Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4383

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
09-08-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5139
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Naheffing. Uitvoeringsregeling BPM versie 2015.

In geschil is de aftrek in verband met schade. De 72%-regel is een tegemoetkoming in de bewijslast van de belastingplichtige en niet in strijd met het Unierecht. Eiseres maakt in dit geval een waardevermindering van 100% aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2038
V-N Vandaag 2016/1788
V-N 2016/53.24.6
Rolleman annotatie in NTFR 2016/2418

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/5139

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 9 augustus 2016

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 17 februari 2015 een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) aan eiseres opgelegd van € 1.542.

Hiertegen heeft eiseres bij brief van 19 maart 2015, door verweerder ontvangen op 20 maart 2015, bezwaar gemaakt.

Eiseres heeft verweerder bij brief van 3 augustus 2015 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

Eiseres heeft tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar bij brief van 18 augustus 2015, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 september 2015 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Bij brief van 5 oktober 2015 heeft eiseres de gronden aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2016. Namens eiseres is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. [gemachtigde] en [A] verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op [2014] in Duitsland een personenauto van het merk Porsche, type [B] (hierna: de auto) gekocht. Het bouwjaar van de auto is 2014 en de kilometerstand ten tijde van de aankoop was 8.625. De historische nieuwprijs van de auto bedraagt € 153.897 en de bruto BPM is € 36.566.

2. Op [2015] heeft eiseres aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de auto. In de berekening bij de aangifte is onder 3. bij de vraag welke methode wordt gekozen voor de vermindering op de BPM “Taxatierapport” aangekruist. Bij de aangifte is een taxatierapport van [C] B.V. gevoegd. Daarin is de handelsinkoopwaarde van de auto gesteld op € 77.704. Deze handelsinkoopwaarde is berekend door op de koerslijstwaarde van [D] voor margeauto’s van € 84.220 een bedrag aan schade van € 6.516 in mindering te brengen.

3. Verweerder heeft eiseres bij e-mailbericht van 4 februari 2015 bericht dat het taxatierapport niet aan de gestelde eisen voldoet. Bij e-mailbericht van 6 februari 2015 heeft eiseres daarop gereageerd en gegevens van drie vergelijkbare voertuigen overgelegd.

4. Verweerder heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag de handelsinkoopwaarde voor de auto vastgesteld op € 84.220 overeenkomstig de koerslijstwaarde. Verweerder heeft hierbij geen rekening gehouden met een bedrag aan schade.

Geschil

5. In geschil is of verweerder terecht en tot het juiste bedrag een naheffingsaanslag heeft opgelegd. Na gedeeltelijke overeenstemming ter zitting is niet meer in geschil dat de waarde van de auto zonder aftrek vanwege schade € 84.220 bedraagt. Evenmin is de hoogte van de in aanmerking te nemen herstelkosten van de schade nog in geschil, slechts de waardevermindering die daaruit voortvloeit. Ook is niet in geschil dat verweerder een dwangsom verschuldigd is.

Beoordeling van het geschil

6. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar door verweerder. Kort nadien heeft verweerder alsnog uitspraak op bezwaar gedaan. Eiseres heeft in zoverre geen belang meer bij het beroep. Dit betekent dat het beroep, voor zover het is gericht tegen het niet beslissen op bezwaar, niet-ontvankelijk is. Wel is verweerder een dwangsom verschuldigd in verband met het niet tijdig beslissen. Eiseres heeft deze dwangsom onbetwist berekend op € 520. Uitgaande van de datum van ingebrekestelling, 3 augustus 2015, was verweerder vanaf 18 augustus 2015 in gebreke. Op 8 september 2015 heeft verweerder beslist. Dit betekent dat hij over 22 dagen een dwangsom verschuldigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 4:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de dwangsom voor de eerste veertien dagen € 20 per dag en voor de resterende acht dagen € 30 per dag. Dit is in totaal € 520.

7. Ingevolge het derde lid van artikel 6:20 van de Awb heeft het beroep van eiseres mede betrekking op de inmiddels door verweerder gedane uitspraak op bezwaar van 8 september 2015.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er grond voor naheffing is, omdat eiseres ten onrechte de volledige gecalculeerde schade in mindering heeft gebracht op de waarde van de auto. De Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitvoeringsregeling) neemt sinds 1 januari 2015 als uitgangspunt dat de waardevermindering als gevolg van schade 72% bedraagt. Eiseres heeft het meerdere volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt.

9. Eiseres heeft de juistheid van de uitgangspunten zoals opgenomen in Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling betwist. Zij heeft gesteld dat de Uitvoeringsregeling ten onrechte als uitgangspunt hanteert dat de waardevermindering als gevolg van schade slechts 72% bedraagt. Zij acht dit uitgangspunt in strijd met het Unierecht. Eiseres is bovendien van mening dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering van 100%.

10. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de bewijslast ter zake van de waardevermindering als gevolg van schade op eiseres rust. Zoals de rechtbank al vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:656) is het in zijn algemeenheid aannemelijk dat niet elke euro die aan schadeherstel wordt besteed leidt tot een waardevermeerdering van een auto met een euro. Omgekeerd betekent dit ook dat niet automatisch elke euro aan kosten tot een waardevermindering van de auto met een euro leidt. De vergelijking met de civielrechtelijke jurisprudentie ter zake van schadevergoeding gaat niet op, nu niet de schade, maar de waarde van de auto dient te worden vastgesteld. In dat licht acht de rechtbank het juist dat de Uitvoeringsregeling als uitgangspunt niet van 100% waardevermindering uitgaat.

11. De inhoud van de Uitvoeringsregeling, zoals die per 1 januari 2015 luidt, is blijkens de Memorie van Toelichting bij het Belastingplan 2015 (Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten, Kamerstukken II, 2014-2015, 34 002, nr. 3, pagina 32) het resultaat van nauw overleg met de Bovag, organisaties van gecertificeerde taxateurs en de Belastingdienst. Het percentage van 72 is blijkens de toelichting in de regeling van de staatssecretaris van 30 december 2014, nr. IZV 2014/715M, bepaald aan de hand van in de schadeherstelbranche gangbare en door het Verbond van Verzekeraars geaccepteerde calculatiesystemen. De norm is tot stand gekomen op basis van door het Verbond van Verzekeraars verzamelde gegevens betreffende schadegevallen (2013-2014) van alle merken, typen en leeftijden van motorrijtuigen. Bovendien laat de Uitvoeringsregeling ruimte om uit te gaan van een hogere waardevermindering. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering hoger is dan 72%, dient dit gemotiveerd aangegeven te worden, gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal. Gelet hierop moet de bepaling dat wordt uitgegaan van 72% worden beschouwd als een tegemoetkoming in de bewijslast, niet als een beperking. Er is sprake van een begunstigend bewijsvermoeden. De belastingplichtige kan een hoger percentage aannemelijk maken. Om die reden acht de rechtbank deze bepaling toelaatbaar en niet in strijd met het Unierecht.

12. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of eiseres een hogere waardevermindering dan 72% aannemelijk heeft gemaakt. Zij is van oordeel dat dit het geval is. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat sprake is van een jonge auto met weinig kilometers in het exclusieve segment. Aannemelijk is dat een koper van de auto verwacht dat deze in een staat verkeert vergelijkbaar met nieuw. Evenals Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 14 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2998, acht de rechtbank dit relevante omstandigheden op grond waarvan aannemelijk is dat van een hoger percentage, zelfs 100%, kan worden uitgegaan. Verweerder heeft daartegen slechts ingebracht dat het spuitwerk kennelijk af fabriek al matig was en dat dit een aanwijzing is dat een koper niet zulke hoge eisen zal stellen. Met die stelling heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank echter niet onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de gemiddelde consument daarmee bij deze auto genoegen zal nemen. Daarmee heeft verweerder onvoldoende betwist dat de waardevermindering op 100% van de herstelkosten kan worden gesteld.

13. Gelet op het voorgaande dient het beroep voor zover dit is gericht tegen de uitspraak op bezwaar gegrond te worden verklaard. De naheffingsaanslag wordt vernietigd.

14. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.238 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 496 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag;

  • -

    stelt vast dat verweerder aan eiseres een dwangsom heeft verbeurd van € 520;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.238;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. J.J. Catsburg en mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kranenbarg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 9 augustus 2016

de griffier is buiten staat deze uitspraak

te ondertekenen

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.