Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4411

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
05/840764-15 + 05/861080-13 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kopje: Veroordeling tot deels voorwaardelijke werkstraffen voor twee verdachten en veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een deels voorwaardelijke werkstraf voor één verdachte voor deelname aan openlijk geweld in Pannerden in 2015.

Actualiteit: De rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft aan twee verdachten deels voorwaardelijke werkstraffen opgelegd en aan één verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een deels voorwaardelijke werkstraf.

Verdachten hebben deelgenomen aan openlijk gepleegd geweld in Pannerden in 2015. De drie verdachten zijn veroordeeld voor het slaan, schoppen en duwen van één slachtoffer en het slaan met een houten voorwerp van een ander slachtoffer. Deze laatste handeling heeft bij dat slachtoffer tot hoofdletsel geleid. De verdachte die heeft geslagen met het houten voorwerp heeft daarom een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd gekregen naast de deels voorwaardelijke werkstraf die aan elk van de verdachten is opgelegd. De verdachten moeten aan de slachtoffers schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840764-15 + 05/861080-13 (tul)

Datum uitspraak : 1 augustus 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte 1]

geboren op [verdachte 1] te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1]

Raadsman: mr. J.C.C.M. Brand, advocaat te Westervoort.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 november 2015, 11 januari 2016 en 18 juli 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 juli 2015 te [plaats] , gemeente Rijnwaarden, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [adres 2] , in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of (haar zoon) [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het eenmaal en/of meermalen slaan en/of schoppen en/of duwen en/of slaan met een (houten)

knuppel, althans hard voorwerp, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten hoofdletsel voor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft

gehad;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, waarbij door het handelen van verdachte (gebruik van de knuppel) lichamelijk letsel is ontstaan bij [slachtoffer 3] .

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte heeft geslagen met een houten knuppel/houten voorwerp.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [aangeefster] heeft bij de politie verklaard dat zij op 16 juli 2015 achter haar woning in [plaats] (gemeente Rijnwaarden) is mishandeld door verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte 2] en [medeverdachte 2] . Zij heeft daarover het volgende verklaard. Aangeefster heeft met verdachte [medeverdachte 2] , haar buurvrouw, geen goede verstandhouding. Op de genoemde dag zijn de ouders van [medeverdachte 2] , zijnde verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte 2] , uit hun auto gestapt en met versnelde pas in aangeefsters richting gelopen. [aangeefster] verklaart dat [verdachte 2] toen een knuppel in zijn hand hield. [medeverdachte 1] pakte aangeefster vast aan haar arm en zij voelde harde klappen op haar hoofd. Zij verklaart op de grond te zijn gevallen en toen meerdere klappen op haar hoofd te hebben gekregen. Haar bril was van haar hoofd gevallen.2

De zoon van aangeefster [aangeefster] , [voornaam] [slachtoffer 3] , heeft ook aangifte gedaan van mishandeling op 16 juli 2015 achter de woning van zijn moeder te [plaats] door een man en een vrouw, zijnde verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte 2] . Hij heeft daarover het volgende verklaard. Aangever heeft gezien dat verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte 2] uit hun auto stapten en op zijn moeder afliepen en dat [verdachte 2] daarbij een knuppel vasthield. [verdachte 2] sloeg en schopte zijn moeder. Zijn moeder werd daarbij vooral op haar hoofd geslagen. Aangever zag dat [medeverdachte 1] zijn moeder meermalen schopte. Daarop is aangever naar zijn moeder gelopen om haar te helpen. Aangever verklaart dat [verdachte 2] op dat moment met de knuppel op zijn hoofd sloeg en dat hij links op zijn hoofd werd geraakt, waarna hij op de grond viel. Hij verklaart tenslotte dat verdachte [medeverdachte 2] de man en de vrouw heeft geholpen.3 Het letsel van [slachtoffer 3] is vastgelegd op foto’s. Hierop is zichtbaar dat [slachtoffer 3] een bloedende hoofdwond heeft.4

Naar aanleiding van de genoemde aangiftes zijn getuigen gehoord. Getuige [getuige 1] verklaart aanwezig te zijn geweest bij de mishandeling op 16 juli 2015. Hij heeft daarover het volgende verklaard. Tussen [medeverdachte 2] en aangeefster [aangeefster] was een woordenwisseling ontstaan. Vervolgens komt een auto de straat in rijden, waar een man en een vrouw uitstappen. De vrouw, verdachte [medeverdachte 1] , en de buurvrouw, verdachte [medeverdachte 2] liepen meteen richting [aangeefster] en hem. [medeverdachte 1] gaf [aangeefster] een schop onder de benen, waarop zij op de grond viel. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] sloegen en schopten [aangeefster] . Dan komt de zoon van [aangeefster] , aangever [slachtoffer 3] , aanlopen. De man die uit de auto was gestapt, verdachte [verdachte 2] , slaat [slachtoffer 3] op zijn hoofd met een soort honkbalknuppel, waarop [slachtoffer 3] meteen op de grond valt. [verdachte 2] heeft [aangeefster] daarna ook geschopt en geslagen. [aangeefster] heeft geen geweld gebruikt.5

Daarnaast is ook getuige [getuige 2] gehoord. Hij verklaart dat hij een hoop geschreeuw hoorde tussen buurvrouw [aangeefster] en andere personen. Hij heeft het begin van de ruzie niet gezien, maar hij verklaart dat hij op een gegeven moment wel ziet dat de vader en moeder van de buurvrouw, zijnde verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte 2] , zich met het handgemeen bemoeiden en dat aangever [slachtoffer 3] het handgemeen probeerde te stoppen. Hij verklaart dat hij zag dat [verdachte 2] een houten staaf in de hand had, waarmee hij [slachtoffer 3] éénmaal op zijn hoofd heeft geslagen, waarop [slachtoffer 3] meteen op de grond viel.6

Ten slotte is getuige [getuige 3] gehoord. Hij verklaart dat hij de ruzie/het gevecht zelf niet heeft gezien. Hij verklaart wel een man te hebben zien lopen met een stok of tak in de hand. Deze man hoorde volgens hem bij ‘het kamp van de verdachte’.7

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij [aangeefster] flink heeft geduwd/haar flinke ‘gooien’ heeft gegeven. Verdachte heeft ontkend dat hij [aangeefster] heeft geschopt en dat hij haar en haar zoon [slachtoffer 3] heeft geslagen met een houten knuppel/staaf.8

De rechtbank overweegt als volgt.


Geweld is openlijk als het waarneembaar is voor publiek. Het wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust samenwerkt met één of meer anderen en daarbij zelf een ‘significante of wezenlijke bijdrage’ aan de geweldpleging levert. Hij of zij kan dit doen door zelf één of meer gewelddadige handelingen te verrichten, maar ook door het leveren van een vocale, intellectuele of andere bijdrage aan het (groeps)verband dat het geweld pleegt. Dit kan hij of zij bijvoorbeeld doen door de andere daders aan te moedigen, door mee te doen aan de organisatie van de geweldpleging, door hulpmiddelen aan te reiken of door de daders af te schermen.

Op grond van de genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging gericht tegen [aangeefster] , door haar te duwen. Dat verdachte [aangeefster] heeft geslagen met een houten voorwerp kan naar oordeel van de rechtbank niet worden bewezen, nu de verklaring van [aangeefster] daaromtrent niet door een ander bewijsmiddel wordt ondersteund. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij. Naar oordeel van de rechtbank staat op grond van de genoemde bewijsmiddelen echter wel vast dat verdachte [slachtoffer 2] met een houten voorwerp heeft geslagen. Meerdere getuigen hebben verdachte met het voorwerp in de hand gezien dan wel gezien dat hij daarmee [slachtoffer 3] sloeg. Bovendien rijmt dit met het letsel van [slachtoffer 3] . De rechtbank concludeert dat verdachte hiermee deel heeft uitgemaakt van het in groepsverband, namelijk met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] openlijk gepleegde geweld.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 16 juli 2015 te [plaats] , gemeente Rijnwaarden, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [adres 2] , in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het eenmaal en/of meermalen slaan en/of schoppen en/of duwen en [slachtoffer 2] /of slaan met een (houten)

knuppel, althans hard voorwerp, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten hoofdletsel voor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft

gehad;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dit door hem gepleegde geweld lichamelijk letsel ten gevolge heeft

5 De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte

Door de verdediging is een beroep gedaan op noodweer(exces) en bepleit dat verdachte daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe is – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte zijn eigen lijf en dat van een ander, namelijk dat van zijn vrouw en dochter, moest verdedigen tegen de aanval van aangever [slachtoffer 3] , die volgens de verdediging met een mes op hen af kwam, dan wel dat door deze aanval een hevige gemoedsbeweging is ontstaan bij verdachte waardoor hij de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet verenigbaar is met een situatie van noodweer, nu niet aannemelijk is geworden dat aangever [slachtoffer 3] met een mes op het gevecht is afgelopen en nu verdachte zelf de confrontatie heeft opgezocht en daarbij een houten voorwerp in zijn handen heeft gehouden, zodat de rechtbank deze verweren afwijst.

De feiten zijn daarom strafbaar en verdachte is een strafbare dader, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die zijn strafbaarheid van verdachte uitsluit.

6 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot het verrichten van 240 uren werkstraf, te vervangen door 120 dagen hechtenis met aftrek van de tijd in verzekeringstelling doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie heeft ook geëist dat aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden van een contactverbod met aangevers en een locatieverbod, dat ziet op het adres van aangevers, worden verbonden. Ten slotte heeft de officier van justitie geëist dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het aandeel dat slachtoffer [aangeefster] heeft in de op 16 juli 2015 ontstane situatie.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 6 juni 2016.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Bij het huis van zijn dochter is ruzie ontstaan met slachtoffer [aangeefster] , die is uitgemond in een vechtpartij, waar zowel verdachte, zijn vrouw en zijn dochter bij betrokken waren. Slachtoffer [aangeefster] is door verdachte geduwd en slachtoffer [slachtoffer 3] is door verdachte op zijn hoofd geslagen met een houten voorwerp, waardoor bij die [slachtoffer 3] letsel is ontstaan. Hiermee is een inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Dit veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en gevoelens van onrust in de maatschappij.

In het algemeen geldt als uitgangspunt dat openlijke geweldpleging wordt bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het bewezen verklaarde geweldsfeit een ernstig incident betreft, acht zij in verband met de documentatie van verdachte en diens aandeel in de geweldshandelingen een deels voorwaardelijke werkstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen. De rechtbank acht een lagere werkstraf dan door de officier van justitie is geëist passend. De rechtbank zal de door de officier van justitie gevorderde voorwaarden van een contact- en locatieverbod niet aan verdachte opleggen, omdat naar het oordeel van de rechtbank daarmee niet kan worden voorkomen dat het conflict tussen verdachte en zijn familie en [aangeefster] en haar zoon wordt beslecht. Aan de eis van de dadelijke uitvoerbaarheid wordt dan ook niet meer toegekomen.

6a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding voor het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.536,-- door [aangeefster] en een bedrag van € 600,-- door [slachtoffer 3] .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partijen [aangeefster] en [slachtoffer 3] tot betaling van het bedrag van respectievelijk € 1.536,-- en € 600,-- toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 respectievelijk 12 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft ten slotte verzocht de vorderingen hoofdelijk op te leggen, zodat verdachte niet meer tot vergoeding wordt gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader(s) is of wordt voldaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen af te wijzen, in verband met het door hem bepleite ontslag van rechtsvervolging, dan wel te matigen gelet op hun eigen aandeel.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 936,-- (zijnde de kosten voor de bril) schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het meer gevorderde, zijnde de immateriële schade à € 600,-- zal de benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Immers, het eigen aandeel van het slachtoffer is niet eenvoudig vast te stellen.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader(s) is of wordt voldaan.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 16 juli 2015.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]
Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot het gevorderde bedrag van € 600,-- schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader(s) is of wordt voldaan.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 16 juli 2015.

6b. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van 12 dagen gevangenisstraf die door de politierechter van rechtbank Gelderland op 26 september 2013 voorwaardelijk is opgelegd.
De verdediging heeft verzocht om de vordering af te wijzen nu deze ziet op een bewezenverklaarde diefstal door twee of meer verenigde personen en daarmee een ander feit betreft dan de openlijke geweldpleging in onderhavige zaak.

Bewezen is dat verdachte zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Het feit waarvoor de voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd waarvoor de tenuitvoerlegging wordt gevraagd is een diefstal door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit waarvoor veroordeelde nu wordt veroordeeld een openlijke geweldpleging betreft. Voor dat laatste feit wordt geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan veroordeelde opgelegd. Gelet daarop wijst de rechtbank de vordering af.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14g, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde voorts tot een werkstraf gedurende 150 (honderdvijftig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de werkstraf groot 50 (vijftig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 936,-- (negenhonderdzesendertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 936,-- (negenhonderdzesendertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 18 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 600,-- (zeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening] en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij , een bedrag te betalen van € € 600,-- (zeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 12 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Wijst af de vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van de aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 12 dagen, hem opgelegd bij vonnis van de politierechter d.d. 26 september 2013.

Dit vonnis is gewezen door mr. [voorzitter] (voorzitter), mr. [rechter 1] en mr. [rechter 2] , rechters, in tegenwoordigheid van mr. [griffier] , griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 augustus 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door hoofdagent van politie [verbalisant] van de eenheid Oost Nederland, district Gelderland-Midden, Basisteam Arnhem-Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015400675, gesloten op 20 augustus 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 32-33.

3 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 69-70.

4 De waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 18 juli 2016.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 44-45.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 46.

7 Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris getuige [getuige 3] , d.d. 21 maart 2016.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 3] , p. 61-62 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 januari 2016.