Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4323

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6564
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen strijd met bepalingen in internationale wet- en regelgeving die zien op een verbod op discriminatie. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/6564

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Besli),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres vanaf het derde kwartaal van 2015 geen recht (meer) heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor haar zoon [naam] .

Bij besluit van 5 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eis1eres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2016. Eiseres is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot en bijgestaan door mr. N. Türkkol, kantoorgenoot van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres ontving kinderbijslag voor haar zoon [naam] , geboren op [datum] 2001. [naam] woont vanaf 30 mei 2014 in Turkije. [naam] en eiseres hebben zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 7b van de AKW geen recht bestaat op kinderbijslag ten behoeve van het kind, indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont. Omdat het overgangsrecht van artikel 41b van de AKW van toepassing is, heeft eiseres vanaf 1 juli 2015 geen recht meer op kinderbijslag voor [naam] .

Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op de AKW zoals die geldt sedert inwerkingtreding van de wet “Wijziging van enkele socialezekerheidswetten in verband met een andere vormgeving van de exportbeperking in de Algemene Kinderbijslagwet en het regelen van overgangsrecht voor de situatie van opzegging of wijziging van een verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen situatie”, Stb. 2014 238 en 346, op 1 januari 2015.

3. In artikel 7b van de AKW is bepaald dat de verzekerde geen recht op kinderbijslag heeft ten behoeve van het kind, indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont.

Ingevolge het tweede lid is sinds 1 januari 2015 het eerste lid niet van toepassing indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal woont in een land waarin ten behoeve van hem op grond van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU L 166) recht op kinderbijslag bestaat.

4. Niet in geschil is dat eiseres op grond van artikel 7b van de AKW in samenhang gelezen met artikel 41b van de AKW geen recht heeft op kinderbijslag voor [naam] in het derde kwartaal van 2015.

5. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 7b van de AKW discriminatoir van karakter is en strijdig met diverse bepalingen in nationale en internationale wet- en regelgeving die zien op een verbod op discriminatie. Voor zover nodig zal hierna op de daartoe aangevoerde gronden worden ingegaan.

6. De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar verwijzing naar strijd met nationale bepalingen die zien op het verbod op discriminatie niet heeft onderbouwd. Voor zover zij hiermee de Grondwet heeft bedoeld kan dit betoog geen doel treffen nu artikel 120 van de Grondwet de rechter verbiedt de grondwettigheid van wetten en verdragen te toetsen.

7. Eiseres heeft aangevoerd dat artikel 7b in strijd is met het Besluit 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (Besluit 3/80).

De rechtbank is van oordeel dat eiseres valt onder de personele werkingssfeer van het Besluit 3/80, nu uit de stukken blijkt dat eiseres werkneemster is als bedoeld in artikel 2 van het Besluit 3/80. De kinderbijslag is een gezinsbijslag als genoemd in artikel 4, eerste 1id, onder h van het Besluit 3/80. De rechtbank stelt tevens vast dat kinderbijslag niet valt onder de uitkeringen genoemd in artikel 6 van het Besluit 3/80 dat bepaalt dat bepaalde uitkeringen niet kunnen worden verminderd op grond van het feit dat de rechthebbende in Turkije woont en voorts dat de in dat artikel genoemde situatie zich niet voordoet nu de rechthebbende op de kinderbijslag niet in Turkije woont of op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is, maar in Nederland. De rechtbank stelt voorts vast dat in artikel 18 van het Besluit 3/80 wordt verwezen naar artikel 72 (Samentellen van tijdvakken van arbeid) van de Verordening 1408/71, maar niet naar artikel 73 (Werknemers wier gezinsleden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat wonen). Ondanks dat de Verordening 1408/71 thans niet meer geldt blijft de verwijzing naar deze Verordening relevant nu hieruit de bedoeling en reikwijdte van Besluit 3/80 kan worden afgeleid.

Dat artikel 7b van de AKW in strijd is met Besluit 3/80 blijkt uit het voorgaande niet.

8. Met betrekking tot het discriminatieverbod in artikel 3 van het Besluit 3/80 overweegt de rechtbank dat de regeling neergelegd in artikel 7b van de AKW het recht op kinderbijslag niet relateert aan nationaliteit. Ter zitting is door verweerder niet weersproken de stelling van eiseres dat met deze regeling echter wel een indirect onderscheid naar nationaliteit gemaakt. Een indirect onderscheid naar nationaliteit is niet zonder meer verboden, maar kan worden gerechtvaardigd indien daarvoor een objectieve en redelijke grond bestaat. Het gemaakte onderscheid moet daarnaast geschikt zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en het mag niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken. Voorts acht de rechtbank van belang dat artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR de wetgever op het terrein van de sociale verzekering een zeer ruime beoordelingsvrijheid geeft bij de 999vaststelling of en in welke mate verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van 1 april 2016 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; ECLI:NL:CRVB:2016:1229). Voor zover eiseres bedoelt zich ook daarop te beroep, kan die beroepsgrond niet slagen.

Uit de memorie van toelichting bij de wijziging van artikel 7b van de AKW kan worden afgeleid dat bij deze wet als uitgangspunt geldt dat de uit belastingmiddelen gefinancierde kinderbijslag en het kind-gebonden budget in de eerste plaats bedoeld zijn voor een ondersteuning in het onderhoud van kinderen die in Nederland wonen. Voor zover voor het onderhoud van kinderen van staatswege ondersteuning moet worden geboden is dit niet de verantwoordelijkheid van het land waar de ouder woont, maar van het land waar de kosten voor het kind worden gemaakt. De woonplaats van het kind wordt met deze wet centraal gesteld en niet de woonplaats van de rechthebbende. Beoogd wordt de export van de kinderbijslag (en het kind-gebonden budget) te beëindigen (TK 2011/12, 33 162, nr. 3, blz. 2). Dit doel moet naar het oordeel van de rechtbank aangemerkt worden als een legitiem doel. Voor zover sprake is van indirecte discriminatie naar nationaliteit, bestaat naar het oordeel van de rechtbank voor die ongelijke behandeling dan ook een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de voorschriften van het associatierecht op het gebied van de sociale zekerheid niet tot doel een volledige gelijkstelling van Turkse onderdanen met onderdanen van EU-lidstaten te bewerkstelligen.

Daarnaast staat het gehanteerde middel in een redelijke verhouding tot het nagestreefde doel. Hierbij speelt mee dat de kinderbijslag betaald wordt uit de algemene middelen en dat het efficiënt inzetten van deze middelen in het algemeen belang is.

Het beroep van eiseres op het discriminatieverbod in artikel 3 van het Besluit 3/80 slaagt, gelet op het vorenstaande, niet.

9. De CRvB heeft in de uitspraak van 19 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:481) op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 januari 2015 (Demirci e.a., C-171/13) overwogen dat de betrokkenen met een dubbele nationaliteit zich niet, met een beroep op het Besluit 3/80, kunnen onttrekken aan het woonplaatsvereiste van de Toeslagenwet. Hierbij is onder meer het met de associatieregeling EEG-Turkije beoogde integratiedoel betrokken en de omstandigheid dat de Turkse werknemer die de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst verkrijgt, hiermee in beginsel het hoogste niveau van integratie in die lidstaat bereikt. Volgens het Hof rechtvaardigt niets dat een Turks staatsburger wiens juridische status noodzakelijkerwijs is gewijzigd op het ogenblik waarop hij de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen, door deze staat voor de uitkering van een prestatie als die van het hoofdgeding niet volledig als een eigen burger zou worden behandeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit evenzeer van toepassing in het geval van eiseres, die naast de Turkse nationaliteit in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en die door het bestreden besluit wordt geconfronteerd met dezelfde regels terzake het verkrijgen van kinderbijslag als anderen met de Nederlandse nationaliteit. Het beroep van eiseres op het associatierecht en het verbod op nieuwe beperkende maatregelen faalt daarom.

10. Eiseres heeft nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte verwijst naar het arrest Demirci (C-171/13) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof), waarin het Hof heeft overwogen dat er geen strijd is met het arrest van het Hof van 29 maart 2012, Kahveci en Inan (C-7/10 en C-9/10). Verweerder miskent volgens eiseres dat de zaak Demirci zag op een individuele uitkering en Kavheci en Inan op gezinshereniging. Nu in haar zaak ook een gezinssituatie aan de orde is moet die zaak worden beoordeeld in het licht van Kahveci en Inan en is de verwijzing naar Demirci dan ook te kort door de bocht.

Anders dan eiseres heeft aangevoerd, acht de rechtbank het arrest Demerci wel van toepassing op deze zaak, reeds omdat kinderbijslag een prestatie is die aan eiseres afzonderlijk wordt toegekend.

11. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat voor zover het bepaalde in artikel 3 van het Besluit 3/80 niet van toepassing is zij een beroep doet op het algemeen verbod van discriminatie uit hoofde van nationaliteit in artikel 9 van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Associatieovereenkomst).

De rechtbank is van oordeel dat artikel 9 van de Associatieovereenkomst niet autonoom van toepassing is indien de Associatieraad een specifiek discriminatieverbod heeft vastgesteld, zoals dat van artikel 3, eerste lid, van Besluit 3/80 op het bijzondere gebied van de sociale zekerheid.

12. Het beroep van eiseres op artikel 33 van het bilaterale verdrag inzake de sociale zekerheid met Turkije treft evenmin doel. In artikel 33, eerste lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (NTV) is bepaald dat Turkse werknemers die werkzaam zijn in Nederland en waarvan de kinderen in Turkije verblijven of worden opgevoed, recht op kinderbijslag hebben onder dezelfde voorwaarden als Nederlanders.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres, gelet op de tekst van artikel 33 van het NTV geen recht heeft op kinderbijslag, aangezien ook personen met alleen de Nederlandse nationaliteit geen recht op kinderbijslag hebben indien hun kind niet in Nederland en buiten de EU woont (in casu Turkije).

13. Het beroep van eisers op het arrest Pinna van 15 januari 1986 (HvJ EG, zaak 41/84) slaagt ten slotte niet, nu dit arrest is gewezen in het kader van het recht van (thans) de Europese Unie, en niet in het kader van de associatierelatie tussen de Europese Unie en Turkije. Van een verschil in behandeling tussen inwoners van lidstaten is geen sprake. Dat arrest kan dan ook niet zonder meer worden toegepast in deze relatie.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.A.C.M. Bouwens, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. E.C.G. Okhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.