Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4496

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1021
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Hogere WOZ-waardes in bezwaar bepleit kort voor de wetswijziging van 1 oktober 2015. Belang van eiser bij hogere waardes is verlenging van de renteperiode van zijn hypotheek. Uitspraak op bezwaar na de wetswijzing. Ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve herziening tot hogere waardes. Rechtbank voorziet zelf in de zaak door de hogere waardes over te nemen, nu eiser het met die waardes eens is. Schadeverzoek in verband met taxatiekosten die eiser heeft gemaakt voor zijn hypotheek. Niet toewijsbaar als proceskosten, want taxatierapport niet ingebracht in bezwaar of beroep. Ook niet toewijsbaar op grond van artikel 8:88 Awb. Beoordeling onder artikel 6:162 en 6:163 van het Burgerlijk Wetboek. Geen causaal verband tussen de te late uitspraak op bezwaar en de geleden schade. Wel causaal verband tussen de primaire WOZ-beschikking en de schade, maar niet voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW, omdat de Wet WOZ niet strekt tot bescherming tegen dit soort schade.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:88
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Wet waardering onroerende zaken
Wet waardering onroerende zaken 22
Wet waardering onroerende zaken 28
Wet waardering onroerende zaken 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2087
JB 2016/180
V-N Vandaag 2016/1821
Belastingblad 2016/442
V-N 2016/62.28
Mr. R. van den Berg annotatie in NTFR 2016/2340

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummers: AWB 16/1021 en AWB 16/2760

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2016 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rivierenland, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 13 januari 2016 op de bezwaren van eiser tegen na te noemen beschikking en aanslag.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2016.

Eiser is verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk voor zover deze betrekking hebben op de aanslag onroerende zaakbelasting;

- verklaart de beroepen gegrond voor zover deze betrekking hebben op de WOZ-waarde;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verklaart de bezwaren voor zover gericht tegen de WOZ-waarde ontvankelijk en handhaaft de WOZ-waarden zoals deze ambtshalve zijn herzien door verweerder op € 212.000 en € 21.000;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 36,68;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij beschikking van 28 februari 2015 (hierna: de beschikking) de waarde van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [A-straat 1] te [Z] (hierna: de woning), en [A-straat 2] te [Z] (hierna: de garagebox) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2014 (hierna: de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op € 193.000 en € 18.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiser opgelegde aanslag onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2015 (hierna: de aanslag).

2. Eiser is eigenaar van de woning en garagebox. Eiser heeft tegen de beschikking op 26 maart 2015 bezwaar gemaakt en – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de WOZ-waarde te laag is vastgesteld. Zijn belang bij een hogere WOZ-waarde is gelegen in het feit dat eisers hypotheekverstrekker de WOZ-waarde als uitgangspunt neemt bij de bepaling van het risico bij verlenging van de rentetermijn van de hypotheek.

3. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft verweerder de bezwaren van eiser niet-ontvankelijk verklaard met als reden dat in bezwaar geen hogere WOZ-waarde kan worden vastgesteld.

4. De rechtbank is van oordeel dat deze argumentatie ten tijde van het doen van uitspraak op bezwaar op 13 januari 2016 niet meer juist was. Op 1 oktober 2015 (Stb. 2015, 336) is immers de ‘Wet van 28 maart 2013 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken voor een verruiming van de openbaarheid van de WOZ-waarde en enkele technische aanpassingen’ (Stb. 2013, 129) gedeeltelijk in werking getreden. Met de wijziging is door de wetgever beoogd mogelijk te maken dat het bezwaar of beroep (mede) kan leiden tot een hogere WOZ-waarde dan in de beschikking of bestreden uitspraak is vervat. Deze wijziging heeft onmiddellijke werking, nu niet is voorzien in overgangsrecht. Dit betekent dat de nieuwe artikelen 28 en 29 van de Wet WOZ van toepassing zijn. Op grond hiervan heeft eiser, anders dan verweerder stelt, de mogelijkheid om in de onderhavige beroepsprocedure een hogere WOZ-waarde te bepleiten (vergelijk Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 mei 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:3034, r.o. 4.1 tot en met 4.6). Dit leidt tot de conclusie dat de bestreden uitspraak, waarbij eisers bezwaren niet-ontvankelijk zijn verklaard, niet in stand kan blijven. Daarom is deze door de rechtbank vernietigd. De beroepen zijn om die reden reeds gegrond.

5. Verweerder heeft tegelijk met de uitspraak op bezwaar gelet op artikel 27 van de Wet WOZ de WOZ-waarde van de woning en garagebox ambtshalve vastgesteld op € 212.000 en € 21.000. Eiser heeft aangegeven tegen deze waarden geen bezwaar te hebben, zodat de rechtbank zich hierbij zal aansluiten. Gelet hierop is er geen reden om terug te wijzen en heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de WOZ-waarden op deze bedragen vast te stellen.

6. Eiser heeft gesteld dat hij schade heeft geleden bestaande uit de kosten voor het laten opstellen van een taxatierapport. Die kosten had hij niet hoeven maken als verweerder de WOZ-waarde niet te laag had vastgesteld of als verweerder sneller uitspraak op bezwaar had gedaan. Nu eiser met een te lage WOZ-waarde werd geconfronteerd, moest hij zelf een taxatie laten opmaken ten behoeve van de rente-verlenging van zijn hypotheek. Het taxatierapport is door eiser niet ingebracht in bezwaar of beroep en was bij verweerder niet bekend. De rechtbank is van oordeel dat daardoor geen sprake is van proceskosten die eiser vanwege de behandeling van het bezwaar of beroep heeft moeten maken. De taxatiekosten komen daardoor niet voor vergoeding in aanmerking als proceskosten. De rechtbank heeft het verzoek aangemerkt als een verzoek om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij dient te worden onderzocht of er een causaal verband is tussen het (uitblijven van het) besluit van de gemeente en de door eiser geleden schade. Met betrekking tot de te late uitspraak op bezwaar is geen sprake van een causaal verband als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) omdat de taxatie in mei 2015 heeft plaatsgevonden en op dat moment de beslistermijn van verweerder nog niet was verstreken. Ook is geen sprake van een causaal verband tussen de taxatiekosten en het feit dat de uitspraak op bezwaar van verweerder twee weken te laat is geweest, namelijk op 13 januari 2016 in plaats van 31 december 2015.

7. Ten aanzien van de primaire WOZ beschikking is wel sprake van een causaal verband maar staat de relativiteitseis als bedoeld in artikel 6:163 van het BW aan toekenning van schadevergoeding in de weg. In artikel 6:163 van het BW is bepaald dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. De Wet WOZ is niet bedoeld voor bescherming tegen de schade die door eiser is geleden. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. De beroepsgrond van eiser over de terugwerkende kracht met betrekking tot de aanslag onroerende zaakbelasting kan op dit moment door de rechtbank niet worden beoordeeld. Verweerder heeft namelijk nog niet nagevorderd. Als verweerder daartoe besluit, staat tegen dit besluit bezwaar en beroep open.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de beroepen gegrond verklaard. Voor zover de beroepen ook betrekking zouden hebben op de aanslag onroerende zaakbelasting, zijn de beroepen niet-ontvankelijk omdat een beroep niet tot een hogere aanslag kan leiden.

10. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor de door eiser genoemde proceskosten, te weten reiskosten is verweerder, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 36,68. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.