Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4141

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-07-2016
Datum publicatie
29-07-2016
Zaaknummer
4929105
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:2624
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

FNV vordert een verklaring voor recht dat Smit Draad onrechtmatig heeft gehandeld door haar werknemers bloot te stellen aan arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn geweest voor haar werknemers en dat zij (daarom) aansprakelijk is voor de daarmee samenhangende schade. Deze vordering is gebaseerd op art. 3:305a BW dat het instellen van een collectieve actie mogelijk maakt. Op grond van deze bepaling kan FNV een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van ‘gelijksoortige belangen’. Aan de eis van ‘gelijksoortige belangen’ is voldaan indien de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Aldus kan immers in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden (vgl. HR 26 februari 2010, LJN BK5756, NJ 2011/473). De kantonrechter oordeelt dat niet aan deze eis is voldaan omdat de vordering te algemeen is geformuleerd. Indien een werknemer Smit Draad aansprakelijk wil stellen voor geleden (gezondheids)schade zal namelijk duidelijk moeten zijn met welke schadelijke stoffen hij op het werk bij Smit Draad in aanraking is gekomen. FNV wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in deze vordering.

FNV vordert verder dat Smit Draad een aantal veiligheidsmaatregelen neemt. Nu op deze vorderingen definitief zal worden beslist heeft FNV geen belang meer bij haar provisionele vorderingen ex art. 223 Rv (zie hierover ook het tussenvonnis van 25 maart 2016 (eclinummer 2016:4140). De vordering tot het treffen van veiligheidsmaatregelen is (tevens) gebaseerd op art. 3:305a BW. Het ontvankelijkheidsverweer van Smit Draad ziet, zo begrijpt de kantonrechter, niet op deze vorderingen. Voor zover dat wel het geval is, wordt verwezen naar hetgeen daarover is overwogen in het tussenvonnis van 25 maart 2016. Daarin is geoordeeld dat FNV ontvankelijk is in deze vordering(en). De kantonrechter blijft daarbij. Anders dan bij de gevorderde verklaring voor recht, is immers duidelijk dat (subgroepen) van werknemers van Smit Draad een collectief belang bij deze gevorderde maatregelen (kunnen) hebben en dat zij bij toewijzing (toewijsbaarheid) van die vorderingen niet ieder een daartoe strekkende procedure tegen Smit Draad aanhangig hoeven maken. Een groot deel van de gevorderde veiligheidsmaatregelen is inmiddels door Smit Draad genomen. De overige vorderingen worden grotendeels afgewezen omdat zij niet goed zijn onderbouwd of omdat ze te vaag zijn geformuleerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2241
JAR 2016/202 met annotatie van prof. mr. B. Barentsen
AR-Updates.nl 2016-0847
PS-Updates.nl 2016-0318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 4929105 \ CV EXPL 16-1776 \ 475

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV)

gevestigd te Amsterdam

eisende partij in de hoofdzaak en in het incident

gemachtigde mr. W.A. van Veen

tegen

de besloten vennootschap Draad Nijmegen B.V.

gevestigd te Nijmegen

gedaagde partij in de hoofdzaak en in het incident

gemachtigde mr. H. Lebbing

Partijen worden hierna FNV en Smit Draad genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 25 maart 2016

- de conclusie van antwoord van Smit Draad met producties

- de aanvullende producties 24 tot en met 26 van Smit Draad

- de brief van FNV van 23 mei 2016 met (aanvullende) producties 21 tot en met 29

- de comparitie van partijen van 9 juni 2016.

2 De feiten

In aanvulling op de in het tussenvonnis van 25 maart 2016 vastgestelde feiten:

2.1.

Binnen (het gebouw/de gebouwen van) Smit Draad zijn onder meer te onderscheiden de afdelingen lakhal, glaslijnen, Rekab, solderen en blanke draad. Er is tevens een – van de productieruimtes afgescheiden – kantoorgedeelte.

2.2.

In opdracht van Smit Draad heeft Protect arboadvies in de periode van ongeveer november 2015 tot en met mei 2016 blootstellingsonderzoeken uitgevoerd op de afdelingen algemene dienst, blanke draad, glaslijnen, houtstof magazijn, lakhal en solderen Rekab. Voorts is een dergelijk onderzoek uitgevoerd in/aan de GAP kast en machine en is op de afdeling lakhal een piekmeting verricht door Protect arboadvies.

Van deze onderzoeken zijn telkens rapporten opgemaakt (door ing. M. Kerkman, arbeidshygiënist RAH en hoger veiligheidsdeskundige van Protect arboadvies). In elk van deze rapporten worden aanbevelingen gedaan om blootstelling aan dampen en/of stoffen verder te beheersen en om de situatie te optimaliseren danwel om blootstelling verder te reduceren of te verlagen.

3 De verdere beoordeling van het geschil

in het incident

3.1.

Aangezien hierna een beslissing op de vorderingen in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft FNV geen belang bij de ex art. 223 Rv gevorderde voorzieningen (voor de duur van de procedure). Deze incidentele vorderingen worden daarom afgewezen.

3.2.

De kantonrechter zal, gelet op de verwevenheid met de hoofdzaak, de proceskosten compenseren in die zin dat partijen elk de eigen proceskosten dragen.

in de hoofdzaak

de verklaring voor recht - ontvankelijkheid

3.3.

FNV vordert een verklaring voor recht dat Smit Draad onrechtmatig heeft gehandeld door haar werknemers bloot te stellen aan arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn geweest voor haar werknemers en dat zij (daarom) aansprakelijk is voor de daarmee samenhangende schade.

Deze vordering is gegrond op art. 3:305a BW (collectieve actie). FNV stelt dat zij, als collectieve belangenbehartiger van werknemers op het gebied van werkomstandigheden, constateert dat werknemers bij Smit Draad dezelfde c.q. gelijksoortige belangen hebben om de bescherming tegen de geconstateerde blootstelling zo snel mogelijk op het vereiste niveau te krijgen alsmede om op basis van een erkende (bedoeld wordt vastgestelde) aansprakelijkheid te komen tot vergoeding van de opgelopen schade. In dat verband stelt zij dat ECEMed in zijn rapporten (zie tussenvonnis r.ov. 2.7.) tot de conclusie komt dat een opvallende hoeveelheid van de werknemers van Smit Draad kampt met longklachten en klachten als gevolg van blootstelling aan chemische en toxische stoffen. Van een groep van 14 onderzochte werknemers hebben er volgens FNV 13 werkgerelateerde gezondheidsproblemen.

3.4.

Smit Draad voert – ook in de hoofdzaak – primair aan dat FNV niet-ontvankelijk is in deze vordering omdat de belangen van de verschillende werknemers op de verschillende afdelingen van Smit Draad te divers zijn om gebundeld te worden. Ook indien sprake zou zijn van in werkverband veroorzaakte individuele schade, dan kan vaststelling van een schadevergoedingsverplichting, zoals in deze zaak gevorderd, niet geschieden zonder te treden in de vraag in welke mate, afhankelijk van de bijzondere omstandigheden, het ontstaan van individuele schade is veroorzaakt door en kan worden toegerekend aan Smit Draad, aldus Smit Draad.

3.5.

In het vonnis van 25 maart 2016 is het beroep op niet-ontvankelijkheid van Smit Draad ter zake het incident ex art. 223 Rv beoordeeld en verworpen. Het verweer van Smit Draad ziet (thans) echter op de gevorderde verklaring voor recht. Daarover wordt als volgt overwogen.

Op grond van art. 3:305a BW kan een vereniging (met volledige rechtsbevoegdheid) een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van ‘gelijksoortige belangen’ van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. In genoemd tussenvonnis (r.ov. 4.2.) is reeds vastgesteld dat FNV een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is die, ingevolge haar statuten, de belangen van haar leden-werknemers bij Smit Draad behartigt. Artikel 3:305a BW stelt echter ook uitdrukkelijk als eis (voor de ontvankelijkheid van een collectieve actie) dat ‘die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen’. Aan de eis van ‘gelijksoortige belangen’ is voldaan indien de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Aldus kan immers in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden (vgl. HR 26 februari 2010, LJN BK5756, NJ 2011/473). Doorslaggevend is dus het antwoord op de vraag of een collectieve actie in een concrete situatie voordelen biedt boven het procederen in individuele gevallen.

De gevorderde verklaring voor recht strekt ertoe vast te stellen dat de arbeidsomstandigheden bij Smit Draad schadelijk kunnen zijn geweest voor de werknemers van Smit Draad. De gedachte bij FNV is, zo begrijpt de kantonrechter, dat dat voor alle werknemers in deze procedure wordt vastgesteld. In individuele procedures van werknemers van Smit Draad zal de thans gevorderde verklaring voor recht echter (nagenoeg) geen betekenis hebben voor werknemers die Smit Draad aansprakelijk wensen te stellen voor door hen geleden (gezondheids)schade. Dit wordt als volgt toegelicht. In die procedures zal de werknemer zijn vordering in beginsel (telkens) baseren op art. 7:658 BW. FNV heeft althans niet anderszins gesteld of betoogd. Volgens art. 7:658 lid 2 BW is Smit Draad aansprakelijk als een werknemer schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij Smit Draad aantoont dat zij de in lid 1 genoemde (zorg)verplichting is nakomen. De in art. 7:658 lid 1 BW neergelegde zorgplicht voor Smit Draad houdt in dat zij, als werkgeefster, voor de veiligheid van de werkomgeving van haar werknemers moet zorgen en dat zij (daarom) die maatregelen moet nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat haar werknemer in de uitoefening van zijn functie schade lijdt.

Art. 7:658 lid 2 BW bevat een speciale regel van bewijslastverdeling. Deze houdt in dat als de werknemer bewijst dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden het, in beginsel, aan de werkgever is om te bewijzen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen of – maar dat is hier niet aan de orde – dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Het kan voor de werknemer soms lastig zijn om te bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Met name geldt dit bij beroepsziekten die niet ontstaan bij een concreet ongeval maar die zich geleidelijk manifesteren. Daarom geldt nog een andere regel van bewijslastverdeling, ook wel de ‘arbeidsrechtelijke omkeringsregel’ genoemd. Deze houdt in dat het oorzakelijk verband (tussen werk en schade) ook moet worden aangenomen als de werknemer stelt, en zo nodig bewijst, dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, en voorts stelt, en zo nodig aannemelijk maakt, dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die door deze omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt (vgl. HR 17 november 2000, LJN AA8369, NJ 2001/596 en HR 9 januari 2009, LJN BF8875, NJ 2011/252). Kort gezegd betekent dit dat een (conditio sine qua non-)verband moet worden aangenomen tussen schade (waarvan vergoeding wordt gevorderd in een procedure ex art. 7:658 BW) en de uitoefening van werkzaamheden als vast komt te staan (i) dat de werkgever de werknemer heeft blootgesteld aan een risico op bepaalde schade en (ii) deze schade zich vervolgens heeft verwezenlijkt. Een en ander behoudens tegenbewijslevering door de werkgever. Volledigheidshalve zij hier aan toegevoegd dat de werkgever vervolgens kan bewijzen dat hij die maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs nodig waren om de schade van de werknemer te voorkomen. Op stap (i) bij de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag ziet, zo begrijpt de kantonrechter, de door FNV gevorderde verklaring voor recht. Die verklaring is naar het oordeel van de kantonrechter echter te algemeen geformuleerd. Nog daargelaten dat deze niet in tijd is beperkt terwijl in de loop van de tijd met verschillende stoffen is gewerkt door Smit Draad, geldt dat de ‘gevaarlijke omstandigheden’ niet nader zijn uitgewerkt. FNV heeft, op vragen van de kantonrechter, nog gesteld dat de werkomstandigheden voor alle werknemers in het productieproces, ongeacht de afdeling waar zij werken, schadelijk kunnen zijn voor hun gezondheid omdat de door Smit Draad in het productieproces gebruikte schadelijke stoffen zich door het hele gebouw van Smit Draad verspreiden. Ter illustratie heeft FNV genoemd de ervaring van een zieke werknemer uit het productieproces die op het kantoor van Smit Draad is gaan werken en die desondanks gezondheidsklachten krijgt indien in een aanpalende ruimte (afgescheiden door muur en deur) wordt gesoldeerd. De reden hiervan is dat die werknemer een sensibiliteit (soort allergie) heeft ontwikkeld voor bij die werkzaamheid gebruikte of vrijkomende stof of stoffen. De kantonrechter is van oordeel dat FNV deze stellingen, nog daargelaten dat deze eerst ter comparitie zijn geponeerd, onvoldoende heeft toegelicht(en onderbouwd) omdat zij niet heeft aangegeven waarop deze zijn gebaseerd.

Bij een individuele aansprakelijkstelling zal de gevorderde verklaring voor recht de werknemer, in het licht van het voorgaande, niet verder helpen. Immers zal de individuele (ex-)werknemer van Smit Draad nog steeds specifiek moeten bewijzen met welke gevaarlijke stoffen en/of onder welke gevaarlijke omstandigheden hij heeft gewerkt om daarna een verband tussen die specifieke omstandigheden en zijn (specifieke) gezondheidsklachten te kunnen aantonen als hiervoor beschreven. De conclusie is dus dat de gevorderde verklaring voor recht niet strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen en daarom niet voldoet aan de eisen die art. 3:305a BW stelt voor het kunnen instellen van een collectieve actie. Dit betekent dat FNV niet-ontvankelijk moet worden verklaard in deze vordering.

de gevorderde maatregelen

3.6.

FNV vordert verder dat Smit Draad een aantal veiligheidsmaatregelen zal treffen. Deze vorderingen zijn tevens gebaseerd op art. 3:305a BW. Het ontvankelijkheidsverweer van Smit Draad ziet, zo begrijpt de kantonrechter, niet op deze vorderingen. Voor zover dat wel het geval is, wordt verwezen naar hetgeen daarover is overwogen in het tussenvonnis van 25 maart 2016. Daarin is geoordeeld dat FNV ontvankelijk is in deze vorderingen. De kantonrechter blijft daarbij. Anders dan bij de gevorderde verklaring voor recht, is immers duidelijk dat (subgroepen) van werknemers van Smit Draad een collectief belang bij deze gevorderde maatregelen (kunnen) hebben en dat zij bij toewijzing (toewijsbaarheid) van die vorderingen niet ieder een daartoe strekkende procedure tegen Smit Draad aanhangig hoeven maken.

3.7.

Op grond van hetgeen ter zitting is besproken kan worden vastgesteld dat de vorderingen tot het doorvoeren van de maatregelen zich thans beperken tot:

( c) Puntafzuiging bij bakken met gevaarlijke stoffen. Hiermee bedoelt FNV, zo is ter comparitie duidelijk geworden, het aanbrengen van puntafzuiging bij de afstrijkers (in de lakhal). Op die plaatsen valt de overtollige lak van de afstrijkers in bakken of bakjes die zich bevinden onder de lopende band waarover de gelakte draden lopen. Smit Draad heeft deze vordering in haar conclusie van antwoord echter opgevat als puntafzuiging bij de bakken met K13 of NMP (middelen die de gebruikte lakken oplossen) zoals blijkt uit randnummer 6.25 van haar conclusie van antwoord. De kantonrechter is van oordeel dat zij dit, gelet op de formulering van dit deel van de vordering, redelijkerwijs ook zo kon doen. Nu dit onderdeel te onduidelijk is geformuleerd en eerst ter comparitie tot klaarheid is gekomen, zodat Smit Draad hierop niet (goed) kon reageren, komt het niet voor toewijzing in aanmerking. Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen. De grondslag van de gevorderde puntafzuiging bij de afstrijkers is dat de lak (die door de afstrijkers deels van de draden wordt afgestreken) kankerverwekkend zou zijn en dat er alles aan gedaan moet worden om blootstelling van werknemers aan deze stof te voorkomen. Echter, uit productie 2 bij de dagvaarding (veiligheidsbladen Deatherm I 720/26 H en Deamelt 356/70), blijkt niet dat de door Smit Draad gebruikte lakstoffen (genoemde Deatherm en Deamelt) kankerverwekkend zijn. In deze stukken staat wel – onder meer – dat Deatherm schadelijk kan zijn bij aanraking met de huid, ontvlambaar is en ‘irriterend voor de ogen, de ademhalingswegen en de huid’ is of kan zijn. Wat betreft Deamelt staat in het veiligheidsblad – onder meer – dat de stof licht ontvlambaar is en overgevoeligheid kan veroorzaken bij contact met de huid, irriterend is voor de ogen en de huid en dat dampen ervan slaperigheid en duizeligheid kunnen veroorzaken. FNV heeft echter niet (voldoende duidelijk) onderbouwd dat bedoelde puntafzuiging noodzakelijk is wegens deze eigenschappen. De kantonrechter heeft daarbij betrokken dat er deurtjes voor de afstrijkers zitten en dat Smit Draad gemotiveerd heeft betwist dat het vervangen van de afstrijkers een uur zou duren. Bovendien heeft Smit Draad in de conclusie van antwoord (randnummer 6.17) gesteld dat de bakjes onder de afstrijkers klein zijn en dat de via een gesloten buizen systeem de opgevangen lak vanuit die bakjes wordt teruggeleid naar de gesloten laktank die achter de lakmachine staat. FNV heeft hierop niet (voldoende duidelijk) gereageerd. Ook op inhoudelijke gronden komt de vordering dus niet voor toewijzing in aanmerking.

In de stukken en ter zitting zijn ook opmerkingen gemaakt over de afzuiging van de zogeheten GAP kast, maar de ingestelde vordering ziet daarop niet, zodat deze kwestie niet ter beoordeling voorligt.

( d) Installatie van mechanische ventilatie in de laktoren. Mede in het licht van het uitgebreide verweer van Smit Draad heeft FNV niet voldoende onderbouwd dat de klaarblijkelijk door FNV bedoelde maatregelen de werkomstandigheden (veiligheid) van de werknemer vergroot, laat staan dat voldoende is onderbouwd dat Smit Draad daar op grond van de op haar rustende zorgplicht (art. 7:658 BW) toe is gehouden. Smit Draad heeft immers aangevoerd dat zich diverse mechanische ventilatoren bevinden rondom de lakmachines en erop gewezen dat de laktoren geen reguliere werkplek is. Indien werknemers daar incidenteel handelingen moeten verrichten doen zij dit voor korte duur met persoonlijke beschermingsmiddelen (waarover hierna meer). Verder heeft Smit Draad, na onderzoeken door Radboud UMC, bovenin de laktoren grote dakluiken laten plaatsen. Deze hebben de ventilatie van de laktoren volgens Smit Draad aanzienlijk verbeterd. De gespecialiseerde firma Colt heeft de laktoren bovendien onderzocht en adviseert juist om geen mechanische ventilatie in de toren te plaatsen omdat dat tot onderdruk in het gebouw van Smit Draad leidt waardoor een luchtstroom van buiten naar binnen in die toren kan ontstaan. FNV heeft niet (voldoende duidelijk) op dit betoog gereageerd laat staan dit weerlegd. Deze vordering komt dus evenmin voor toewijzing in aanmerking.

( e) Het beschikbaar stellen van adequate persoonlijke beschermingsmiddelen voor de laktoren. Het staat vast dat een vijftal sets met persoonlijke beschermingsmiddelen voor dit werk beschikbaar is gesteld (onder meer bestaande uit een overal, handschoenen en een gelaatsmasker). Ter zitting heeft FNV opgemerkt dat dit geen persoonlijke beschermingsmiddelen zijn omdat meer dan vijf verschillende mensen werkzaamheden in de laktoren (moeten) verrichten. Dit deel van de vordering wordt, voor wat betreft het gelaatsmasker, toegewezen. Niet in geschil is dat persoonlijke beschermingsmiddelen voor het werken in de laktoren beschikbaar moeten zijn. Voldoende staat vast dat dit, zowel om gezondheids- als om hygiënische redenen, persoonlijke (niet door anderen gebruikte) beschermingsmiddelen moeten zijn. De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat de overall en handschoenen na gebruik gewassen en/of gereinigd kunnen worden. De persoonlijke gelaatsmaskers dienen binnen een maand na heden beschikbaar te zijn. De gevorderde dwangsom wordt beperkt en gemaximeerd als in het dictum van dit vonnis te vermelden.

( f) Aanschaf van vervangende stoffen die minder schadelijk zijn voor de gezondheid. Deze vordering is te onbepaald en wordt daarom afgewezen. De kantonrechter merkt hierbij op dat Smit Draad heeft aangevoerd dat zij thans een lijst met CMR-stoffen (carcinogene, mutagene en/of reproductie toxische stoffen) heeft en regelmatig nagaat of deze vervangen kunnen worden door voor de gezondheid minder gevaarlijke stoffen.

3.8.

Partijen worden over en weer in het ongelijk gesteld, waarbij is betrokken dat een belangrijk deel van de door FNV gevorderde veiligheidsmaatregelen na uitbrenging van de dagvaarding in deze zaak is uitgevoerd. De proceskosten worden daarom gecompenseerd in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen.

4 De beslissing

De kantonrechter

in het incident

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

4.3.

verklaart FNV niet-ontvankelijk in haar vordering tot het geven van de verklaring voor recht (dagvaarding p. 13);

4.4.

veroordeelt Smit Draad om een persoonlijk gelaatsmasker voor de laktoren ter beschikking te stellen, gereed binnen 30 dagen na heden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat Smit Draad in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 15.000,-;

4.5.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.7.

wijst af de meer of anders gevorderde, door Smit Draad te nemen, veiligheidsmaatregelen (dagvaarding p. 14 punten 1-7) .

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.J. Engberts en in het openbaar uitgesproken op