Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4520

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
281760
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over omvang economisch claimrecht van artikel 110 Wet op het primair onderwijs (WPO) tussen gemeente en stichting rooms-katholiek onderwijs. Rechtbank oordeelt dat onderliggende grond wel onder toepassingsbereik economisch claimrecht valt, ook als grond voorheen niet eigendom van gemeente was. De delen van het gebouw die niet als school in gebruik zijn, vallen niet onder het economisch claimrecht. Het feitelijk gebruik van het gebouw als school is bepalend voor de omvang van het economisch claimrecht. Het criterium voor feitelijk gebruik wordt ook toegepast voor de omliggende gronden. Het economisch claimrecht geldt dientengevolge voor de omliggende gronden voor zover die gronden feitelijk in gebruik zijn voor onderwijsdoeleinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/281760 / HA ZA 15-220 / 357/871

Vonnis van 8 juni 2016

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE MAASDRIEL,

zetelend te Kerkdriel,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. drs. H. Nijman te 's-Hertogenbosch,

tegen

de stichting

STICHTING ROOMS-KATHOLIEK ONDERWIJS BOMMELERWAARD,

gevestigd te Hedel,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. drs. G.J. Heussen te Zeist.

Partijen zullen hierna de Gemeente en de Stichting genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 juni 2015

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 10 september 2015

  • -

    de akte uitlating na comparitie, tevens wijziging van eis van de Gemeente

  • -

    de akte uitlating na comparitie, tevens wijziging van eis in reconventie van de Stichting

  • -

    de akte uitlating van de Gemeente

  • -

    de conclusie van antwoord na wijziging van eis in conventie van de Stichting.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Na de inwerkingtreding op 1 januari 1921 van de Lager-onderwijswet 1920 zijn in de jaren twintig van de vorige eeuw in zowel Ammerzoden als Velddriel op gronden van de plaatselijke parochies lagere scholen voor rooms-katholiek onderwijs gebouwd. De Stichting is de rechtsopvolgster van de plaatselijke parochies. De scholen zijn steeds bekostigd door de Gemeente.

2.2.

De schoolgebouwen zijn in de loop der jaren herhaalde malen vernieuwd, maar staan nog steeds op dezelfde plaats. In 2009 heeft de Gemeente het initiatief genomen om op haar kosten in Ammerzoden én in Velddriel een zogenaamde brede school te realiseren, waarin tevens huisvesting wordt geboden aan buitenschoolse opvang, een peuterspeelzaal, een bibliotheek, een consultatiebureau en aan jeugdzorg. De bestaande gebouwen zijn daarbij deels gerenoveerd en deels vervangen door nieuwbouw.

2.3.

Op 15 maart 2013 hebben partijen ten behoeve van beide brede scholen een gelijkluidende vaststellingsovereenkomst gesloten in verband met een meningsverschil over de uitwerking van het zogenoemde economische claimrecht van de Gemeente, zoals dat op dit moment is vastgelegd artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs (WPO), wanneer op enig moment in de toekomst de nieuwe gebouwen - waarin dus niet alleen scholen zijn gevestigd - niet meer als school zouden worden gebruikt. De vaststellingsovereenkomsten luiden, voor zover van belang, als volgt:

overwegende

- dat partijen de totstandkoming van een ‘brede school’ in (…) nastreven waarin naast de basisschool andere gebruikers (participanten) zullen deelnemen, nader te noemen: ‘de brede school (…)’ ;

- dat de Gemeente de huisvesting (het gebouw) van de brede schoool … tot stand heeft gebracht (…);

- dat de Stichting het bevoegd gezag vormt van basisschool (…)

- dat de Gemeente de (nieuwe) huisvesting van basisschool (…) tot stand heeft gebracht als onderdeel van de brede school (…);

- dat vanuit de fucntie van brede school met meerdere voorzieningen, afspraken gemaakt moeten worden tussen de Gemeente en de Stichting over de eigendomssituatie en het beheer van het gebouw en het terrein van de brede school (…);

- dat de Stichting juridisch eigenaar is van het perceel (kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 1] ) / kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 2] ) waarop de brede school (…) is gevestigd en tevens juridisch eigenaar is van de opstallen, met dien verstande dat de Gemeente reeds juridisch eigenaar is van het gymgebouw (…)

- dat partijen beogen een situatie te bewerkstelligen als zou de Gemeente op grond van aritkel 103 lid 2 WPO de eigendom aan zich hebben gehouden van het gebouw met ondergrond en wettelijk verplichte buitenruimte;

- dat partijen een verschil van mening hebben over de mate waarin de Gemeente ingevolge de Wet op het primair onderwijs (WPO) een economisch claimrecht kan doen gelden ten aanzien van voornoemd perceel en opstallen die juridisch eigendom zijn van de Stichting;

- dat partijen het aan de rechter willen overlaten om deze principiële discussie te beslechten;

- dat partijen vooruitlopend op een gerechtelijke uitspraak een regeling willen treffen waardoor de contractsvorming met de participanten doorgang kan vinden en de brede school zo spoedig mogelijk in gebruik kan worden genomen op de wijze zoals ooorspronkelijk is beoogd;

- (…);

- (…);

- (…);

- dat partijen het om voornoemde redenen wenselijk achten dat de jurische eigendom van in ieder geval het schoolgebouw met ondergrond en de bijbehorende wettelijke ruimte wordt overgedragen aan de Gemeente, waarna de ruimten en terreindelen die voor de basisschool zijn bestemd in gebruik zullen worden gegeven aan de Stichting;

- (…)

- dat de niet voor de basisschool bestemde delen buiten de onderwijsbestemming zullen vallen en buiten toepassing van de WPO door de gemeente zullen worden verhuurd (…) aan participanten;

- dat de Stichting alsnog een financiële vergoeding zoals bepaald in deze overeenkomst voor de op basis van deze overeeenkomst over te dragen grond zal ontvangen indien in rechte komt vast te staan dat de Gemeente geen economisch claimrecht kan doen gelden ten aanzien van het betreffende perceelsgedeelte;

- dat de Stichting het resterende buitenterrein in eigendom houdt, maar die gronden of een gedeelte daarvan alsnog aan de gemeente zal overdragen voor zover in rechte komt vast te staan dat de gemeente een economisch claimrecht kan doen gelden ten aanzien van die gronden of een gedeelte daarvan.

verklaren en komen overeen als volgt:

(…)

Artikel 3: Eigendomsoverdracht

1. Partijen hebben vastgesteld dat de juridische eigendom van het perceel waarop de brede school … is gevestigd, kadastraal bekend als (…), bij de Stichting berust. De Stichting is tevens juridisch eigenaar van de opstallen die zich op dit perceel bevinden.

2. Vanwege de gewenste taakverdeling zoals omschreven in de considerans zal de juridische eigendom van de ondergrond van de accommodatie en de wettelijk verplichte buitenruimte vooralsnog voor een prijs van € 1,00 worden overgedragen aan de gemeente, onder de voorwaarden zoals opgenomen in deze overeenkomst, in het bijzonder de artikelen 4 en 5.

3. De gronden zoals bedoeld in het tweede lid zijn aangeduid op de tekening die als bijlage 1 aan deze overeenkomst is gehecht en daarvan onlosmakelijk onderdeel uitmaakt.

4. (…) Betaling van de koopprijs van € 1,00 wordt opgeschort totdat door middel van een onherroepelijke gerechtelijke uitspraak is gebleken dat de Gemeente over het economisch claimrecht beschikt ten aanzien van de betreffende gronden. Indien de uitkomst van de gerechtelijk procedure en andere is, wordt de koopprijs vastgesteld conform het bepaalde in artikel 4 lid 2 en artikel 5.

5. (…)

Artikel 4: Juridische procedure

1. Omdat partijen een principeel verschil van inzicht hebben over de vraag of de Gemeente een economisch claimrecht kan uitoefenen ten aanzien van de over te dragen gronden zoals bedoeld in artikel 3 lid 2 en het resterend buitenterrein of een gedeelte daarvan, zulen partijen deze kwestie voorleggen aan de bevoegde rechter. (…)

2. Ten aanzien van de ondergrond van de accommodatie en de wettelijk verplichte buitenruimte zoals bedoeld in artikel 3 lid 2 geldt dat de Gemeente alsnog een financiële vergoeding zal afrekenen voor de grond, een en ander zoals nader geregeld in deze overeenkomst, indien door een onherroepelijke gerechtelijke uitspraak komt vast te staan dat de Gemeente niet over het economisch claimrecht beschikt. Indien door voornoemde onherroepelijke gerechtelijke uitspraak komt vast te staan dat de Gemeente wel over het economisch claimrecht beschikt, zal er geen betaling plaatsvinden anders dan het in artikel 3 lid 2 genoemde bedrag ad € 1,00.

3. Ten aanzien van het resterend buitenterrein dat nu in eigendom van de Stichting blijft, geldt dat de (gehele of gedeeltelijke) eigendom alsnog aan de gemeente zal worden overgedragen indien door een onherroepelijke gerechtelijk uitspraak komt vast te staan dat de gemeente ten aanzien van die gronden of een gedeelte daarvan over het economisch claimrecht beschikt. De Stichting zal alsdan gehouden zijn om binnen vier weken medewerking te verlenen aan de levering van het betreffende perceelsgedeelte tegen een prijs van € 1,00. De Gemeente zal in dat geval niet gehouden zijn tot enige aanvullende financiële vergoeding ten aanzien van dat perceelsgedeelte.

4. (…)

Artikel 5: Financiële vergoeding

1. De financiële vergoeding als bedoeld in artikel 4 lid 2 wordt bepaald door taxatie van de waarde van de grond, waarbij de volgende uitgangspunten worden gehanteerd:

a. de bepaling van de grondprijs geschiedt naar het prijspeil ten tijde van de datum van ondertekening van deze overeenkomst;

b. de grond wordt gewaardeerd conform de staat waarin deze zich bevindt ten tijde van de ondertekening van deze overeenkomst;

c. de grond wordt gewaardeerd conform de bestemming “Maatschappelijke doeleinden” zoals geldend ten tijde van de ondertekening van deze overeenkomst.

(…)

(…)

Artikel 7: Gebruik buitenterrein

1. Het buitenterrein dat in eigendom wordt overgedragen aan de gemeente, wordt overeenkomstig de WPO om niet in gebruik gegeven aan de Stichting, met uitzondering van het gedeelte dat als afgeschermd speelterrein in gebruik is voor de kinderopvang.

2. Het buitenterrein als bedoeld in het eerste lid zal tevens kunnen worden gebruikt door de participanten, voor zover dit door de Gemeente met de participanten wordt overeengekomen.

3. Het resterende buitenterrein dat ingevolge deze overeenkomst in juridische eigendom blijft bij de Stichting zal gedurende het gebruik van het gebouw als brede school functioneel onderdeel uitmaken van de brede school en zowel door de Stichting als door de participanten kunnen worden gebruikt, behoudens het bepaalde in lid 4. (…)

4. De Stichting kan de juridische eigendom van het resterend buitenterrein of een gedeelte daarvan alsnog overdragen aan de Gemeente of een derde, indien uit de gerechtelijk uitspraak blijkt dat de beperkingen uit de WPO niet van toepassing zijn op het betreffende perceelsgedeelte. (…)

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De Gemeente stelt zich kort gezegd op het standpunt dat in beide gevallen het gehele gebouw met ondergrond en alle omliggende gronden vallen onder de werking van het economisch claimrecht van artikel 110 WPO zoals dat thans luidt. De Gemeente vordert, na wijziging van eis, een verklaring voor recht dat:

  1. primair: de Gemeente ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereen-komst het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) kon doen gelden ten aanzien van de aan de Gemeente overgedragen ondergrond en wettelijk verplichte buitenruimte van de brede school te Ammerzoden ( [perceel 1] ), indien de Stichting op dat moment blijvend zou ophouden het voor de school te gebruiken met als gevolg dat geen andere betaling is verschuldigd dan de overeengekomen € 1,00;
    subsidiair: de Gemeente voor de overdracht van [perceel 1] ingevolge artikel 4 lid 2 van de vaststellingsovereenkomst geen andere betaling is verschuldigd dan de overeengekomen € 1,00;
    meer subsidiair: de Gemeente reeds ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst ten aanzien van een door de rechtbank te bepalen gedeelte van [perceel 1] het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) kon doen gelden indien de Stichting op dat moment blijvend zou ophouden het voor de school te gebruiken met als gevolg dat slechts voor het overige gedeelte van het [perceel 1] een financiele vergoeding verschuldigd is ingevolg artikel 4 lid 2 en artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst;

  2. primair: de Gemeente ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereen-komst het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) kon doen gelden ten aanzien van (een gedeelte van) het resterende buitenterrein van de brede school te Ammerzoden ( [perceel 2] ) indien de Stichting op dat moment blijvend zou ophouden het voor de school te gebruiken met als gevolg dat de Stichting dit (gedeelte van het) perceel ingevolge artikel 4 lid 3 van de vaststellingsovereen-komst alsnog aan de Gemeente dient over te dragen tegen € 1,00;
    subsidiair: [perceel 2] ingevolg artikel 4 lid 3 van de vaststellingsovereenkomst aan de Gemeente dient te worden overgedragen tegen € 1,00;

  3. primair: de Gemeente ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereen-komst het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) kon doen gelden ten aanzien van de aan de Gemeente overgedragen ondergrond en wettelijk verplichte buitenruimte van de brede school te Velddriel ( [perceel 3] ), indien de Stichting op dat moment blijvend zou ophouden het voor de school te gebruiken met als gevolg dat geen andere betaling is verschuldigd dan de overeengekomen € 1,00;
    subsidiair: de Gemeente voor de overdracht voor de overdracht van [perceel 3] ingevolge artikel 4 lid 2 van de vaststellingsovereenkomst geen andere betaling is verschuldigd dan de overeengekomen € 1,00;
    meer subsidiair: de Gemeente reeds ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst ten aanzien van een door de rechtbank te bepalen gedeelte van [perceel 3] het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) kon doen gelden indien de Stichting op dat moment blijvend zou ophouden het voor de school te gebruiken met als gevolg dat slechts voor het overige gedeelte van het [perceel 3] een financiele vergoeding verschuldigd is ingevolg artikel 4 lid 2 en artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst;

  4. primair: de Gemeente ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereen-komst het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) kon doen gelden ten aanzien van (een gedeelte van) het resterende buitenterrein van de brede school te Velddriel ( [perceel 4] ) indien de Stichting op dat moment blijvend zou ophouden het voor de school te gebruiken met als gevolg dat de Stichting dit (gedeelte van het) perceel ingevolge artikel 4 lid 3 van de vaststellingsovereenkomst alsnog aan de Gemeente dient over te dragen tegen € 1,00;
    subsidiair: [perceel 4] ingevolg artikel 4 lid 3 van de vaststellingsovereenkomst aan de Gemeente dient te worden overgedragen tegen € 1,00;

een en ander met veroordeling van de Stichting in de proceskosten.

3.2.

De Gemeente baseert haar vordering op artikel 110 van de WPO. Volgens haar valt zowel de ondergrond van de brede school als de bijbehorende grond, zijnde zowel de wettelijk verplichte buitenruimte als de resterende buitenruimte, onder de reikwijdte van het daarin vastgelegde economisch claimrecht. De Gemeente betoogt in dat verband allereerst dat uit de wetsgeschiedenis van de WPO en daaraanvoorafgaande onderwijswetgeving blijkt dat het economisch claimrecht niet beperkt is tot de opstallen, maar zich ook uitstrekt tot de onderliggende grond. Voorts stelt de Gemeente dat het gehele gebouw (inclusief ondergrond) onder het toepassingsbereik van het economisch claimrecht valt, ook al wordt het gebouw niet volledig voor onderwijsdoeleinden gebruikt, omdat de WPO geen grondslag biedt om delen van een gebouw uit te zonderen. De school kan niet worden gesplitst van de rest van de accommodatie. Bovendien is de brede school op initiatief van de Stichting tot stand gekomen en leveren de overige functies, die eveneens met publieke middelen zijn gefinancierd, een positieve bijdrage aan de instandhouding van het onderwijsgebouw. De Gemeente betoogt verder dat de volledige buitenruimte onder de reikwijdte van het economisch claimrecht valt omdat er geen aanwijzingen zijn om dit te beperken tot de wettelijk verplichte buitenruimte.

Voor zover de Gemeente niet reeds op grond van de realisatie van de brede scholen een economisch claimrecht over de (gehele) grond kan doen gelden, stelt de Gemeente zich subsidiair op het standpunt dat haar het economisch claimrecht over die gronden toekomt omdat deze met publieke middelen zijn gefinancierd. Volgens de Gemeente heeft zij de (economische) eigendom van deze gronden ingebracht. De grond in Ammerzoden heeft zij in 1987 in eigendom verkregen na het inroepen van een soortgelijk claimrecht en de grond in Velddriel, die de rechtsvoorganger van de Stichting in 1967 als waarborgsom heeft ingebracht, is in de loop van de tijd door de Gemeente terugbetaald.

in reconventie

3.3.

De Stichting stelt kort gezegd dat in beide gevallen alleen het gedeelte van de brede school dat als school en als wettelijk verplichte buitenruimte in gebruik is, valt onder de werking van het economisch claimrecht. Zij vordert een verklaring voor recht dat:

  1. de Gemeente geen gronden van de Stichting kan claimen op grond van uitoefening van het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) ten aanzien van de oppervlakte met ondergrond van de brede scholen te Velddriel en Ammerzoden voor zover die meer omvat dan het oppervlak met ondergrond van vorengenoemde brede scholen dat in gebruik is als huisvesting voor de scholen van primair onderwijs die vallen onder het bevoegd gezag van de Stichting;

  2. de Gemeente geen gronden van de Stichting kan claimen op grond van uitoefening van het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) ten aanzien van de ‘resterende buitenterreinen’ die om de brede scholen te Velddriel ( [perceel 4] ) en Ammerzoden ( [perceel 2] ) zijn gesitueerd;

  3. de Stichting over het volle eigendomsrecht beschikt ten aanzien van percelen [perceel 4] en [perceel 5] ;

en, na vermeerdering van eis, voorts:

I. een verklaring voor recht dat de Stichting steeds de ondergrond onder beide brede scholen in Velddriel en Ammerzoden in volle eigendom had voor 15 maart 2013;

II. een verklaring voor recht dat de Gemeente bij uitoefening van het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) niet tevens aanspraak kan maken op de eigendom van de ondergrond van beide brede scholen en mitsdien gehouden is daarvoor een financiële vergoeding te betalen op de voet van artikel 5 van de vaststellingsovereenkomsten;

III. veroordeling van de Gemeente in de buitengerechtelijke kosten van € 50.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding.

3.4.

De Stichting baseert haar vorderingen op de navolgende stellingen. Volgens de Stichting heeft de Gemeente niet aangetoond dat ook de grond onder het economisch claimrecht valt. Het economisch claimrecht is volgens de Stichting bovendien beperkt tot zaken die met publieke middelen zijn gefinancierd. Volgens de Stichting is de betreffende grond sinds jaar en dag eigendom van (de rechtsvoorganger van) de Stichting. Na 1920 zijn de destijds bestaande scholen (opstallen) op die grond met publieke middelen verbouwd en zijn nieuwe opstallen bijgebouwd. Van met publieke middelen gefinancierde gronden is daarom volgens de Stichting geen sprake, zodat de grond ook om die reden niet onder de reikwijdte van het economisch claimrecht valt. Volgens de Stichting is het economisch claimrecht verder beperkt tot zaken die ten behoeve van onderwijsdoeleinden zijn gefinancierd. Omdat de brede scholen ook niet-onderwijsvoorzieningen omvatten, valt volgens de Stichting hooguit het gedeelte van het gebouw dat voor onderwijsdoeleinden wordt gebruikt, onder de reikwijdte van het economisch claimrecht. Wat betreft de buitenruimte betoogt de Stichting dat daaronder maximaal de wettelijk verplichte buitenruimte kan worden geschaard.

4 De beoordeling

4.1.

Zowel in conventie als in reconventie staat de vraag centraal in hoeverre de Gemeente ingevolge het huidige artikel 110 van de WPO ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomsten een economisch claimrecht zou hebben kunnen uitoefenen ten aanzien van (een gedeelte van) de percelen [perceel 2] en/of [perceel 1] (Ammerzoden) en de percelen [perceel 3] en/of [perceel 4] (Velddriel) indien de Stichting op dat moment blijvend zou hebben opgehouden de daarop gerealiseerde gebouwen als school te gebruiken.

4.2.

Wanneer de Gemeente een economisch claimrecht zou toekomen ten aanzien van (een gedeelte van) de percelen [perceel 2] in Ammerzoden en [perceel 3] in Velddriel, die beide in gebruik zijn voor de brede school en de wettelijk verplichte buitenruimte, is de Gemeente ingevolge de vaststellingsovereenkomsten nog een nader te bepalen vergoeding (naast de overeengekomen vergoeding van € 1,00) verschuldigd.

Voor zover de Gemeente een economisch claimrecht zou toekomen ten aanzien van (een gedeelte van) de percelen [perceel 1] in Ammerzoden en [perceel 4] in Velddriel, die beide in gebruik zijn als ‘resterende buitenruimte’, is de Stichting ingevolge de vaststellingsovereenkomsten gehouden (een gedeelte van) die percelen alsnog aan de Gemeente over te dragen tegen betaling van een bedrag van € 1,00.

4.3.

In hoofdstuk I, titel IV, afdeling 3 van de WPO zijn voorschriften neergelegd ten aanzien van voorzieningen in de huisvesting van scholen. Ingevolge artikel 91 van de WPO dragen de gemeenteraad of burgemeester en wethouders zorg voor de huisvesting van scholen op het grondgebied van hun gemeente. Indien de gemeente een dergelijke voorziening tot stand heeft gebracht, worden gebouw en terrein in beginsel aan het bevoegd gezag van de school in eigendom overgedragen (artikel 103, tweede lid, van de WPO). Als het bevoegd gezag van de school heeft opgehouden ‘het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan’ als school te gebruiken, is in artikel 110, vierde lid in samenhang met het eerste en tweede lid, van de WPO bepaald onder welke voorwaarde de gemeente daarvan de eigendom verkrijgt. Vereist is de inschrijving in de openbare registers van een gezamenlijke akte van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van de school dat het bevoegd gezag van de school heeft opgehouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan als school te gebruiken, dan wel de inschrijving van een onherroepelijk besluit daartoe van gedeputeerde staten van de betreffende provincie. Dit is het zogenaamde economisch claimrecht van een gemeente.

4.4.

Partijen verschillen van mening over de reikwijdte van het economisch claimrecht. Allereerst is van belang of ook de onderliggende grond onder het toepassingsbereik van het economisch claimrecht valt, indien een gemeente de eigendom van een gebouw op die grondslag verkrijgt en die gemeente, zoals hier, die grond voorheen niet in eigendom had. Het gebouw is dan dus gerealiseerd op grond van een ander, hetgeen de vraag oproept of die eigendom verloren gaat door het economisch claimrecht. Nu de tekst van artikel 110 van de WPO daarover geen uitsluitsel geeft, heeft de rechtbank aan partijen de vraag voorgelegd hoe de zinsnede in het eerste lid ‘gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan’ in dat verband moet worden uitgelegd. De Gemeente heeft in antwoord op die vraag onderbouwd gesteld dat de woorden terrein en grond als synoniem werden gebruikt in een van de voorlopers van de WPO, de Lager-onderwijswet 1920, waarin het economisch claimrecht voor het eerst was vastgelegd en dat de systematiek uit deze eerste wettelijke regeling in de opvolgende Wet op het basisonderwijs en daarna in de WPO is gehandhaafd. Aldus valt volgens de Gemeente ook de ondergrond onder het economisch claimrecht, ongeacht de oorspronkelijke eigendomsverhouding.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 83, vijfde lid, van de Lager-onderwijswet 1920 expliciet was vermeld dat de eigendom van ‘het gebouw en bijbehoorenden grond’ overgaat, in het geval dat het economisch claimrecht werd uitgeoefend. Deze bepaling is in de wet gekomen bij Wet van 25 juni 1948 (Stb I, 254). De tekst duidt erop dat een gemeente onder het economisch claimrecht bij beëindiging van het gebruik als school zowel het gebouw als de grond kon opeisen. Dit terwijl situaties zoals deze zich nu voordoen in Ammerzoden en Velddriel - waarin de scholen gebouwd zijn op gronden van de plaatselijke kerk - in die tijd bepaald geen uitzondering zullen zijn geweest. Gevoeglijk kan ervan worden uitgegaan dat als de wetgever indertijd voor die situatie iets anders voor ogen zou hebben gestaan, daarvoor een expliciete regeling zou zijn opgenomen. Daarvan is niet gebleken. Uit hetgeen de Stichting heeft aangevoerd, volgt verder onvoldoende dat dit kennelijke uitgangspunt van de wetgever sindsdien is gewijzigd. In wetsgeschiedenis en jurisprudentie zijn daarvoor ook geen aanknopingspunten te vinden. Bij die stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat ook de onderliggende grond onder het toepassingsbereik van het huidige economisch claimrecht valt als een gebouw op die grondslag in eigendom overgaat. Dit ongeacht wie deze grond bij de realisatie van het gebouw ter beschikking heeft gesteld of heeft gefinancierd. De wettekst van de WPO noch die van haar voorlopers bevat enige aanwijzing voor de stelling dat het economisch claimrecht beperkt is tot datgene wat met publieke middelen is gefinancierd. Het antwoord op de vraag wie vóór 15 maart 2013 (economisch of juridisch) eigenaar was van de percelen, kan in dit verband dan ook in het midden blijven.

4.6.

Voorts is in geschil het antwoord op de vraag of het economisch claimrecht in de onderhavige zaken de gehele gebouwen (inclusief de onderliggende grond) omvat, dus ook die delen die niet als school in gebruik zijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit de tekst van het eerste lid van artikel 110 van de WPO volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het feitelijk gebruik van het gebouw als school bepalend is voor de omvang van het economisch claimrecht. Niet in geschil is dat niet alle ruimten van de nieuw opgerichte gebouwen voor onderwijsdoeleinden worden gebruikt. Voor zover de delen van de gebouwen die niet voor onderwijsdoeleinden worden gebruikt, vatbaar zijn voor afzonderlijke eigendomsoverdracht, valt niet in te zien waarom deze door het economisch claimrecht getroffen zouden moeten worden. Daartoe zal dan wel de eigendomssituatie door splitsing en zonodig het vestigen van appartementsrechten zodanig moeten worden aangepast, dat de afzonderlijke overdracht van deze gedeeltes mogelijk is. Niet valt in te zien waarom dat niet kan gebeuren. Tegen die achtergrond kan er niet van worden uitgegaan dat het economisch claimrecht de gehele gebouwen omvat, zoals de Gemeente heeft bepleit. Zolang echter die splitsing nog niet heeft plaatsgevonden, kan de vraag welke gedeelten van de gebouwen (inclusief de toebedeelde grond) wel onder het economisch claimrecht vallen, nog niet exact worden beantwoord.

4.7.

De volgende vraag die beantwoording behoeft, is in hoeverre de omliggende grond onder het toepassingsbereik van het economisch claimrecht valt. Ook op dit punt kent de wet geen bijzondere regels. Dan lig het het meest voor de hand om aan te sluiten bij de feitelijke situatie. Dit betekent dat de omvang van het economisch claimrecht wordt bepaald door het feitelijk gebruik van het betreffende terrein. Voor zover het terrein feitelijk in gebruik is voor onderwijsdoeleinden, valt het onder de reikwijdte van het economisch claimrecht. De rechtbank volgt de Stichting dan ook niet in haar betoog dat het economisch claimrecht beperkt is tot de wettelijk verplichte buitenruimte. Daarvoor biedt de wettekst geen enkel aanknopingspunt. Het betreft bovendien enkel een minimumnorm (artikel 92, tweede lid, van de WPO). Nu uit de stellingen van partijen niet met voldoende zekerheid is af te leiden welke delen van de betreffende percelen voor onderwijsdoeleinden worden gebruikt, kan geen antwoord worden gegeven op de vraag in hoeverre de percelen onder het economisch claimrecht vallen.

4.8.

In het licht van het voorgaande kan de rechtbank op basis van de thans bij haar bekend zijnde feiten in conventie en in reconventie voor recht verklaren dat op grond van de huidige wettelijke regeling bij een buitengebruikstelling van de gebouwen als school ten tijde van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomsten, onder het economisch claimrecht van de Gemeente zouden zijn gevallen de delen van het gebouw en van de buitenruimte die feitelijk voor onderwijs werden gebruikt, alsmede de daarbij behorende ondergronden. De over en weer door partijen ingestelde vorderingen zijn veel verder strekkend, ook vanwege hun gedetailleerdheid. Zolang de eigendomsverhoudingen nog niet nader zijn geregeld, kan de rechtbank hierover geen uitspraken doen. Daarom zullen zij worden afgewezen.

Ten aanzien van de in reconventie onder 3 en I ingestelde vorderingen heeft voorts te gelden dat in het licht van de ingestelde vorderingen – die ertoe strekken duidelijkheid te krijgen over de vraag wat rechtens is wanneer de Gemeente haar economisch claimrecht zou hebben uitgeoefend – niet valt in te zien welk belang de Stichting daarbij heeft. Vanwege het ontbreken van belang daarbij, zullen deze vorderingen in reconventie daarom worden afgewezen. Datzelfde lot treft de in reconventie onder III gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, reeds omdat een grondslag voor schadevergoeding ontbreekt.

4.9.

Aangezien de partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

verklaart voor recht dat op grond van de huidige wettelijke regeling bij een buitengebruikstelling van de gebouwen in Ammerzoden en Velddriel als school ten tijde van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomsten, onder het economisch claimrecht van de Gemeente zouden zijn gevallen de delen van het gebouw en van de buitenruimte die feitelijk voor onderwijs werden gebruikt, alsmede de daarbij behorende ondergronden,

in conventie voorts

5.2.

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie voorts

5.4.

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde,

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M Vaessen, mr. M.J.P. Heijmans en mr. P.J. Elferink en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2016.

coll.: PM