Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4385

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
09-08-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5130
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Naheffing. Uitvoeringsregeling BPM versie 2015.

De wetgever heeft beoogd onderscheid te maken tussen tabel, koerslijst en taxatie. Er zijn eisen gesteld aan het taxatierapport. Deze eisen mogen er niet toe leiden dat het uitoefenen van Unierechtelijke rechten praktisch onmogelijk wordt gemaakt. Gesteld is dat geen gegevens van individuele referentievoertuigen voorhanden zijn. Verweerder heeft die gegevens ook niet overgelegd: bij de tegentaxatie zijn vraagprijzen van handelaren gebruikt. Aannemelijk is dat gegevens over inkoopprijzen betaald door wederverkopers aan niet-wederverkopers in dit geval niet voorhanden zijn. Dan mag worden uitgegaan van een koerslijst voor de bepaling van de waarde van de auto voor aftrek van schade. De 72%-regel is een tegemoetkoming in de bewijslast van de belastingplichtige en niet in strijd met het Unierecht. Eiseres maakt in dit geval een waardevermindering van 100% aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2038

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/5130

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 9 augustus 2016

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 27 januari 2015 een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) aan eiseres opgelegd van € 670.

Hiertegen heeft eiseres bij brief van 9 februari 2015, door verweerder ontvangen op 11 februari 2015, bezwaar gemaakt.

Eiseres heeft verweerder bij brief van 3 augustus 2015 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

Eiseres heeft tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar bij brief van 18 augustus 2015, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 september 2015 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft bij brief van 23 september 2015 de gronden aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2016. Namens eiseres is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. [gemachtigde] en [A] verschenen.

Verweerder heeft ter zitting nadere stukken overgelegd. Eiseres heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op [2014] een personenauto van het merk Porsche, type [B] (hierna: de auto) gekocht voor een bedrag van € 65.000 (exclusief btw en BPM). Het bouwjaar van de auto is 2014 en de kilometerstand ten tijde van de aankoop was ongeveer 12.500. De historische nieuwprijs van de auto bedraagt € 127.759 en de bruto BPM is € 17.069.

2. Op [2015] heeft eiseres aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de auto. In de berekening bij de aangifte is onder 3. bij de vraag welke methode wordt gekozen voor de vermindering op de BPM “Taxatierapport” aangekruist. Bij de aangifte is een taxatierapport van [C] B.V. (hierna: [C] ) gevoegd. Daarin is de handelsinkoopwaarde van de auto gesteld op € 64.649. Deze handelsinkoopwaarde is berekend door op de koerslijstwaarde van [D] voor margeauto’s van € 69.665 een bedrag aan schade van € 5.016 in mindering te brengen. Op basis van deze aangifte heeft eiseres € 8.637 BPM voldaan.

3. Bij brief van 26 januari 2015 heeft verweerder eiseres bericht dat het taxatierapport niet aan de gestelde eisen voldoet. Eiseres heeft daarop geantwoord dat het taxatierapport wel aan de eisen voldoet.

4. Verweerder heeft een onderzoek waardebepaling laten uitvoeren door Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). In het rapport van DRZ van 27 januari 2015 is de handelsinkoopwaarde van de auto zonder schade bepaald op € 84.624. Na aftrek van een bedrag van € 650 in verband met schade is de handelsinkoopwaarde van de auto vastgesteld op € 83.974. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald overeenkomstig de waarde die volgt uit de door eiser bij de aangifte gebruikte koerslijst van € 69.665. Verweerder heeft geen aftrek toegepast in verband met schade.

Geschil

5. In geschil is of verweerder terecht en tot het juiste bedrag een naheffingsaanslag heeft opgelegd. Daarbij is de waarde van de auto zonder aftrek van schade in geschil en eveneens of en tot welk bedrag aftrek dient plaats te vinden vanwege schade. Niet in geschil is dat verweerder een dwangsom verschuldigd is.

Beoordeling van het geschil

6. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar door verweerder. Kort nadien heeft verweerder alsnog uitspraak op bezwaar gedaan. Eiseres heeft in zoverre geen belang meer bij het beroep. Dit betekent dat het beroep, voor zover het is gericht tegen het niet beslissen op bezwaar, niet-ontvankelijk is. Wel is verweerder een dwangsom verschuldigd in verband met het niet tijdig beslissen. Eiseres heeft deze dwangsom onbetwist berekend op € 490. Uitgaande van de datum van ingebrekestelling, 3 augustus 2015, was verweerder vanaf 18 augustus 2015 in gebreke. Op 7 september 2015 heeft verweerder beslist. Dit betekent dat hij over 21 dagen een dwangsom verschuldigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 4:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de dwangsom voor de eerste veertien dagen € 20 per dag en voor de resterende zeven dagen € 30 per dag. Dit is in totaal € 490.

7. Ingevolge het derde lid van artikel 6:20 van de Awb heeft het beroep van eiseres mede betrekking op de inmiddels door verweerder gedane uitspraak op bezwaar van 7 september 2015.

8. Met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt het bedrag aan BPM op grond van artikel 10 van de Wet BPM berekend met inachtneming van een vermindering. Onder meer indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade wordt - kort gezegd - de vermindering, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, bepaald aan de hand van de taxatiewaarde, die is vermeld in een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden (artikel 10, achtste lid, aanhef en letter b, van de Wet BPM). Deze voorwaarden zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitvoeringsregeling) en de daarbij behorende Bijlage I (hierna: Bijlage I).

9. Bijlage I luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“Het taxatierapport (…) dient in ieder geval te voldoen aan de volgende voorwaarden:

(…)

3.2.

De handelsinkoopwaarde van 3 tot 5 referentiemotorrijtuigen wordt vermeld. De handelsinkoopwaarde van het referentiemotorrijtuig is de door wederverkopers betaalde inkoopprijs voor een gebruikt motorrijtuig bij koop van een niet-wederverkoper (particulier of ondernemer).

(…)

3.4.

Op basis van de handelsinkoopwaarden van de referentiemotorrijtuigen wordt gemotiveerd aangegeven welke waarde als uitgangspunt dient voor het te taxeren motorrijtuig. Indien geen van de referentiemotorrijtuigen 100% overeenkomt met het te taxeren motorrijtuig wordt een gemiddelde waarde van de 3 tot 5 referentiemotorrijtuigen aangemerkt als handelsinkoopwaarde die gebruikt wordt bij het te taxeren motorrijtuig.

3.5.

De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van de referentiemotorrijtuig wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72%. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm wordt dit gemotiveerd aangegeven gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal.

(…)”

10. Het voorgaande betekent dat bij auto’s met meer dan normale gebruiksschade eerst de waarde zonder aftrek voor schade wordt bepaald en vervolgens een aftrek voor schade plaatsvindt.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er een grond voor naheffing is, omdat het taxatierapport van [C] niet voldoet aan de vereisten die daaraan zijn gesteld in de Uitvoeringsregeling. Hij is van mening dat niet is voldaan aan het vereiste in onderdeel 3.2. van Bijlage I, omdat geen gegevens van referentievoertuigen zijn overgelegd. Ook is te veel schade gecalculeerd en is ten onrechte 100% van de herstelkosten van de schade in mindering gebracht op de waarde zonder schade, aldus verweerder.

12. Eiseres is van mening dat zij aan het in onderdeel 3.2. van Bijlage I gestelde vereiste heeft voldaan door het overleggen van een koerslijst. Hieraan liggen gegevens van meer dan drie referentievoertuigen ten grondslag. Ter zitting heeft zij daaraan toegevoegd dat de verzochte gegevens van met deze auto vergelijkbare referentievoertuigen niet te krijgen zijn en ook dat niet aangesloten dient te worden bij vraagprijzen van handelaren, maar dat dient te worden uitgegaan van de inkoopprijzen van gebruikte motorvoertuigen van wederverkopers bij koop van een niet-wederverkoper. Indien wordt vastgehouden aan de letterlijke tekst van Bijlage I, is die regeling onverbindend, omdat deze in dat geval in strijd is met het Unierecht, aldus eiseres. Voor de omvang van de schade verwijst eiseres naar het taxatierapport. Voorts heeft zij gesteld dat de Uitvoeringsregeling ten onrechte als uitgangspunt hanteert dat de waardevermindering als gevolg van schade slechts 72% bedraagt. Zij acht dit uitgangspunt in strijd met het Unierecht. Eiseres is bovendien van mening dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering van 100%.

13. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen verschillen van mening over de uitleg van onderdeel 3.2. van Bijlage I en met name de vraag of met het overleggen van een koerslijst wordt voldaan aan de voorwaarde dat de handelsinkoopwaarde van drie tot vijf referentievoertuigen wordt vermeld.

14. In de Memorie van Toelichting bij het Belastingplan 2015 (Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten, Kamerstukken II, 2014-2015, 34 002, nr. 3, pagina’s 31 en 32) is over de inhoud van de Uitvoeringsregeling onder meer het volgende vermeld:

“Momenteel heeft een belastingplichtige bij de import van een gebruikte personenauto (…) voor de vaststelling van het te betalen bedrag aan BPM ter zake van de registratie van het betrokken voertuig, de keuze tussen het gebruik van een forfaitaire tabel, een algemeen toegepaste koerslijst of een taxatierapport. In sommige gevallen waarin voor de waardebepaling gebruik is gemaakt van taxatierapporten bestaat een sterke indicatie dat gebruikte voertuigen te laag worden getaxeerd doordat de afwaardering in verband met schade op een te hoog niveau wordt vastgesteld of doordat schade wordt gefingeerd, met als gevolg dat voor die gebruikte voertuigen een te lage BPM is geheven. (…)

Met betrekking tot de BPM-heffing van gebruikte voertuigen bevat dit wetsvoorstel dan ook een aantal wijzigingen (…).

De voornaamste wijziging houdt in dat de mogelijkheid tot gebruik van een taxatierapport voor de waardebepaling wordt beperkt tot schadevoertuigen (…) en voertuigen die, vanwege de geringe mate waarin deze voertuigen in Nederland verhandeld worden, niet op koerslijsten voorkomen. De eigenaar van een dergelijk voertuig kan dus voor de waardebepaling, overeenkomstig de huidige regelgeving, kiezen tussen gebruik van de forfaitaire tabel, een koerslijst (indien het voertuig daar in wordt vermeld) of een taxatierapport. Bij andere voertuigen kan onder de gewijzigde regelgeving niet langer gebruik worden gemaakt van een taxatierapport. Bij deze andere voertuigen kan een belastingplichtige dus kiezen tussen waardering op basis van de forfaitaire tabel of een algemeen toegepaste koerslijst. Het gebruik van taxatierapporten wordt derhalve op deze wijze ingeperkt.

Deze wijziging is niet nadelig voor compliante belastingplichtigen. De werkelijke waarde van gebruikte voertuigen met niet meer dan normale gebruiksschade wordt namelijk afdoende benaderd indien gekozen wordt voor het gebruik van de koerslijst waarin onder andere de gemiddelde handelsinkoopwaarden van auto’s naar merk, type, uitvoering en leeftijd zijn opgenomen. Deze gemiddelde handelsinkoopwaarden zijn gebaseerd op een wezenlijk aantal daadwerkelijk uitgevoerde handelstransacties waardoor de koerslijsten een representatieve benadering van de werkelijke waarde opleveren. (…)

Daarnaast wordt de mogelijkheid gecreëerd om bij ministeriële regeling nadere voorwaarden te stellen aan een taxatierapport dat gebruikt kan worden voor de waardebepaling van de hierboven genoemde categorieën voertuigen. Deze nadere voorwaarden zijn het resultaat van nauw overleg met de Bovag, organisaties van gecertificeerde taxateurs (Nivre, TVM en TRV) en de Belastingdienst. (…)”

15. Deze nadere voorwaarden betreffen de voorwaarden in Bijlage I. In de regeling van de staatssecretaris van 30 december 2014, nr. IZV 2014/715M (hierna: regeling IZV 2014/715M) is daarover, voor zover thans van belang, het navolgende opgenomen:

“Alleen bij motorrijtuigen met meer dan normale gebruiksschade en incourante voertuigen mag - naast de tabel of de koerslijst - de waarde voor de BPM bij eerste registratie in het kentekenregister worden vastgesteld op basis van een taxatierapport. (…) Daarbij worden aan dat taxatierapport nadere eisen gesteld (…)

In de UR BPM 1992 worden voorwaarden opgenomen waaraan het taxatierapport moet voldoen om als basis te kunnen dienen voor de waardevaststelling die gebruikt wordt bij de berekening van de verschuldigde BPM. Deze nadere voorwaarden zijn het resultaat van een nauwe samenwerking met de Bovag, organisaties van gecertificeerde taxateurs en de Belastingdienst. De voorwaarden zijn gebaseerd op uitgangspunten die gecertificeerde taxateurs in de praktijk toepassen. Het stellen van voorwaarden aan het taxatierapport wordt wenselijk geacht om meer eenheid te creëren in de taxatierapporten en de in die rapporten gehanteerde berekeningsmethoden om de werkelijke waarde van een motorrijtuig te bepalen. Dit geeft meer duidelijkheid voor alle betrokkenen en draagt bij aan een transparante controlemethodiek. (…)”

16. Uit beide citaten kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd een duidelijk onderscheid te maken tussen de drie methodes voor het vaststellen van de waardevermindering van gebruikte auto’s, te weten: de afschrijvingstabel, een koerslijst en een taxatierapport. Daarbij zijn eisen gesteld aan de inhoud van een taxatierapport.

17. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 februari 2001, nr. C-393/98, ECLI:EU:C:2001:109 (Gomes Valente) mag de uit een andere EU-lidstaat overgebrachte auto niet worden onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van de gelijksoortige, reeds in Nederland geregistreerde gebruikte auto. Dit kan worden bewerkstelligd door de eigenaar van een ingevoerd voertuig de mogelijkheid te geven de toepassing van een forfaitaire tabel aan te vechten. Er moet, gezien het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8649, een reële mogelijkheid worden geboden tot het leveren van tegenbewijs, zodat voorkomen wordt dat op de auto te veel belasting rust.

18. Naar het oordeel van de rechtbank is het stellen van eisen aan taxatierapporten in het licht van het voorgaande niet per definitie in strijd met het Unierecht, zolang deze eisen er niet toe leiden dat het uitoefenen van de Unierechtelijke rechten praktisch onmogelijk wordt gemaakt. In dat geval zijn de eisen in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel.

19. Uit de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis blijkt dat de eisen die gesteld worden aan taxatierapporten er met name toe strekken te voorkomen dat de afwaardering in verband met schade op een te hoog niveau wordt vastgesteld of dat rekening wordt gehouden met gefingeerde schade en voorts om meer eenheid in gehanteerde berekeningsmethoden te bewerkstelligen. De eisen dragen bij aan een transparante controlemethodiek en beogen niet om belemmeringen op te werpen aan belastingplichtigen om de juiste waarde van de auto te bepalen. Hiermee is een voldoende rechtvaardiging voor het stellen van de eisen gegeven.

20. In een situatie waarin het voor een belastingplichtige niet onmogelijk of uiterst moeilijk is om bij het doen van de aangifte te voldoen aan het vereiste de handelsinkoopwaarden van drie tot vijf referentievoertuigen te vermelden, is dit vereiste niet in strijd met het Unierecht. Eiseres heeft in dit geval echter gemotiveerd gesteld dat dergelijke gegevens in zijn algemeenheid niet voorhanden zijn, en in dit geval te meer niet vanwege de exclusiviteit van de auto. Verweerder heeft dit bestreden.

21. Nu in dit geval sprake is van een naheffingsaanslag, draagt verweerder de bewijslast van de juistheid van de naheffing, in ieder geval voor zover het de waarde van de auto in onbeschadigde staat betreft (vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4640 r.o. 4.5). Dit brengt mee dat verweerder aannemelijk dient te maken dat er gegevens van referentieauto’s voorhanden zijn, die leiden tot een andere uitkomst, en dat door gebruikmaking van de koerslijst te weinig BPM is voldaan. Verweerder is hierin niet geslaagd. Daarbij is met name van belang dat ook de door DRZ gehanteerde referenties niet voldoen aan de eisen die Bijlage I stelt. In het rapport van DRZ zijn niet door wederverkopers betaalde inkoopprijzen voor gebruikte motorrijtuigen bij koop van een niet-wederverkoper (particulier of ondernemer) vermeld, maar is gebruikgemaakt van vraagprijzen van handelaren op internet. Daar komt bij dat DRZ niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hieruit de handelsinkoopwaarde dient te worden afgeleid.

22. Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat in dit geval geen gegevens van referentievoertuigen als bedoeld in onderdeel 3.2 van Bijlage I beschikbaar waren. In dat geval dient eiseres in de gelegenheid te worden gesteld zich te beroepen op de koerslijst om zo goed mogelijk de waarde van referentievoertuigen te onderbouwen. Immers in de Memorie van Toelichting is bevestigd dat de koerslijsten een representatieve benadering van de werkelijke waarde opleveren. Uit de wetsgeschiedenis kan niet afgeleid worden dat de wetgever zich op het standpunt heeft gesteld dat gegevens uit koerslijsten niet bruikbaar zijn wanneer gekozen wordt voor een taxatie (zie ook het citaat in r.o. 4.12 van voormelde uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2016).

23. Aldus uitgelegd gaat de voorwaarde die is gesteld in onderdeel 3.2 van Bijlage I niet verder dan de wetgever gelet op de hiervoor omschreven doelen noodzakelijk kon achten. Daarmee is - naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is - dit onderdeel niet in strijd met het recht van de Europese Unie, in het bijzonder het doeltreffendheidsbeginsel.

24. Gelet op het voorgaande voldoet het taxatierapport in dit opzicht aan de daaraan gestelde eisen. Daarom dient de handelsinkoopwaarde van de auto voor aftrek van schade te worden vastgesteld op € 69.665.

25. Met betrekking tot de schade overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de bewijslast ter zake van de omvang van de schade op eiseres rust. Eiseres heeft schade tot een bedrag van € 5.016 gesteld en onderbouwd met verwijzing naar het rapport van [C] . Deze schade is voor het grootste deel gemotiveerd bestreden door verweerder met verwijzing naar het rapport van DRZ. In het rapport van DRZ is slechts rekening gehouden met een bedrag van € 650.

26. Tussen partijen is in geschil wat als schade dient te worden beschouwd. Voor zover DRZ schade niet heeft vastgesteld, rust de bewijslast, en daarmee het bewijsrisico, bij eiseres. Dit betreft onder meer een kras in de voorruit en steenslag, die door DRZ als gebruikssporen zijn bestempeld en deels door DRZ niet aangetroffen zijn. Eiseres heeft gesteld dat de Belastingdienst zich in de regel conformeert aan het innameprotocol dat wordt gehanteerd voor leaseauto’s en dat op grond van dit innameprotocol een kras in de voorruit en steenslag bij auto’s met minder dan 100.000 gereden kilometers als schade worden beschouwd. Verweerder heeft betwist dat hij hiervan in de regel gebruikmaakt. Eiseres heeft haar stelling niet verder onderbouwd. Reeds om die reden is verweerder hieraan bij de beoordeling van de schade niet gebonden. Ook voor het overige komt aan het innameprotocol naar het oordeel van de rechtbank geen waarde toe, nu niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat in de koerslijst alleen auto’s zijn opgenomen die op grond van de criteria van het innameprotocol als auto’s zonder schade hebben te gelden. Het innameprotocol is immers voor een ander doel samengesteld.

27. Nu verweerder een aantal schadeposten gemotiveerd heeft betwist, en niet zonder meer kan worden gezegd dat deze door [C] opgevoerde posten meer dan normale gebruikssporen betreffen, dient het bewijsrisico voor eiseres te blijven en wordt bij de waardebepaling met de door DRZ niet meegetelde schade geen rekening gehouden.

28. Voorts is er door [C] met een aanzienlijk hoger uurtarief gerekend dan door DRZ. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat een uurtarief van € 83 voor de onderhavige auto - een vrij nieuwe auto uit het luxe segment - niet bovenmatig is en dat het uurtarief van € 45 dat DRZ heeft gehanteerd te laag is.

29. Uitgaand van de door verweerder geaccepteerde schade en het door eiseres gehanteerde uurtarief kunnen de herstelkosten van de schade als volgt worden berekend. De post arbeidskosten bedraagt in het rapport van DRZ € 484. Bij een uurtarief van € 45 zijn dit bijna elf uren. Vermenigvuldigd met € 83 bedragen de arbeidskosten € 892,71. De overige kosten zijn € 178,17. In totaal belopen de herstelkosten daarmee € 1.070,88 exclusief btw. In navolging van de hiervoor genoemde uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2016 (r.o. 4.19) ziet de rechtbank aanleiding dit bedrag te vermeerderen met btw, nu wordt uitgegaan van de inkoopwaarde van de auto van een particulier en de btw voor een particulier kosten zijn. Dit betekent dat de totale herstelkosten worden bepaald op € 1.296.

30. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord hoe hoog de waardevermindering van de auto als gevolg van deze schade is. Partijen zijn het erover eens dat de bewijslast ook op dit punt op eiseres rust. Zoals de rechtbank al vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:656) is het in zijn algemeenheid aannemelijk dat niet elke euro die aan schadeherstel wordt besteed leidt tot een waardevermeerdering van een auto met een euro. Omgekeerd betekent dit ook dat niet automatisch elke euro aan kosten tot een waardevermindering van de auto met een euro leidt. De vergelijking met de civielrechtelijke jurisprudentie ter zake van schadevergoeding gaat niet op, nu niet de schade, maar de waarde van de auto dient te worden vastgesteld. In dat licht acht de rechtbank het juist dat de Uitvoeringsregeling als uitgangspunt niet van 100% waardevermindering uitgaat.

31. De inhoud van de Uitvoeringsregeling, zoals die per 1 januari 2015 luidt, is blijkens voornoemde Memorie van Toelichting het resultaat van nauw overleg met de Bovag, organisaties van gecertificeerde taxateurs en de Belastingdienst. Het percentage van 72 is blijkens de toelichting in de regeling IZV 2014/715M bepaald aan de hand van in de schadeherstelbranche gangbare en door het Verbond van Verzekeraars geaccepteerde calculatiesystemen. De norm is tot stand gekomen op basis van door het Verbond van Verzekeraars verzamelde gegevens betreffende schadegevallen (2013-2014) van alle merken, typen en leeftijden van motorrijtuigen. Bovendien laat de Uitvoeringsregeling ruimte om uit te gaan van een hogere waardevermindering. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering hoger is dan 72%, dient dit gemotiveerd aangegeven te worden, gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal. Gelet hierop moet de bepaling dat wordt uitgegaan van 72% worden beschouwd als een tegemoetkoming in de bewijslast, niet als een beperking. Er is sprake van een begunstigend bewijsvermoeden. De belastingplichtige kan een hoger percentage aannemelijk maken. Om die reden acht de rechtbank deze bepaling toelaatbaar en niet in strijd met het Unierecht.

32. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of eiseres een hogere waardevermindering dan 72% aannemelijk heeft gemaakt. Zij is van oordeel dat dit het geval is. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat sprake is van een jonge auto met weinig kilometers in het exclusieve segment. Aannemelijk is dat een koper van de auto verwacht dat deze in een staat verkeert vergelijkbaar met nieuw. Evenals Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 14 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2998, acht de rechtbank dit relevante omstandigheden op grond waarvan aannemelijk is dat van een hoger percentage, zelfs 100%, kan worden uitgegaan. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat ook DRZ 100% van de door haar berekende schade in aftrek heeft gebracht.

33. Gelet op het voorgaande dient de handelsinkoopwaarde van de auto te worden vastgesteld op € 68.369 (zijnde € 69.665 -/- € 1.296). Uitgaand van een historische nieuwprijs van € 127.759 bedraagt de afschrijving 46,49%. De bruto BPM bedraagt € 17.069. Verschuldigd is aldus € 9.133. Op aangifte is € 8.637 voldaan. Dit leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag tot € 496. Het beroep is derhalve gegrond.

34. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.238 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot € 496;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    stelt vast dat verweerder aan eiseres een dwangsom heeft verbeurd van € 490;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.238;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. J.J. Catsburg en mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kranenbarg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 9 augustus 2016

de griffier is buiten staat deze uitspraak

te ondertekenen

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.