Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4379

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
05-08-2016
Zaaknummer
05/740068-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 29-jarige man uit Curaçao en zijn 25-jarige zus uit Nederland veroordeeld voor het medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van ruim een kilo cocaïne en het meermalen bevorderen en voorbereiden daarvan tot respectievelijk een gevangenisstraf van 24 maanden en een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk en proeftijd van 2 jaren. Een 35-jarige vrouw die hierbij behulpzaam was, is eveneens veroordeeld voor het medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van ruim een kilo cocaïne tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740068-16

Datum uitspraak : 03 augustus 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1]

Raadsvrouw: mr. J.J.H.M. de Crom, advocaat te Maastricht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbaar gehouden terechtzitting van 20 juli 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 14 februari 2016 tot en met 18 februari

2016, althans in de periode van 01 februari 2016 tot en met 18 februari 2016, in de gemeente Arnhem en/of de gemeente Haarlemmermeer, in elk geval (elders)

in Nederland, en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ongeveer) 1036,38 gram,

althans (ongeveer) 900 gram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

2.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 augustus

2015 tot en met 11 februari 2016 in de gemeente Arnhem en/of de gemeente

Haarlemmermeer, in elk geval (elders) in Nederland, en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans bevattende een

(ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te

doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn

en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of

inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen

en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan zij, verdachte en/of haar

mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij

bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s):

* opzettelijk inlichtingen en/of informatie ingewonnen met betrekking tot (in

Nederland) te benaderen perso(o)n(en) die (proef)postpakket(ten) in ontvangst

zouden kunnen en/of willen nemen en/of

* een of meer perso(o)n(en) (in Nederland) benaderd en/of laten benaderen met

het verzoek om hun (woon)adres (als post-/afleveradres) ter beschikking te

stellen - voor de ontvangst van te verzenden (proef)postpakket(ten) uit

Curaçao (zogenaamde "testdrives") (ter voorbereiding op de en/of ter

inventarisatie van de mogelijkheden voor verzending van postpakket(ten) met

daarin een hoeveelheid cocaïne/verdovende middelen) en/of

* in Curaçao een of meer (proef)postpakket(ten) aangeboden ter verzending

naar Nederland, al dan niet geadresseerd aan in Nederland woonachtige

(fictieve) perso(o)n(en) en/of

* telefoongesprek(ken) gevoerd en/of Whatsapp en/of sms berichten gestuurd

met betrekking tot de verzending en/of de ontvangst van die

(proef)postpakket(ten) en/of

* (telefonisch) instructies gegeven - met betrekking tot de aflevering en/of

de wijze van ontvangst van die (proef)postpakket(ten), en/of

* (meermalen) foto's gestuurd van die (proef)postpakket(ten), nadat deze in

Nederland in ontvangst zijn genomen;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op18 februari 2016 is aan het woonadres van medeverdachte [medeverdachte 1] , te weten [adres 2] , een postpakket afkomstig uit Curaçao bezorgd2, waarin door medewerkers van de douane op Schiphol een hoeveelheid van 1036,38 gram cocaïne3 was aangetroffen4. Op 18 februari 2016 is net na de ontvangst van voornoemd postpakket zowel medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna te noemen: [medeverdachte 1] ) als verdachte in de genoemde woning aangehouden5.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten nu verdachte geen strafbare handelingen heeft gepleegd althans de door haar verrichte handelingen van onvoldoende gewicht zijn om van medeplegen te kunnen spreken.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Verdachte heeft ter terechtzitting van 20 juli 2016 verklaard dat zij wist dat in het postpakket dat [medeverdachte 1] op 18 februari 2016 in ontvangst heeft genomen, cocaïne zat en dat [medeverdachte 2] over de verzending en ontvangst met [medeverdachte 1] afspraken had gemaakt. In de dagen voordat het postpakket arriveerde, heeft zij WhatsApp contact met haar broer over de aankomst van het postpakket6. Verdachte heeft tevens verklaard dat zij [medeverdachte 1] namens haar broer, medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), op 17 februari 2016 heeft laten weten dat het postpakket er aan komt en dat zij de deur de in de gaten moeten houden7.

Op 18 februari 2016 gaat verdachte, nadat [medeverdachte 1] haar heeft laten weten dat het postpakket is gearriveerd, naar het huis van [medeverdachte 1] en opent aldaar het postpakket en stuurt een foto van de inhoud via WhatsApp naar [medeverdachte 2]8. Wanneer zij en [medeverdachte 2] de gescheurde verpakking in de doos zien, stuurt [medeverdachte 2] verdachte WhatsApp berichten met als tekst: “Het is gescheurd door wat dan ook” en “Ga daar vandaan.” 9

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Verdachte fungeerde als contactpersoon tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en gaf inlichtingen omtrent de verzending en ontvangst van het postpakket door. Direct nadat het postpakket gearriveerd was, is verdachte naar [medeverdachte 1] gegaan. Daar heeft zij het postpakket geopend, bekeken en heeft van de inhoud van het pakket een foto gestuurd naar [medeverdachte 2] .
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte(n) is komen vast te staan. De bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Immers door de bijdrage van verdachte kon de identiteit van medeverdachte [medeverdachte 2] als afzender verhuld blijven en kon [medeverdachte 2] geïnformeerd blijven over de ontvangst en de staat van het postpakket en hield zij medeverdachte [medeverdachte 1] op de hoogte van de komst van het pakket. Daarmee acht de rechtbank het onder feit 1 tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Naast de voornoemde vaststaande feiten komt tevens uit het proces-verbaal uitvoering rechtshulpverzoek van het korps politie Curaçao naar voren dat

  • -

    op 4 februari 2016 vanuit Curaçao een postpakket is verzonden naar [naam 1] , wonende te [adres 3] , Nederland;

  • -

    op 4 september 2015 vanuit Curaçao een postpakket is verzonden naar [naam 2] , wonende te [adres 4] , Nederland, dat door de douane is onderschept

  • -

    op 4 februari 2016 vanuit Curaçao een postpakket is verzonden naar [naam 3] , wonende te [adres 5] , Nederland.10

Het adres van verdachte is [adres 5] . Bij de politie heeft verdachte verklaard dat zij met [medeverdachte 2] had afgesproken dat hij haar en haar vriendin [naam 4] postpakketten met eten en snoep zou sturen om te kijken hoe de douane om zou gaan met de dozen. Het adres van [naam 4] is [adres 3]11. Na aankomst op 4 februari 2016 van de voornoemde postpakketten heeft verdachte foto’s hiervan gestuurd naar [medeverdachte 2]12.

Uit de WhatsAppberichten13 in het dossier en de verklaring die getuige [naam 4] bij de politie heeft afgelegd14 komt naar voren dat verdachte fungeerde als contactpersoon tussen [medeverdachte 2] en de ontvangers van de postpakketten in Nederland.

Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte WhatsApp-berichten heeft gestuurd met betrekking tot de verzending en/of de ontvangst van die

(proef)postpakket(ten) en instructies heeft gegeven met betrekking tot de aflevering en/of de wijze van ontvangst van die (proef)postpakket(ten) en meermalen foto's heeft gestuurd van die (proef)postpakket(ten), nadat deze in Nederland in ontvangst zijn genomen. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verdachte zich tezamen en in vereniging met medeverdachte(n) bezig hield met de voorbereiding en het bevorderen van het invoeren van cocaïne in Nederland.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder de feiten 1 en 2 heeft begaan, te weten dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 14 februari 2016 tot en met 18 februari

2016, althans in de periode van 01 februari 2016 tot en met 18 februari 2016, in de gemeente Arnhem en/of de gemeente Haarlemmermeer, in elk geval (elders)

in Nederland, en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ongeveer) 1036,38 gram,

althans (ongeveer) 900 gram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

2.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 augustus

2015 tot en met 11 februari 2016 in de gemeente Arnhem en/of de gemeente

Haarlemmermeer, in elk geval (elders) in Nederland, en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans bevattende een

(ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te

doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn

en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of

inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen

en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan zij, verdachte en/of haar

mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij

bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s):

* opzettelijk inlichtingen en/of informatie ingewonnen met betrekking tot (in

Nederland) te benaderen perso(o)n(en) die (proef)postpakket(ten) in ontvangst

zouden kunnen en/of willen nemen en/of

* een of meer perso(o)n(en) (in Nederland) benaderd en/of laten benaderen met

het verzoek om hun (woon)adres (als post-/afleveradres) ter beschikking te

stellen - voor de ontvangst van te verzenden (proef)postpakket(ten) uit

Curaçao (zogenaamde "testdrives") (ter voorbereiding op de en/of ter

inventarisatie van de mogelijkheden voor verzending van postpakket(ten) met

daarin een hoeveelheid cocaïne/verdovende middelen) en/of

* in Curaçao een of meer (proef)postpakket(ten) aangeboden ter verzending

naar Nederland, al dan niet geadresseerd aan in Nederland woonachtige

(fictieve) perso(o)n(en) en/of

* telefoongesprek(ken) gevoerd en/of Whatsapp en/of sms berichten gestuurd

met betrekking tot de verzending en/of de ontvangst van die

(proef)postpakket(ten) en/of

* (telefonisch) instructies gegeven - met betrekking tot de aflevering en/of

de wijze van ontvangst van die (proef)postpakket(ten), en/of

* (meermalen) foto's gestuurd van die (proef)postpakket(ten), nadat deze in

Nederland in ontvangst zijn genomen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van de feit 2:

Medeplegen van een feit bedoeld in het vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen door:

  • -

    zich of een ander middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit trachten te verschaffen, en

  • -

    zich of een ander middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit trachten te verschaffen, en

  • -

    stoffen of gelden voorhanden te hebben, waarvan zij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, acht de verdediging de door de officier van justitie verzochte straf te hoog en verzoekt rekening te houden met de blanco documentatie van verdachte en de omstandigheid dat zij erkent wat zij heeft gedaan en daarvoor verantwoordelijkheid wil nemen. Daarnaast is zij weliswaar niet gedwongen maar liet zij zich wel meeslepen door haar broer die zij wilde helpen zonder zich hiervan de gevolgen te hebben gerealiseerd, aldus de raadsvrouw. De verdediging bepleit, ook gelet op het feit dat verdachte moeder is, een grotendeels voorwaardelijke straf.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 4 juni 2016 alsmede een beknopt reclasseringsadvies van 23 februari 2016.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder op het volgende gelet.

De verdachte heeft zich samen met medeverdachte(n) schuldig gemaakt aan de invoer van ruim een kilo cocaïne in Nederland en meermalen aan de voorbereidingshandelingen daartoe.

Door haar handelwijze heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De voorbereidingshandelingen hebben er dan ook toe gediend de verdere verspreiding en uiteindelijk het gebruik van cocaïne te doen plaatsvinden. Hierdoor wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat in het bijzonder bij de grensoverschrijdende handel dit zowel in de invoer/als de uitvoerlanden dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. De verdachte is aan deze gevolgen geheel voorbij gegaan.

De rechtbank heeft ten voordele van verdachte acht geslagen op het blanco strafblad van verdachte en het feit dat verdachte zich waarschijnlijk heeft laten meeslepen door haar broer. Verder heeft de rechtbank bij de strafmaat rekening gehouden met de ten opzichte van medeverdachte [medeverdachte 2] geringere rol van de verdachte. Nu niet is gebleken dat sprake is geweest van een professionele drugslijn, zal de rechtbank, alles afwegende, anders dan door de officier van justitie is geëist, aan verdachte een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk opleggen. Een grotendeels voorwaardelijke, straf zoals bepleit door de verdediging, staat niet in verhouding tot de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.

Beslag

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens opgave van verdachte aan verdachte toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot welke het onder 1 en 2 bewezenverklaarde is begaan.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24, 27, 33, 33a, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a en 13 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. en 2. tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een telefoontoestel, Samsung S6;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.H. van Laethem (voorzitter), mr. H.P.M. Kester-Bik en mr. M.A. Jansen-van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 augustus 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossier [dossiernaam], dossiernummer PL0600-2016079405, gesloten op 23 april 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van observatie donderdag 18 februari 2016; het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 571.

3 Het proces-verbaal testen en wegen cocaïne p. 482-483.

4 Het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee van 17 februari 2016 p. 40-41; een schriftelijk bescheid inhoudende een formulier gecontroleerde aflevering binnen Nederland p. 51; het proces-verbaal van bevindingen p. 104.

5 Het proces-verbaal van observatie donderdag 18 februari 2016 p. 742-744; proces-verbaal van aanhouding p. 82-83.

6 Het proces-verbaal van bevindingen p. 147, 154, 158; het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 700.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 680; het proces-verbaal van bevindingen p. 313, 326 en 327.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 616, 623, 700.

9 Het proces-verbaal van bevindingen p. 147, 159, 190.

10 Het proces-verbaal uitvoering rechtshulpverzoek van het korps politie Curaçao p. 2-3;

11 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] p. 567.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 700.

13 Het proces-verbaal van bevindingen p.147, p. 150-152; het proces-verbaal van bevindingen p. 313, 324-325

14 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] p. 568, 571.