Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4609

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-08-2016
Datum publicatie
23-08-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6971
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

X was in het jaar 2010 op huwelijkse voorwaarden getrouwd met Y en enig aandeelhouder van B.V. B.V. heeft in dat jaar een boot gekocht voor € 547.400. De boot is op naam de toenmalig echtgenoot van X, Y, gezet. X noch Y heeft hiervoor een vergoeding aan B.V. betaald. Verweerder heeft eerst bij Y in verband hiermee een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 547.400 in aanmerking genomen. Vervolgens is bij X in verband hiermee een inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen van € 273.700 en is de aanslag van Y verminderd met € 273.700. Rechtbank Gelderland oordeelt dat sprake was van een vermogensverschuiving van B.V. naar X van € 547.400, dat B.V. X wilde bevoordelen en X is zich daarvan bewust geweest. X heeft vervolgens het voordeel aan Y doen toekomen. De inspecteur mocht de totale correctie op grond van de wet alsnog aan zowel X als Y, ieder voor de helft, toerekenen. X en Y hebben eerst verzocht de gehele correctie aan Y toe te rekenen nadat Y in staat van faillissement was verklaard. Y was vanwege zijn faillissement niet meer bevoegd die keuze te maken. X kon er niet op vertrouwen dat de gehele correctie aan Y zou worden toegerekend.

Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2103
V-N Vandaag 2016/1857
V-N 2016/55.1.1
Vrolijks annotatie in NTFR 2016/2609

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/6971

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 18 augustus 2016

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2010 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.481, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 273.700 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil (de aanslag). Tegelijkertijd heeft verweerder bij beschikking € 3.584 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 oktober 2015 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 19 november 2015, ontvangen door de rechtbank op 20 november 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben vóór de zitting een pleitnota ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2016.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen, tot bijstand vergezeld van drs. [A] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en

[B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is in 1998 op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Op 10 december 2014 is de echtscheiding door de rechtbank uitgesproken.

2. In het onderhavige jaar bezat eiseres alle aandelen in [C] B.V. (de B.V.). De activiteiten van de B.V. bestonden uit de in- en verkoop, alsmede im- en export en verhuur van machines en gereedschappen. De B.V. heeft in het onderhavige jaar een boot gekocht voor € 547.400. Bij aflevering is de boot bij de RDW op naam van de ex-echtgenoot van eiseres geregistreerd. Eiseres noch de ex-echtgenoot heeft ter zake van de verkrijging van de boot een vergoeding aan de B.V. gegeven. Vervolgens is de boot in 2011 weer verkocht voor € 416.500. De B.V. heeft hiervoor een factuur uitgereikt.

3. Eiseres heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.481 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil.

4. Bij brief van 16 april 2013 met als onderwerp ‘voorgenomen afwijking aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 ten name van [ex-echtgenoot] en [eiseres]’ heeft verweerder onder meer het volgende aan gemachtigde geschreven:

“Ik deel u dan ook mee dat ik de aanschaf van deze boot ad € 547.400 als uitdeling beschouw. Ik zal deze uitdeling voor de helft bij [de ex-echtgenoot] belasten en voor de helft bij [eiseres], tenzij u aangeeft dat uw cliënten een andere verdeling wensen. Ik stel u in de gelegenheid om voor 2 mei 2013 op dit voornemen te reageren. Indien ik voor 2 mei 2013 niets van u verneem, zullen de aanslagen door mij worden opgelegd zoals hierboven omschreven.”

5. In reactie op de in 4 hiervoor vermelde brief heeft gemachtigde namens eiseres en haar ex-echtgenoot verzocht geen winstuitdeling in aanmerking te nemen. Gemachtigde heeft niet aangegeven hoe de verdeling tussen eiseres en haar ex-echtgenoot zou moeten zijn indien wel een winstuitdeling in aanmerking zou worden genomen.

6. Bij brief van 6 juni 2013 met als onderwerp ‘Aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 t.n.v. [ex-echtgenoot]’ heeft verweerder aan gemachtigde geschreven dat hij het bedrag van € 547.400 als uitdeling bij de ex-echtgenoot heeft belast. Met dagtekening 3 juli 2013 is de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 (inclusief deze correctie) aan de ex-echtgenoot opgelegd. Hiertegen is bezwaar gemaakt.

7. Met dagtekening 8 mei 2014 is de aanslag vastgesteld.

8. Op 1 september 2015 is het persoonlijk faillissement van de ex-echtgenoot uitgesproken.

9. Bij brief van 6 oktober 2015 heeft verweerder naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres aan gemachtigde het volgende geschreven:

“De gemaakte afwijking betreft inkomen uit aanmerkelijk belang ad € 547.400

waarvan € 273.700 op grond van artikel 2.17 lid 3 Wet inkomstenbelasting 2001

bij uw cliënte in aanmerking wordt genomen. Over dit inkomen uit aanmerkelijk belang is bij de aanslagregeling en bezwaarbehandeling van de toenmalige echtgenoot van uw cliënt uitvoerig met u gecorrespondeerd en gesproken. Uw opmerking dat de gemaakte afwijking niet is gemotiveerd kan ik dan ook niet plaatsen. Deze afwijking is overigens ook

aangekondigd in de aan u gerichte brief van 16 april 2013 van mijn collega

(…). Zoals in deze brief vermeld betreft het de betaling van € 547.400 door [B.V.] (naam 2010) voor een boot waarvan het kenteken op naam van de toenmalige echtgenoot van uw cliënte stond.”

10. Met dagtekening 22 oktober 2015 heeft verweerder uitspraak op het bezwaar van eiseres gedaan.

11. Met dagtekening 10 november 2015 is de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 van de ex-echtgenoot verminderd vanwege het feit dat het inkomen uit aanmerkelijk belang € 273.700 lager is vastgesteld.

12. Bij brief van 4 december 2015 hebben eiseres en haar ex-echtgenoot een gezamenlijk verzoek ingediend om de gehele correctie in box 2 aan de ex-echtgenoot toe te rekenen. Bij e-mail van 9 december 2015 is namens de curator aan verweerder medegedeeld dat niet akkoord wordt gegaan met het toerekenen van de gehele correctie aan de ex-echtgenoot.

Geschil

13. In geschil is of er bij eiseres terecht een bedrag van € 273.700 als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen.

14.1.

Eiseres stelt dat, omdat tevens sprake is geweest van zakelijk gebruik bij de aanschaf van de boot, niet wordt voldaan aan de voorwaarden om een winstuitdeling in aanmerking te nemen. De uitgaven zijn niet enkel verricht met het oog op de bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder. De boot is gebruikt om zakenrelaties te ontvangen en zakelijke contractonderhandelingen en besprekingen te kunnen houden. Op het moment dat de boot is verkocht, is de opbrengst volledig bij de vennootschap terechtgekomen. Niet kan worden gezegd dat de boot of liquiditeiten definitief het vermogen van de B.V. hebben verlaten.

14.2.

Voor zover zou worden geoordeeld dat aan de voorwaarden is voldaan om een winstuitdeling in aanmerking te nemen, stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder rekening moet houden met de gezamenlijke keuze die zij en haar ex-echtgenoot bij brief van 4 december 2015 hebben gemaakt. Haar ex-echtgenoot was - ook na diens persoonlijk faillissement - bevoegd die keuze te maken. Omdat de aangifteverplichtingen na faillissement blijven doorlopen (eiseres verwijst daartoe naar een arrest van de Hoge Raad met kenmerk ECLI:NL:HR:2014:166) kan de failliete persoon ook nog zelf richting de belastingdienst optreden. Een bestuurder van een failliete B.V. blijft ook bevoegd om tegen een aanslag bezwaar te maken (eiseres verwijst naar een arrest van de Hoge Raad met kenmerk ECLI:NL:HR:2004:AO9503). Dat verweerder reeds de aanslag van de ex-echtgenoot heeft verminderd mag geen belemmering zijn. Daarnaast stelt eiseres dat zij en haar ex-echtgenoot, gelet op het feit dat zij de verdeling van verweerder niet hebben betwist, reeds in 2013 de keuze hebben gemaakt om de uitdeling voor 100% aan de ex-echtgenoot toe te rekenen.

14.3.

Eiseres stelt voorts dat verweerder de keuze heeft gemaakt om de volledige uitdeling bij de ex-echtgenoot te belasten. Dit is op 6 juni 2013 aangekondigd en de aanslag van de ex-echtgenoot is op 3 juli 2013 overeenkomstig deze aankondiging opgelegd. Eiseres en haar ex-echtgenoot hebben deze verdeling niet betwist noch hebben zij tegen de aanslag bezwaar aangetekend. Zij mochten er dan ook op vertrouwen dat dit de enige correctie zou zijn aangezien hierbij reeds het volledige te corrigeren bedrag in aanmerking is genomen.

14.4.

Ten slotte stelt eiseres dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden omdat hij - nadat door verweerder het standpunt is ingenomen dat 100% bij de ex-echtgenoot in aanmerking zou worden genomen - de correctie in de aanslag bij eiseres niet heeft gemotiveerd. Verweerder heeft daarnaast onzorgvuldig gehandeld door in eerste instantie de correctie 1,5 keer door te voeren en pas 1,5 jaar later een motivering van de correctie te geven.

15.1.

Verweerder stelt dat de ex-echtgenoot door de werking van artikel 24 van de Faillisementswet geen keuze op grond van artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet) meer kon en mocht maken, indien de boedel door die keuze zou worden geschaad. Dit zou het geval zijn. De curator heeft overigens verklaard niet akkoord te gaan met de volledige toerekening van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de ex-echtgenoot. Volgens verweerder is er dus geen gezamenlijke keuze gemaakt en worden de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen geacht bij ieder voor de helft op te komen.

15.2.

Verweerder stelt dat, gelet op eerdere aankopen van verschillende motorboten, de ex-echtgenoot een bovengemiddelde belangstelling heeft voor snelle motorboten. De juridische eigendom van de boot berustte blijkens de registratie bij de ex-echtgenoot. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de economische eigendom bij de B.V. berustte. De betaling van de boot is door de B.V. verricht. Hiermee is de B.V. verarmd met een bedrag ter grootte van het aankoopbedrag van de boot. Zowel de B.V. als de aandeelhouder moeten zich daarvan redelijkerwijs bewust zijn geweest. De boot is op grond van louter privéoverwegingen van de ex-echtgenoot aangeschaft. Tijdens een hoorgesprek met de ex-echtgenoot heeft hij toegegeven dat de boot geen enkel zakelijk belang diende. Omdat de B.V. geen eigenaar was van de boot is de omstandigheid of er zakelijke onderhandelingen hebben plaatsgevonden op de boot niet bepalend voor de zakelijkheid van de uitgave voor de boot. De uitgave is verricht ter verwerving van een pleziervaartuig welke tot het vermogen van de ex-echtgenoot van de aandeelhouder ging behoren. Overigens acht verweerder, gelet op de aard en inrichting van de boot, het gestelde zakelijk gebruik ongeloofwaardig. De bij inruil gerealiseerde verkoopopbrengst van de boot is in 2011 door de aandeelhouder gestort in de vennootschap. Hiermee is rekening gehouden bij het berekenen van de uitdeling in het jaar 2011.

Beoordeling van het geschil

Is er sprake van een winstuitdeling?

16. Van een winstuitdeling is sprake als een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de (middellijk) aandeelhouder plaatsvindt als gevolg waarvan aan het vermogen van de vennootschap enig geldbedrag of andere waarde, gedekt door de daarin aanwezige winst, ten gunste van de aandeelhouder wordt onttrokken. De omstandigheid dat de aandeelhouder die vermogensverschuiving aan een derde, die aan de aandeelhouder is gelieerd, ten goede laat komen, is daarbij niet van belang. Voor het aanwezig zijn van een uitdeling is noodzakelijk dat de vennootschap haar (middellijk) aandeelhouder als zodanig heeft willen bevoordelen en ook dat de aandeelhouder zich daarvan bewust is geweest of redelijkerwijs bewust had moeten zijn. Een dergelijke winstuitdeling behoort tot de reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 4.12, onderdeel a, van de Wet.

17. Het staat vast dat de boot in het onderhavige jaar door de B.V. is gekocht voor € 547.400 en dat kort daarna de boot op naam van de ex-echtgenoot van eiseres - als eigenaar - is geregistreerd zonder dat hij daarvoor enige vergoeding aan de B.V. heeft betaald. Evenmin is gesteld of gebleken dat de B.V. zich de economische eigendom heeft voorbehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake geweest van een vermogensverschuiving van de B.V. naar eiseres van € 547.400, heeft de B.V. eiseres willen bevoordelen en is eiseres zich daarvan bewust geweest. Eiseres heeft vervolgens het voordeel aan haar ex-echtgenoot doen toekomen. Dat de boot, naar eiseres stelt, vanuit praktisch oogpunt op naam van de ex-echtgenoot is geregistreerd en dat de boot ook zakelijk werd gebruikt, maakt niet dat geen sprake is van een uitdeling. Dat de boot in het jaar 2011 weer is verkocht en dat de opbrengst, naar eiseres stelt, ten goede van de B.V. is gekomen, maakt dit evenmin anders.

Toerekening van 50% van de winstuitdeling van € 547.400 aan eiseres

18. Eiseres was in het onderhavige jaar (enig) aanmerkelijkbelanghouder van de aandelen in de B.V. Eiseres en haar ex-echtgenoot waren het gehele jaar 2010 partner van elkaar als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet. Volgens artikel 2.17, derde lid, van de Wet wordt een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen. Volgens artikel 2.17, vierde lid, van de Wet kan de voor een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel tot stand gekomen onderlinge verhouding door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslag van de belastingplichtige en zijn partner, onherroepelijk vaststaan.

19. Verweerder heeft het voornemen gehad de correctie in eerste instantie aan zowel eiseres als haar ex-echtgenoot, ieder voor de helft, toe te rekenen. Vervolgens heeft verweerder ervoor gekozen de gehele correctie aan de ex-echtgenoot toe te rekenen. Uiteindelijk heeft verweerder besloten de correctie alsnog aan zowel eiseres als haar ex-echtgenoot, ieder voor de helft, toe te rekenen. Hiertoe was verweerder op basis van de Wet bevoegd. Eiseres en haar ex-echtgenoot hebben, totdat zij de in 12 hiervoor vermelde brief verstuurden, de tot stand gekomen onderlinge verhouding als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet niet gewijzigd. Het niet reageren op de in 6 hiervoor vermelde brief is naar het oordeel van de rechtbank geen wijziging als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet.

20. Volgens artikel 23 van de Faillissementswet verliest de schuldenaar door de faillietverklaring van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen, te rekenen van de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen. Voor verbintenissen van de schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, is de boedel niet aansprakelijk dan voor zover deze ten gevolge daarvan is gebaat (artikel 24 van de Faillissementswet). Nu de door de ex-echtgenoot gemaakte keuze om de gehele correctie bij hem in aanmerking te nemen ten gevolg zou hebben dat aan hem een navorderingsaanslag zou worden opgelegd die de boedel zou benadelen, was hij naar het oordeel van de rechtbank niet (meer) bevoegd die keuze zelf te maken. Nu vaststaat dat de curator - als degene die wel bevoegd was een dergelijke keuze te maken - heeft verklaard niet akkoord te gaan met de volledige toerekening van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de ex-echtgenoot, kan niet worden geoordeeld dat een gezamenlijke keuze gemaakt is en worden de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen geacht bij ieder voor de helft op te komen.

Schending van het vertrouwensbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidbeginsel?

21. Naar het oordeel van de rechtbank mocht eiseres er niet op vertrouwen dat de gehele correctie bij ex-echtgenoot in aanmerking zou worden genomen en dat bij eiseres geen correctie in aanmerking zou worden genomen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat verweerder onweersproken heeft verklaard dat er sprake is geweest van uitvoerig overleg tussen partijen met als doel er in den minne uit te komen maar dat, toen bleek dat sprake was van een faillissement, dit niet lukte en dat de gesprekken vervolgens zijn beëindigd. Vanaf het moment dat partijen in gesprek waren over hoe een en ander met betrekking tot de correctie(s) opgelost kon worden, kon eiseres aan de in 6 hiervoor vermelde brief en aanslag niet meer het vertrouwen ontlenen dat de correctie definitief aan haar ex-echtgenoot zou worden toegerekend.

22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. De stelling dat de correctie in de aanslag niet is gemotiveerd, kan niet leiden tot vernietiging van de aanslag.

23. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, voorzitter, mr. M.A. Dirks en mr. M.C.J.A. Huijgens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 18 augustus 2016.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 augustus 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.