Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4528

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
05/720006-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft een 27-jarige man uit Harderwijk veroordeeld voor opzettelijk brandstichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen is te duchten en voor bedreiging met zware mishandeling, gepleegd op 10 januari 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers : 05/720006-16 en tul 06/850081-12

Datum uitspraak : 12 augustus 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven te [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in Vught PPC te Vught

raadsman: mr. R. Vierhout, advocaat te Nijkerk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 juli 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 januari 2016 te Hulshorst, gemeente Nunspeet, en/of Hierden, gemeente Harderwijk, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht aan een gebouw/ (kamp)schuur (met rieten kap/dak) (genaamd [naam 1] van [naam 2] ), gelegen in een bosrijke omgeving op/aan de Hierderbeek/Hierderweg, door met een aansteker en/of een (brandende) fakkel en/of stro, althans met (een) brandba(a)r(e) stof(fen) en/of (een) brandversnellende stof(fen) (open) vuur in aanraking te brengen met de/het rieten kap/dak, althans (met een deel van) het gebouw/schuur ten gevolge waarvan voornoemd gebouw/schuur geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd gebouw/schuur en/of de zich daarin bevindende goederen en/of omliggende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 10 januari 2016 te Hulshorst, gemeente Nunspeet, en/of Hierden, gemeente Harderwijk, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend

- meermalen, althans eenmaal, (zwaaiend) met een (brandende) fakkel (met versnelde pas) op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] afgelopen/afgerend, en/of, heeft hij, verdachte,

- ( met voornoemde fakkel) zwaaiende bewegingen gemaakt richting het hoofd van

die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , en/of

- ( daarbij) (meermalen) dreigend de woorden toegevoegd :"I'm back from hell",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of - (vervolgens) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, getoond aan die [slachtoffer 2] ;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

Op 10 januari 2016 ontving de meldkamer van de politie in Apeldoorn een melding dat het [naam 2] aan de Hierderbeek 1 in Harderwijk in brand zou zijn gestoken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en nader toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 is geen bewijsverweer gevoerd. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Verdachte wilde aangevers enkel waarschuwen dat ze weg moesten gaan en hij had niet de intentie om hen te bedreigen. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte een mes bij zich had.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] namens St. [naam 2] Vermogensbeheer in Harderwijk, p. 26-27;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 48-49;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 68-69;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 juli 2016.

Feit 2

Bewijsmiddelen

Aangever [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op 10 januari 2016 in de bossen in Harderwijk aan het mountainbiken was samen met een vriend genaamd [slachtoffer 1] . Bij het [naam 2] -gebouw aangekomen, zag hij een man met het volgende signalement: blank, blond haar, tussen de 25 en 30 jaar oud, ongeveer 1.85 cm lang, met een vlossig baardje, slank postuur, een lichtblauwe spijkerbroek, een grijze hoodie en een capuchon over zijn hoofd. Aangever zag dat de man een fakkel vasthield. Vervolgens keek en liep de man in de richting van aangever en [slachtoffer 1] , waarbij hij met de brandende fakkel in de hand zwaaide en schreeuwde: ”I’m back from hell”. De afstand tussen hen en de man bedroeg toen ongeveer 10 meter. Aangever had het gevoel dat de man onder invloed van drugs of psychisch niet in orde was en hen wilde aanvallen met de fakkel.2

Aangever [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 10 januari 2016 bij het pand van de [naam 2] aan de Hierderbeek in Harderwijk een man met het volgende signalement zag: blank, ongeveer 25 jaar oud, ongeveer 1.75 meter lang, een donker blond stoppelbaardje, een grijze hoodie met een capuchon over zijn hoofd, een vale lichtblauwe spijkerbroek en met een verwilderde blik in zijn ogen alsof hij onder invloed van drugs was. In de rechterhand hield de man een fakkel, een tak met een brandende rieten kop aan het uiteinde met een doorsnee van ongeveer 20-25 cm. Aangever zag dat de man met de brandende fakkel het rieten dak van het pand van de [naam 2] aanraakte en in brand stak. Aangever riep tegen de man dat hij hiermee moest stoppen. Vervolgens zag aangever dat de man de brandende fakkel met twee handen vastpakte en in versnelde pas zwaaiend met de fakkel op hem af kwam lopen. Hij hoorde de man meerdere malen schreeuwen: “I’m back from hell”. De man bleef schreeuwen. De man naderde aangever op een afstand van ongeveer 2 meter en zwaaide daarbij met de fakkel voor het hoofd van aangever. De afstand tussen de fakkel en het hoofd van aangever was ongeveer 1 meter. Aangever was bang dat als niet direct was weggefietst, hij een klap met de fakkel had gekregen.3

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij tegen mensen heeft geschreeuwd dat ze weg moesten gaan en dat hij met een brandende fakkel in de hand, waarmee hij brand heeft gesticht in het pand van de [naam 2] , naar aangever(s) is toegegaan.4

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat verdachte, nadat hij met een brandende fakkel brand had gesticht in het [naam 2] -pand, aangevers met versnelde pas met de brandende fakkel in de hand op korte afstand heeft genaderd, dat hij met de brandende fakkel zwaaiende bewegingen in hun richting heeft gemaakt en dat hij naar hen heeft geschreeuwd. Weliswaar bestrijdt verdachte dat hij hierbij de woorden “I’m back from hell” heeft uitgesproken, de rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers te twijfelen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat beide aangevers hierover consistent en gedetailleerd hebben verklaard, evenals over de wijze waarop zij door verdachte zijn benaderd. Voorts worden hun verklaringen op voor de ten laste legging essentiële onderdelen in belangrijke mate ondersteund door hetgeen verdachte hierover heeft verklaard. Het verweer dat verdachte geen opzet had om aangevers te bedreigen, slaagt niet nu verdachte met de hierboven beschreven gedraging de kans dat aangevers zich redelijkerwijs bedreigd zouden voelen, op de koop heeft toegenomen zodat op zijn minst sprake is van voorwaardelijk opzet. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.

De verklaringen van [slachtoffer 2] , dat verdachte even later met een mes in zijn hand op hem kwam aflopen en daarbij het mes naar voren, op hem richtte, toen hij verdachte volgde, vinden geen steun in de overige bewijsmiddelen. Gelet hierop is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een mes of een puntig voorwerp heeft getoond aan [slachtoffer 2] . De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 10 januari 2016 te Hulshorst, gemeente Nunspeet, en/of Hierden, gemeente Harderwijk, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht aan een gebouw/ (kamp)schuur (met rieten kap/dak) (genaamd [naam 1] van [naam 2] ), gelegen in een bosrijke omgeving op/aan de Hierderbeek/Hierderweg, door met een aansteker en/of een (brandende) fakkel en/of stro, althans met (een) brandba(a)r(e) stof(fen) en/of (een) brandversnellende stof(fen) (open) vuur in aanraking te brengen met de/het rieten kap/dak, althans (met een deel van) het gebouw/schuur ten gevolge waarvan voornoemd gebouw/schuur geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd gebouw/schuur en/of de zich daarin bevindende goederen en/of omliggende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 10 januari 2016 te Hulshorst, gemeente Nunspeet, en/of Hierden, gemeente Harderwijk, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend - meermalen, althans eenmaal, (zwaaiend) met een (brandende) fakkel (met

versnelde pas) op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] afgelopen/afgerend, en/of, heeft hij, verdachte, - (met voornoemde fakkel) zwaaiende bewegingen gemaakt richting het hoofd van

die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , en/of - (daarbij) (meermalen) dreigend de woorden toegevoegd :"I'm back from hell", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of - (vervolgens) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, getoond aan

die [slachtoffer 2] ;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk brandstichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen is te duchten.

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met zware mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft eveneens volledige ontoerekeningsvatbaarheid en ontslag van alle rechtsvervolging bepleit.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit een verdachte betreffend PJ-rapport van 11 mei 2016, opgesteld door psycholoog drs. [naam 4] , komt onder meer naar voren dat verdachte is gediagnosticeerd met een psychotische decompensatie, waarschijnlijk in het beloop van schizofrenie. Voorts is sprake van misbruik van softdrugs en van cocaïne-afhankelijkheid in remissie. Voortvloeiend uit de psychotische decompensatie was verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde verward, angstig en motorisch onrustig. Ook was zijn realiteitstoetsing ernstig verstoord. Daar sprake is van een causaal en maximaal respectievelijk een zeer sterk verband tussen de psychotische belevingen van verdachte en de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, wordt geadviseerd om verdachte voor beide feiten volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

Bovenstaande conclusies worden in belangrijke mate gedeeld door psychiater drs. [naam 5] . Deze heeft zich in het PJ-rapport van 18 april 2016 echter onthouden van een uitspraak over de toerekeningsvatbaarheid ter zake van de ten laste gelegde bedreiging omdat verdachte dit feit ontkent.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gezien de omstandigheid dat de ten laste gelegde brandstichting en de bedreiging rond hetzelfde tijdstip en locatie hebben plaatsgevonden, volgt de rechtbank psychiater [naam 4] in zijn conclusie dat het aannemelijk is dat beide feiten uit dezelfde gemoedstoestand zijn voortgevloeid. De rechtbank zal verdachte daarom ter zake van beide feiten volledig ontoerekeningsvatbaar achten. De bewezen geachte feiten kunnen verdachte wegens een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens aldus niet worden toegerekend. Verdachte dient ter zake daarvan dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de maximale duur van 1 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit aan verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen sanctie gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- een verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 23 mei 2016;

- verdachte betreffende multidisciplinaire rapporten van drs. [naam 4] , psycholoog, gedateerd 11 mei 2016 en van drs. [naam 5] , psychiater, gedateerd 18 april 2016; en

- een verdachte betreffend reclasseringsadvies, gedateerd 27 mei 2016.

De rechtbank heeft bij de sanctieoplegging in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte met een brandende fakkel opzettelijk brand heeft gesticht in een pand van de [naam 2] in een bosrijk gebied in Hierden, waarna het pand volledig is uitgebrand en verwoest. Verdachte mag van geluk spreken dat de brand zich niet heeft verspreid naar de twee omringende panden en het omringende bos. De brand heeft grote financiële schade tot gevolg gehad. Voorts zijn diverse personen die in het bos aan het recreëren waren, getuige van de brand geweest. Tevens heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij aangevers, toen hij schreeuwend en zwaaiend met een brandende fakkel op hen kwam afgelopen.

Zoals hierboven reeds is overwogen, kunnen de bewezen geachte feiten verdachte wegens een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens niet worden toegerekend. Dientengevolge kan op grond van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht geen straf aan verdachte worden opgelegd.

Wel acht de rechtbank de oplegging van een maatregel geïndiceerd. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

Uit bovenstaande onderzoeksrapporten komt onder meer naar voren dat de bij verdachte geconstateerde verstoorde realiteitstoetsing bijdraagt aan een hoog angstniveau, dat vaak gepaard gaat met impulsiviteit en agressie. Indien verdachte niet medisch wordt behandeld, wordt de kans op enige vorm van (agressieve) recidive daarom als hoog ingeschat. Gezien de teleurstellende eerdere pogingen tot behandeling binnen een ambulant en/of minder dwingend klinisch kader, zal naar verwachting alleen een dwingender setting tot het beoogde resultaat kunnen leiden. In aanmerking genomen de ernst en de complexiteit van de geconstateerde problematiek, de ernst van de ten laste gelegde feiten en het verhoogde recidiverisico komt alleen een klinische behandeling binnen een juridisch kader in aanmerking. Geadviseerd wordt een behandeling waarin door middel van medicatie gewerkt wordt aan het uitdoven c.q. verbleken van de psychotische fenomenen waaronder het paranoïde gekleurde waansysteem. De inschatting is dat behandeling gedurende een jaar voldoende zal zijn om de psychotische fenomenen onder controle te krijgen en een verdergaande verbetering en stabilisering op alle vlakken te realiseren. Verdachte toont behandelbereidheid en is nooit adequaat behandeld in verband met zijn schizofrene stoornis. Ten tijde van het gedragskundige onderzoek blijkt dat verdachte geleidelijk aan profiteert van de medicatie die hij krijgt. Hij is minder verward en minder motorisch onrustig. Gelet hierop wordt door beide gedragsdeskundigen de maatregel tot opname in een psychiatrische kliniek voor de duur van maximaal één jaar geadviseerd. Op moment dat verdachte voldoende gestabiliseerd is, zou kunnen worden overgegaan naar een ambulant traject naast begeleid wonen. In een dergelijk traject kan verdachte nog intensief gevolgd worden door de hulpverlening.

De reclassering kan zich vinden in een eventuele artikelplaatsing, mede gelet op het advies om verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen en het herhalingsgevaar.

Gelet op de bij verdachte gediagnosticeerde stoornis, het recidivegevaar dat als hoog wordt ingeschat indien verdachte onbehandeld blijft, de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de behandelperspectieven, acht de rechtbank in navolging van bovenstaand adviezen de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de maximale duur van één jaar passend en geboden.

8 De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering na voorwaardelijke veroordeling van 18 maart 2016 in de zaak met parketnummer 06/850081-12. Verdachte is bij onherroepelijk geworden vonnis van 7 augustus 2012 van de meervoudige kamer van de rechtbank Zutphen veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling dient te worden afgewezen. Verdachte verblijft al 6 maanden in voorlopige hechtenis zodat toewijzing van de vordering geen meerwaarde heeft. Voorts zal tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf de behandeling van verdachte doorkruisen, hetgeen noch in het belang van verdachte noch in het belang van de maatschappij is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat tenuitvoerlegging van bovenstaande straf op dit moment niet passend is.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich tijdens de (verlengde) proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Nu aan verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden opgelegd, acht de rechtbank enige tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 7 augustus 2012 aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet opportuun. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 37, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde en ontslaat verdachte ter zake daarvan van alle rechtsvervolging;

 gelast dat verdachte voor de termijn van 1 (één) jaar in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst;

wijst af de vordering van de officier van justitie van 18 maart 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij onherroepelijk geworden vonnis van 7 augustus 2012 van de meervoudige kamer van de rechtbank Zutphen voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hamaker, voorzitter, mr. Prisse en mr. Van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 augustus 2016.

mr. Van Hoof is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers: 05/720006-16 en tul 06/850081-12

Uitspraak d.d.: 12 augustus 20165

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2016.

Tegenwoordig:

mr. rechter,

mr. officier van justitie,

en griffier.

De rechter/voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte,

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven te [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in Vught PPC te Vught,

is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig. Verdachte heeft ter zitting van 29 juli 2016 afstand gedaan van het recht het openbaar uitspreken van het vonnis bij te wonen.

De raadsman, mr. R. Vierhout, advocaat te Nijkerk, is wel / niet verschenen.

De voorzitter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal,

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost- Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016041611, gesloten op 25 januari 2016, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 68-69.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 62-63, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van bevindingen p. 67.

4 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 29 juli 2016.