Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4390

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4218
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:6971, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Tarief combikaarten transferium. Eiseres exploiteert vier Parkeer- & Reis-locaties (transferia). Bezoekers van deze transferia krijgen bij het inrijden een inrijkaart, die naar believen binnen een uur na ontvangst kan worden ingewisseld voor een combikaart. Met een combikaart kunnen maximaal vijf personen de gehele dag gebruik maken van het gemeentelijke openbaar vervoer. De combikaart doet tevens dienst als uitrijkaart voor het transferium. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de uitgifte van de combikaarten een dienst is waarop het verlaagde omzetbelastingtarief van toepassing is. De rechtbank oordeelt dat voor de modale consument het parkeren de hoofddienst vormt en het openbaar vervoer naar het centrum een bijkomende dienst die is bedoeld om de hoofdprestatie aantrekkelijker te maken. De uitgifte van combikaarten is daarom belast tegen het algemene tarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2061 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2016/1829
V-N 2016/53.2.6
Drs. M.J.M.A. Toet annotatie in NTFR 2016/2323

Uitspraak

Rechtbank Gelderland

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: ARN 15/4218

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 augustus 2016 in de zaak tussen

Gemeente Utrecht te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft over het tijdvak januari 2014 aan eiseres een teruggaafbeschikking omzetbelasting afgegeven (de teruggaafbeschikking).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de teruggaafbeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiseres.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2016 te Arnhem. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door stagiaire [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [gemachtigde] , mr. [B] en mr. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert in het onderhavige tijdvak onder meer vier Parkeer- & Reis-locaties (transferia), te weten: [E] , [F] , [G] en [H] . Bezoekers van deze transferia krijgen bij het inrijden een inrijkaart, die naar believen binnen een uur na ontvangst kan worden ingewisseld voor een combikaart.

2. Met een combikaart kunnen maximaal vijf personen de gehele dag gebruik maken van het gemeentelijke openbaar vervoer binnen de gemeente Utrecht. De combikaart doet tevens dienst als uitrijkaart voor het transferium.

3. Het parkeertarief bij de transferia bedraagt € 4,50. Het tarief van de combikaart bedraagt in 2014 € 5.

4. Het openbaar vervoer werd tot december 2013 verzorgd door [D] . Per combikaart bracht [D] een bedrag van € 3,29 in rekening aan eiseres. Vanaf december 2013 wordt het vervoer verzorgd door [I] .

5. Bij de transferia kan geen los kaartje worden gekocht voor het openbaar vervoer. Wel kan er rechtstreeks aan de vervoerder worden betaald.

6. Uit onderzoek is gebleken dat in 2013 50% van de bezoekers van transferium [E] de inrijkaart heeft ingewisseld voor een combikaart.

7. [E] verschilt in zoverre van de overige transferia dat in de directe omgeving van [E] veel gratis parkeerplaatsen zijn.

8. Bij brief van 13 juli 2009 heeft verweerder met betrekking tot het transferium [E] aan eiseres meegedeeld dat zij volgens hem met het verstrekken van combikaarten één samengestelde prestatie verricht met als hoofdprestatie het aanbieden van vervoer. Het gelegenheid geven tot parkeren zou een bijkomende prestatie zijn, zodat op de gehele prestatie het verlaagde tarief van toepassing zou zijn.

9. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 januari 2012, C-117/11 (Purple Parking, ECLI:EU:C:2012:29) is verweerder teruggekomen op zijn voormelde standpunt. Bij brief van 19 april 2013 deelt verweerder mee dat hij zich op het standpunt stelt dat sprake is van één samengestelde prestatie waarbij het gelegenheid geven tot parkeren de hoofdprestatie is en het aanbieden van vervoer de bijkomende prestatie. Met ingang van 1 januari 2014 moet eiseres over de verkoop van de combikaarten omzetbelasting voldoen naar het algemene tarief.

10. Eiseres heeft over het tijdvak januari 2014 naar het algemene tarief op aangifte omzetbelasting voldaan over de opbrengsten uit de combikaarten.

11. Bij de teruggaafbeschikking is een teruggaaf van omzetbelasting verleend van
€ 135.244. In bezwaar verzoekt eiseres een aanvullende teruggaaf van € 7.147.

Geschil
12.In geschil is of eiseres met de uitgifte van de combikaarten een dienst heeft verricht als bedoeld in artikel 9, tweede lid, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) waarop het verlaagde omzetbelastingtarief van 6% van toepassing is.

13. Primair stelt eiseres zich op het standpunt dat sprake is van een ondeelbare vervoersprestatie als bedoeld in post b, 9 van Tabel I behorende bij de Wet OB waarop het verlaagde omzetbelastingtarief van 6% van toepassing is. Zij voert daartoe aan dat het parkeren en het vervoer naar de stad zodanig nauw met elkaar zijn verbonden dat deze voor de omzetbelasting als één prestatie moeten worden beschouwd, waarbij het bereiken van de binnenstad voor de modale consument voorop staat. Het wezenlijke kenmerk van de dienst is het vervoer naar het centrum. Indien de rechtbank van oordeel is dat het parkeren en het vervoer naar de stad niet zo nauw met elkaar verbonden zijn, dan is niettemin sprake van één prestatie. Het vervoer naar de stad moet dan worden beschouwd als de hoofdprestatie en het parkeren als een bijkomende prestatie.

14. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat sprake is van twee afzonderlijke prestaties die ieder naar hun eigen tarief moeten worden belast. Splitsing kan plaatsvinden op basis van een gewogen gemiddelde waarbij eiseres 67% van de vergoeding toerekent aan het parkeren en 33% aan het vervoer. Splitsing kan ook plaatsvinden op basis van marktprijzen, aldus eiseres. Eiseres rekent in dat geval 42,9% van de vergoeding toe aan het parkeren en 57,1% aan het vervoer.

15. Meer subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat [E] anders moet worden behandeld dan de overige transferia vanwege de beschikbaarheid van gratis parkeerplaatsen aldaar. Kiest de consument er desalniettemin voor om tegen betaling te parkeren op [E] dan is het duidelijk dat het hem uitsluitend te doen is om het vervoer naar de binnenstad. Eiseres noemt dan drie mogelijkheden waarbij de teruggaaf wordt berekend.

16. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiseres één prestatie verricht bestaande uit het gelegenheid bieden tot parkeren. Het tegen een geringe meerprijs aanbieden van vervoer naar de binnenstad is een bijkomende prestatie die slechts bedoeld is om het parkeren aantrekkelijk te maken. Over de gehele vergoeding is daarom omzetbelasting verschuldigd naar het algemene tarief. Er is dan ook geen reden voor een aanvullende teruggaaf.

17. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat indien moet worden uitgegaan van twee afzonderlijke prestaties die ieder naar hun eigen tarief moeten worden belast, splitsing dient plaats te vinden op basis van de aanschafprijs van het combikaartje. Het verschil in prijs tussen een gewone parkeerkaart en een combikaart bedraagt 0,50 cent, hetgeen ziet op het aandeel vervoer in de totaalprijs. De aanvullende teruggaaf bedraagt dan maximaal 1/10 van € 7.147.

18. Meer subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat indien moet worden uitgegaan van twee afzonderlijke prestaties, bij de splitsing rekening moet worden gehouden met omzet en kostprijs op basis van een gewogen gemiddelde zodat 67% aan de parkeerprestatie kan worden toegerekend en 33% aan de vervoersprestatie. De aanvullende teruggaaf bedraagt dan maximaal 33% van € 7.147.

Beoordeling van het geschil

19. Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of met de uitgifte van combikaarten sprake is van één enkele dienst (dienst sui generis), dan wel dat sprake is van meerdere afzonderlijke diensten.

20. Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) geldt als uitgangspunt dat elke dienstverrichting normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd en dat de dienstverrichting waarbij economisch gesproken één dienst wordt verleend, niet kunstmatig uit elkaar moet worden gehaald. Vastgesteld dient daarom te worden wat de kenmerkende elementen van de dienstverlening van eiseres zijn ten einde te bepalen of eiseres aan de consument, beschouwd als een modale consument, meerdere, van elkaar te onderscheiden hoofddiensten dan wel één enkele dienst verleent. Zie r.o. 29 van het arrest van het HvJ EU van 25 februari 1999, nr. C-349/96 (Card Protection Plan Ltd.), ECLI:EU:C:1999:93, (CPP-arrest).

21. Er is met name sprake van één dienst indien één of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofddienst te vormen, terwijl één of meerdere andere elementen moeten worden beschouwd als één of meer bijkomende diensten, die het fiscale lot van de hoofddienst delen. Een dienst moet worden beschouwd als bijkomend bij een hoofddienst, wanneer hij voor de klanten geen doel op zich is, doch een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken (zie CPP-arrest r.o. 30).

22. Een combikaart geeft de consument het recht om te parkeren in één van de transferia (de parkeerdienst) en aansluitend tegen een zeer gereduceerd tarief gebruik te maken van het openbaar vervoer binnen de zones van de gemeente (de vervoersdienst). Er kunnen derhalve op zichzelf twee afzonderlijke prestaties worden onderscheiden waarvoor één vergoeding wordt gevraagd.

23. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar betoog dat het parkeren en het openbaar vervoer naar de stad zodanig nauw met elkaar zijn verbonden dat deze voor de btw als één niet te splitsen vervoersdienst moeten worden beschouwd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in de transferia ook alleen kan worden geparkeerd en dit ook feitelijk gebeurt. Ook kan vanaf de transferia gebruik worden gemaakt van het openbaar vervoer zonder te parkeren.

24. Naar het oordeel van de rechtbank verricht eiseres een hoofddienst bestaande uit het gelegenheid geven tot parkeren omdat het de modale consument van een combikaart te doen is om het parkeren. Hij heeft er immers uitdrukkelijk voor gekozen om met de auto naar [Z] te gaan in plaats van het gehele traject met het openbaar vervoer af te leggen. Aan die keuze is inherent dat de auto moet worden geparkeerd. Het hoofddoel van de consument is dan het parkeren. Men kan een parkeerplaats zoeken in het centrum, maar daarvoor geldt een hoger tarief. Degene die dit hogere tarief niet wil betalen of die niet met zijn auto door het drukke centrum wil rijden, zal zijn auto buiten het centrum parkeren. Het feit dat hij door te parkeren op het transferium de mogelijkheid krijgt die dag vrijwel kosteloos onbeperkt gebruik te maken van het openbaar vervoer, zal de hoofdprestatie van het parkeren op deze transferia voor hem aantrekkelijker maken. De rechtbank ziet geen aanleiding op grond van het enkele feit dat in de omgeving van transferium [E] ook gratis parkeerplaatsen voorhanden zijn, voor dat transferium anders te oordelen.

25. Zoals het HvJ EU in overweging 28 van het CPP-arrest heeft overwogen moet bij de beoordeling of sprake is van één of meerdere prestaties rekening worden gehouden met alle omstandigheden. De rechtbank heeft daarom mede in aanmerking genomen dat eiseres probeert om auto’s uit de binnenstad te weren en dat zij daarom het parkeren bij de transferia zo aantrekkelijk mogelijk wil maken door de combikaarten aan te bieden.

26. Uit het voorgaande volgt dat voor de modale consument het parkeren de hoofddienst vormt en het openbaar vervoer naar het centrum de bijkomende dienst, die het fiscale lot van de hoofddienst volgt. Dit betekent dat sprake van één dienst, die belast is tegen het algemene tarief. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. T. van Rij en mr. G.J. Ebbeling, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030,

6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

  4. e gronden van het hoger beroep.