht nog wensen te gunnen en Willemsen-de Koning gebiedt te gehengen en gedogen dat de opdracht aan Connexxion wordt gegund,

met veroordeling van Willemsen-de Koning en de gemeenten in de kosten van deze procedure, een tegemoetkoming in de door Connexxion gemaakte kosten van juridische bijstand daaronder begrepen, alsmede de nakosten ten bedrage van € 131,00 zonder betekening en van € 199,00 met betekening van dit vonnis, met de aantekening dat als niet binnen twee weken na dit vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan daarover de wettelijke rente verschuldigd is.

3.6.

Connexxion voert daartoe aan dat zij zowel formeel als materieel aan de gestelde geschiktheidseis van beroepsbekwaamheid voldoet, dat het Sociaal Fonds Taxivervoer (hierna: SFT) dit in de afgelopen twee jaar meermaals heeft verklaard en dat Connexxion de CAO-Taxivervoer getrouwelijk naleeft.

in de hoofdzaak en in het incident

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

in het incident tot tussenkomst, althans voeging van Connexxion

4.2.

Willemsen-de Koning en de gemeenten hebben geen verweer gevoerd tegen de tussenkomst van Connexxion en bovendien heeft Connexxion een rechtstreeks en in rechte te erkennen belang om als tussenkomende partij in het geding te komen, omdat Connexxion de inschrijver is aan wie de aanbestedende dienst voornemens is de opdracht te gunnen. Daarom zal Connexxion worden toegelaten als tussenkomende partij. Willemsen-de Koning en de gemeenten zullen in de kosten van het incident worden veroordeeld, welke kosten worden begroot op nihil.

in de hoofdzaak

4.3.

Connexxion heeft bij e-mailbericht van 7 juli 2016, om 14:33 uur, een productie (een verklaring in de vorm van een bedrijfsoordeel van het SFT over de periode april 2015 tot en met maart 2016 gedateerd 6 juli 2016) overgelegd. Willemsen-de Koning heeft hier bezwaar tegen gemaakt en verzocht de productie buiten beschouwing te laten, omdat het stuk te laat is ingediend.

4.4.

De zitting vond plaats op 8 juli 2016, om 09:00 uur. Volgens artikel 6.2 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie worden stukken zo spoedig mogelijk ingediend en dienen stukken die niet dienovereenkomstig zijn ingediend door de voorzieningenrechter buiten beschouwing te worden gelaten. Stukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de zitting worden ingediend, worden in beginsel buiten beschouwing gelaten. Vast staat dat de betreffende productie niet binnen 24 uur vóór de zitting is ingediend. Willemsen-de Koning heeft bij e-mailbericht van 7 juli 2016, om 17:12 uur, bezwaar gemaakt tegen overlegging van het stuk en (ook) inhoudelijk hierop gereageerd en aangegeven waarom het stuk niet relevant is voor de beoordeling van het geschil. Dat Willemsen-de Koning in haar belangen zou zijn geschaad doordat zij onvoldoende tijd en gelegenheid voor een behoorlijke kennisneming ervan heeft gehad en de mogelijkheid van een deugdelijke voorbereiding van verweer hiertegen heeft ontbroken, valt dan ook niet in te zien. Gelet hierop, alsook op de aard en de omvang van het stuk (één pagina) en de omstandigheid dat het stuk kennelijk pas op 7 juli 2016 beschikbaar was, heeft de voorzieningenrechter ter zitting reeds beslist dat het overleggen van de productie wordt toegestaan.

4.5.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van Willemsen-de Koning.

4.6.

Het gaat in deze zaak om het volgende. In de leidraad is vermeld dat de opdrachtnemer ten tijde van de gunning dient te beschikken over een verklaring van het SFT om aan te tonen dat de bepalingen van de CAO-Taxivervoer getrouwelijk worden nageleefd, welke verklaring op het moment van de sluiting van de kluis niet ouder is dan twee jaar. Connexxion voldoet volgens Willemsen-de Koning niet aan die eis, nu uit het overzicht dat SFT op 23 mei 2016 op haar website ( [website 2] ) heeft gepubliceerd, blijkt dat Connexxion een bedrijfsoordeel ‘voldoende’ heeft ontvangen op 25 november 2013. Dit bedrijfsoordeel is ouder dan twee jaar. De brieven van 17 juli 2015 en 19 april 2016 die Connexxion heeft overgelegd kunnen niet worden aangemerkt als een bedrijfsoordeel, zodat door Connexxion niet aan de geschiktheidseis van beroepsbekwaamheid, paragraaf 3.3., vierde bullet, wordt voldaan, aldus Willemsen-de Koning. De gemeenten en Connexxion lezen de betreffende geschiktheidseis zo dat deze strekt tot het overleggen van een verklaring van het SFT waaruit volgt dat de naleving van de CAO-Taxivervoer als voldoende wordt beoordeeld. De wijze waarop de verklaring is vormgegeven is niet voorgeschreven in de aanbestedingsstukken, zodat een inschrijver kan volstaan met de overlegging van iedere voldoende recente verklaring van het SFT, in welke vorm dan ook, aldus de gemeenten en Connexxion. Uit de door Connexxion overgelegde verklaringen van het SFT van 25 november 2013, 17 juli 2015 en 19 april 2016 volgt volgens de gemeenten en Connexxion dat Connexxion voldoet aan de onderhavige door de gemeenten gestelde geschiktheidseis, zodat van uitsluiting van de aanbestedingsprocedure geen sprake kan zijn.

4.7.

De vraag is hoe de geschiktheidseis zoals geformuleerd in paragraaf 3.3, vierde bullit van de leidraad dient te worden uitgelegd en toegepast. Bij het antwoord op deze vraag moet allereerst in ogenschouw worden genomen hetgeen het Europese Hof van Justitie in de zaak Succhi di Frutta (HvJ 29 april 2004, zaak C-496/99 PbEG 2004 C 118) en de Hoge Raad in de zaak Van der Stroom/Staat (HR 4 november 2005, LJN AU 2806, NJ 2006, 204) hebben overwogen en als uitgangspunt voorop hebben gesteld, te weten dat het aanbestedingsrecht twee centrale beginselen kent: het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers en het daarvan afgeleide transparantiebeginsel. Het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan de aanbestedingsprocedure voor een overheidsopdracht deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offerte gedane voorstel dezelfde kansen krijgen: voor alle mededingers moeten dezelfde voorwaarden gelden. Het transparantiebeginsel strekt, in samenhang daarmee, ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat enerzijds alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde wijze kunnen interpreteren, en anderzijds de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Dat brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moet hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaatsvindt, zoals de selectiecriteria.

Daarnaast dient eveneens acht te worden geslagen op de bewoordingen van de eis (paragraaf 3.3., vierde bullet) van de leidraad, gelezen in het licht van de gehele tekst van alle relevante aanbestedingsstukken. Daarbij komt het aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin die stukken zijn gesteld. Bij die uitleg kan onder meer worden gekeken naar de elders in de aanbestedingsstukken gebruikte formuleringen.

4.8.

Vastgesteld kan worden dat de geschiktheidseis van beroepsbekwaamheid zoals opgenomen in paragraaf 3.3., vierde bullet, zo is geformuleerd dat daarin wordt gevraagd om een verklaring en niet specifiek om een bedrijfsoordeel. Er zijn geen (vorm)vereisten aan deze verklaring gesteld. Uit de eis volgt ook dat indien na onderzoek door het SFT blijkt dat het SFT van oordeel is dat een onderneming de CAO-bepalingen voldoende naleeft, wordt voldaan aan hetgeen wordt verlangd in de aanbestedingsstukken, namelijk het getrouwelijk naleven van de CAO-Taxivervoer. De verklaring van het SFT mag op het moment van het sluiten van de kluis (zijnde 21 april 2016) niet ouder zijn dan twee jaar en dient jaarlijks aan de opdrachtnemer te worden verstrekt. In paragraaf 3.7 (Bewijsstukken) van de leidraad wordt ook om een verklaring (en niet om/in de specifieke vorm van een bedrijfsoordeel) gevraagd.

4.9.

Uit het antwoord op vraag 10 opgenomen in de (derde) nota van inlichtingen volgt dat wordt geëist dat inschrijvers de CAO-Taxivervoer naleven conform de eisen zoals gesteld door het SFT en dat op de website van het SFT een overzicht van bedrijven met bedrijfsoordeel ‘voldoende’ is gepubliceerd, op grond van welk overzicht kan worden vastgesteld welke partijen aan de in de CAO gestelde eisen voldoen. Ook volgt hieruit dat een inschrijver structureel (in de leidraad wordt gesproken over jaarlijks) dient aan te tonen

dat de CAO-Taxivervoer wordt nageleefd.

4.10.

De gemeenten vragen dus in de leidraad en in de toelichting daarop in de derde nota van inlichtingen om met een verklaring van SFT aan te tonen dat de CAO getrouwelijk wordt nageleefd en niet meer dan dat. Indien een aanbestedende dienst specifiek verlangt dat een stuk, hier een verklaring van SFT, in een bepaalde vorm dient te worden overgelegd dan dient dat expliciet in de aanbestedingsdocumenten te worden opgenomen, zodat voor alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers duidelijk is dat alleen een stuk in die vorm volstaat. Ergens in de nota van inlichtingen wordt weliswaar gesproken over een bedrijfsoordeel, maar deze term wordt alleen gebezigd in de vraag die door één van de (potentiële) inschrijvers is gesteld, en bovendien enkel in de verwijzing naar het “Overzicht bedrijven met bedrijfsoordeel ‘voldoende’” op de website van het SFT ( [website 2] ). Daaruit kan niet worden afgeleid dat de verklaring van SFT noodzakelijkerwijs de vorm moet hebben waarin SFT bedrijfsoordelen pleegt af te geven.

4.11.

Een normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver zal de geschiktheidseis van beroepsbekwaamheid zoals geformuleerd in paragraaf 3.3, vierde bullet, dan ook overeenkomstig de gebruikte bewoordingen zo moeten lezen dat indien het SFT een verklaring heeft afgegeven met daarin een voldoende, er wordt voldaan aan de gestelde eis, mits de verklaring niet ouder is dan twee jaar gerekend vanaf 21 april 2016.

4.12.

In het geval van Connexxion heeft het SFT een verklaring inhoudende een bedrijfsoordeel ‘voldoende’ gedateerd 25 november 2013 afgegeven over de periode oktober 2012 tot en met september 2013. Deze verklaring is ouder dan twee jaar, gerekend vanaf 21 april 2016. Maar daarnaast heeft het SFT Connexxion bij brief van 17 juli 2015 medegedeeld dat, naar aanleiding van een steekproefsgewijze controle naar de naleving van de CAO-Taxivervoer in de periode oktober 2012 tot en met september 2013 inmiddels is gebleken dat de CAO op kernbepalingen wordt nageleefd en dat het afgegeven bedrijfsoordeel over de genoemde controleperiode blijft gehandhaafd. De eerdere verklaring van 25 november 2013 (afgegeven in de vorm van een bedrijfsoordeel) in combinatie met de brief van 17 juli 2015 kan worden aangemerkt als een verklaring zoals bedoeld in paragraaf 3.3, vierde bullet van de leidraad. Uit de brief van 17 juli 2015 volgt immers dat het bedrijfsoordeel ‘voldoende’ dat is vastgelegd in de verklaring van 25 november 2013 nog geldt en niet in geschil is dat een bedrijfsoordeel blijft gelden totdat er een nieuw bedrijfsoordeel is.

4.13.

De gemeenten hebben de door Connexxion overgelegde stukken dan ook terecht aangemerkt als een geldige verklaring, waarmee wordt voldaan aan de geschiktheidseis van beroepsbekwaamheid zoals bedoeld in paragraaf 3.3, vierde bullet. Niet aannemelijk is geworden dat de gemeenten met de wijze waarop zij in de onderhavige aanbesteding de geschiktheidseis toetsen (het overleggen van een verklaring die niet ouder is dan twee jaar) de systematiek die SFT in de praktijk hanteert bij de CAO-controle op taxibedrijven miskennen en het (sommige) (Potentiële) inschrijvers onmogelijk maken om te voldoen aan de eis dat de verklaring niet ouder dan twee jaar mag zijn. Voor de conclusie dat de gemeenten een discriminatoire eis hebben gesteld is onvoldoende grond en daarmee is er ook geen grond voor een heraanbesteding.

4.14.

Dit betekent dat Connexxion ook een juiste eigen verklaring heeft ingediend en dus een geldige inschrijving heeft gedaan. Er bestaat dan ook geen aanleiding om Connexxion van de aanbestedingsprocedure uit te sluiten.

4.15.

De vorderingen van Willemsen-de Koning worden dus afgewezen. De vorderingen sub 1. en 2. van Connexxion worden hiermee toegewezen.

4.16.

Willemsen-de Koning zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeenten en van Connexxion worden ieder afzonderlijk begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris 816,00

Totaal € 1.435,00

4.17.

De door de gemeenten en Connexxion gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident tot tussenkomst van Connexxion

5.1.

laat Connexxion toe als tussenkomende partij in het kort geding van Willemsen-de Koning tegen de gemeenten,

5.2.

veroordeelt Willemsen-de Koning en de gemeenten in de proceskosten in het incident tot tussenkomst, aan de zijde van Connexxion tot op heden begroot op nihil,

in de hoofdzaak

5.3.

wijst de vorderingen van Willemsen-de Koning ten aanzien van de gemeenten af,

5.4.

verstaat het bepaalde onder 5.3. als toewijzing van de vorderingen sub 1. en 2. van Connexxion, en verbiedt de gemeenten de opdracht aan een ander te gunnen dan aan Connexxion voor zover de gemeenten de opdracht nog wensen te gunnen en gebiedt Willemsen-de Koning te gehengen en gedogen dat de opdracht aan Connexxion wordt gegund,

5.5.

veroordeelt Willemsen-de Koning in de proceskosten, aan de zijde van de gemeenten tot op heden begroot op € 1.435,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt Willemsen-de Koning in de proceskosten, aan de zijde van Connexxion tot op heden begroot op € 1.435,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7.

veroordeelt Willemsen-de Koning in de na dit vonnis bij de gemeenten ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Willemsen-de Koning niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.8.

veroordeelt Willemsen-de Koning in de na dit vonnis bij Connexxion ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Willemsen-de Koning niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.9.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 5.4. t/m 5.8. uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 22 juli 2016.