Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4610

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-08-2016
Datum publicatie
19-08-2016
Zaaknummer
16/422
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Tussenbeslissing uitspraak uitlevering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK gelderland

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Lurisnummer: UTL-I-2015021040

Rechtbanknummer: 16/422

Tussenbeslissing van de meervoudige kamer in deze rechtbank, op een vordering van de officier van justitie, gedateerd 2 maart 2016, tot het in behandeling nemen van een verzoek tot uitlevering ex artikel 20 en 23 van de Uitleveringswet (hierna: de UW), ingediend door de Turkse autoriteiten d.d. 15 december 2015, strekkende tot de uitlevering van:

naam: [verdachte] , hierna te noemen: opgeëiste persoon,

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres] .

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennis genomen van voormelde vordering alsmede van de daarbij overgelegde stukken.

Ter openbare zitting van 08 april 2016 zijn gehoord de opgeëiste persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. G.F. Schadd, en de officier van justitie mr. A. Reah.

Op 08 april 2016 heeft de rechtbank, kort gezegd, de behandeling aangehouden ter completering van de stukken.

Ter openbare zitting van 05 augustus 2016 zijn gehoord de opgeëiste persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. B.J. Schadd, en de officier van justitie mr. A. Reah.

DE STANDPUNTEN

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen en de rechtbank de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Turkije toelaatbaar kan verklaren. Daarbij heeft de officier van justitie nog aangevoerd dat op grond van artikel 1 van het Europese Uitleveringsverdrag, partijen zich hebben verbonden om, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, elkaar wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen. Dit betekent dat er in beginsel een verplichting tot uitlevering aan de verzoekende partij bestaat. Het is de Minister van Veiligheid en Justitie die uiteindelijk het moment van uitlevering bepaalt.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen en daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De opgeëiste persoon is van Koerdische afkomst. Hij dreigt in een land terecht te komen waar momenteel de noodtoestand heerst en rechters zijn vervangen door incapabele figuren die doen wat de regering wil. De verdediging acht het buitengewoon teleurstellend dat de Nederlandse regering mensen naar een land zou sturen waar men opnieuw de doodstraf wil invoeren. Weliswaar zou deze doodstraf gelden voor politieke delicten, maar niet is uit te sluiten dat die ook zou kunnen gaan gelden voor commune delicten. Bovendien heeft Turkije het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tijdelijk buiten werking gesteld en niet duidelijk is wat er met de opgeëiste persoon gaat gebeuren indien hij wordt uitgeleverd en in een overvolle gevangenis terechtkomt.

DE BEOORDELING

Op het verzoek tot uitlevering zijn van toepassing de Uitleveringswet, het Europese Uitleveringsverdrag en het Tweede Aanvullende Protocol bij dat verdrag.

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon op de zitting onderzocht en vastgesteld dat van degene die voor de rechtbank is verschenen de uitlevering is verzocht.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de door de Turkse autoriteiten overgelegde stukken genoegzaam gebleken op basis waarvan de uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht. De door de verzoekende Staat overgelegde stukken voldoen aan de vereisten, omschreven in artikel 9 van het toepasselijke Uitleveringsverdrag en artikel 18 van de Uitleveringswet.

De rechtbank dient bij de beoordeling of een verzoek om uitlevering toelaatbaar is of niet zich in beginsel te beperken tot de formaliteiten die in acht moeten worden genomen om een opgeëiste persoon uit te leveren aan de verzoekende Staat. Wanneer aan deze formaliteiten is voldaan, kan de rechtbank de uitlevering toelaatbaar verklaren waarna het aan de Minister is om uiteindelijk de beslissing te nemen, mede gelet op alle eventuele omstandigheden, de opgeëiste persoon daadwerkelijk over te dragen aan de verzoekende Staat. Slechts wanneer blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht en hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel ten dienste staat om tegen die inbreuk op te komen, moet de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering wijken (vgl. HR 7 september 2004, NJ 2004/595).

De rechtbank is van oordeel dat thans geen definitieve rechterlijke beslissing kan worden gegeven op de vordering van de officier van justitie en overweegt hiertoe als volgt.

Zonder enig oordeel te geven over de thans in Turkije ontstane politieke situatie, kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld.

  • -

    Op 15 juli 2016 is sprake geweest van een poging tot het plegen van een staatsgreep in Turkije waarbij getracht is de wettige regering van Turkije af te zetten.

  • -

    Na het neerslaan van deze staatsgreep, waarbij vele doden en gewonden zijn gevallen, heeft de Turkse overheid diverse maatregelen genomen, onder meer het uitroepen van de noodtoestand, het gedurende de noodtoestand buiten werking stellen van het EVRM en het op non-actief stellen c.q. arresteren van vele duizenden rechters, aanklagers en andere overheidsfunctionarissen, alsook advocaten, waardoor, naar mag worden aangenomen, de rechtspleging ernstige vertraging zal oplopen.

Weliswaar is het tijdelijk, op grond van artikel 15 van het EVRM, buiten werking stellen van het verdrag gedurende een noodtoestand onder bepaalde restricties toegestaan, maar vooralsnog is onduidelijk hoe lang deze noodtoestand zal blijven voortduren en welke werking deze in de praktijk zal hebben. Daarbij komt bovendien dat veel rechters en aanklagers op non-actief zijn gesteld waardoor ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de aan verdachten toekomende grondrechten niet, of niet voldoende gewaarborgd kunnen worden, hetgeen in casu tot gevolg zou kunnen hebben dat de opgeëiste persoon onevenredig lang in voorarrest zou kunnen verblijven voor wat betreft de tegen hem gerezen verdenking hetgeen in strijd zou zijn met het EVRM.

Onder de huidige instabiele en onduidelijke omstandigheden in Turkije en de onzekerheden rondom de vraag hoe de situatie aldaar zich verder zal ontwikkelen, acht de rechtbank zich thans niet in staat een afgewogen oordeel te vormen over de toelaatbaarheid van de uitlevering van de opgeëiste persoon. Daartoe dient de toestand in Turkije eerst te stabiliseren. Pas dan kan goed beoordeeld worden of gewaarborgd is dat de opgeëiste persoon aanspraak kan maken op die grondrechten die hem rechtens toekomen, dat hij zich daarvoor kan wenden tot een advocaat die zijn werk onafhankelijk kan doen en dat hij berecht wordt door een onafhankelijk rechterlijk college. Dat op grond van verdragsrechtelijke bepalingen een aangezochte Staat, in beginsel, moet vertrouwen op de verzoekende Staat dat aan een opgeëiste persoon toekomende grondrechten (waaronder dus ook hetgeen in het EVRM wordt omschreven) worden gewaarborgd is onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de uitlevering toelaatbaar te verklaren.

BESLISSING

De rechtbank:

Heropent het onderzoek op een nader te bepalen zitting.

Geeft de officier van justitie opdracht de vordering wederom ter appointering aan te bieden op het naar het oordeel van de officier van justitie (het in de beslissing overwogene in aanmerking nemende) geëigende moment.

Houdt elke verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is aldus gedaan door mr. J.M. Hamaker, voorzitter, mr. F.J.H. Hovens en K.A.M. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Dijk griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 19 augustus 2016.