Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4125

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-07-2016
Datum publicatie
05-08-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5291
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015. Beroep ongegrond. Gezien de aard van eisers belemmeringen was naar het oordeel van de rechtbank op voorhand niet uit te sluiten dat gebruikmaking van de badplank voor eiser een passende oplossing kon bieden voor het in en uit bad stappen. Het behoorde daarom tot eisers eigen verantwoordelijkheid om dit minimaal te onderzoeken. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij het gebruik van de bakplank heeft uitgeprobeerd, maar verweerder was daar niet bij betrokken. Nu eiser na ommekomst van de door hem bedongen bedenktijd reeds tot renovatie van de badkamer was overgegaan, heeft verweerder niet meer de mogelijkheid gehad om aan de hand van eisers bevindingen na te gaan of de badplank – eventueel met verwijdering van de schuifwand – inderdaad geen goede oplossing vormde, dan wel of aanvullende ondersteuning bij het vinden van een oplossing nodig was. Onder deze omstandigheden ligt het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van eiser om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat de badplank voor eiser géén passende oplossing vormde. Dit is volgens de rechtbank niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/5291

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. B. Vreke),

en

[verweerder] te [woonplaats], verweerder

(gemachtigde: mr. N.A. van Wingerden).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voor een woningaanpassing, afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2016. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser is onder meer bekend met vaatlijden en sleept met zijn rechterbeen. Eiser is sinds 1978 woonachtig in een eengezinswoning, die hij huurt. Op 19 februari 2015 heeft verweerder een schriftelijk verzoek van eiser ontvangen om een gesprek te hebben over de aanpassing van zijn badkamer. Naar aanleiding daarvan is er op 26 februari 2015 telefonisch contact met eiser geweest en heeft er op 4 maart 2015 een huisbezoek plaatsgevonden. Eiser heeft tijdens het huisbezoek te kennen gegeven dat hij belemmeringen ervaart met het maken van de uitstap uit zijn bad en dat hij verwijdering van het bad en plaatsing van een natte cel wenst.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat aan eiser

tijdens het huisbezoek twee alternatieven zijn aangereikt. Het eerste alternatief was gebruikmaking van een door eiser eerder aangeschafte badplank, zo nodig met verwijdering van de schuifwand van het bad en het ophangen van een douchegordijn. Het tweede alternatief was het in overleg treden met de verhuurder over een renovatie op diens kosten, eventueel op basis van een renovatieadvies, opgesteld door een door de gemeente [woonplaats] in te schakelen woningbouwkundige. Daarbij heeft verweerder tevens aangeboden om te bemiddelen in het contact tussen eiser en de verhuurder. Verweerder heeft overwogen dat aan eiser vervolgens, op zijn verzoek, een bedenktijd van drie weken is gegeven. Tijdens het daarop volgende telefonisch contact is gebleken dat eiser de door hem gewenste aanpassing aan de badkamer zelf had gerealiseerd. De urgentie daarvan is echter, aldus verweerder, onvoldoende aangetoond. Verweerder heeft voorts overwogen dat nu de badkamer meer dan 20 jaar niet door de woningeigenaar was gerenoveerd, de badkamer volledig is afgeschreven en dat renovatie door de verhuurder voorliggend was. Verweerder heeft tot slot overwogen dat onder de Wmo 2015 een sterker beroep wordt gedaan op de eigen kracht en de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt dan onder voorgaande wetgeving. Eventuele ondersteuning vanuit de gemeente vormt slechts het sluitstuk.

3. Eiser heeft aangevoerd dat de door hem aangeschafte badplank onvoldoende veilig was, nu hij bij eerder gebruik ervan was gevallen, en dat de badplank daarom geen goede oplossing was. In het rapport dat op 4 maart 2015 en 7 april 2015 naar aanleiding van eisers melding en het huisbezoek is opgemaakt is de badplank, aldus eiser, ook niet als duurzame oplossing aangedragen, maar als een tijdelijke oplossing ter overbrugging van de periode tot de badkamer gerenoveerd zou zijn. Aanpassing van de badkamer was derhalve volgens eiser noodzakelijk. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de verhuurder te kennen had gegeven de badkamer niet te zullen renoveren nu deze nog voldeed aan de daaraan te stellen eisen, maar dat eiser de badkamer wel op eigen kosten mocht renoveren. Bemiddeling is volgens eiser niet door verweerder aan hem aangeboden., het laten opstellen van een renovatieadvies wel. Omdat eiser de aanpassing van de badkamer met spoed nodig had, heeft hij dit aanbod afgewezen. Volgens eiser had verweerder hem op grond van de beleidsregels van de gemeente een vergoeding voor de kosten van renovatie moeten toekennen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Die ondersteuning moet, in de voorstelling van de wetgever, erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. In de memorie van toelichting op de Wmo 2015 (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3) is uiteengezet dat het uitgangspunt is dat gemeenten burgers slechts ondersteuning bieden als dat nodig is. Mensen zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie. De betrokkene moet eerst bezien in hoeverre hij zelf en zijn directe omgeving een bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van de eigen situatie (het zogenaamde ‘eigen kracht’-principe). Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bij burgers te benutten en te versterken. Indien uit onderzoek van de gemeente blijkt dat (aanvullende) ondersteuning van de gemeente nodig is, beslist de gemeente – binnen de grenzen van wat daarover in het plan en de verordening bedoeld in respectievelijk de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de Wmo 2015 is vastgelegd – tot verstrekking van een maatwerkvoorziening die bijdraagt aan het realiseren van een situatie waarin de burger in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie, zodat deze zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen.

5. Blijkens het hiervoor genoemde rapport is ten tijde van het huisbezoek het traplopen van eiser geobserveerd. Waargenomen is dat eiser in een redelijk tempo met doorstappas de trap oploopt met steunname van één trapleuning, zonder het nemen van een rustpauze. Eiser heeft te kennen gegeven geen belemmeringen te ervaren bij het traplopen en dit nog meerdere malen op een dag te doen. In het rapport is vermeld dat eiser niet belemmerd is in het zitten en optillen van zijn benen met houvast en dat eiser een goed evenwicht heeft als hij zich vast kan houden. Gezien de aard van eisers belemmeringen, zoals deze uit het voorgaande blijken, was naar het oordeel van de rechtbank op voorhand niet uit te sluiten dat gebruikmaking van de badplank voor eiser een passende oplossing kon bieden voor het in en uit bad stappen. Het behoorde daarom tot eisers eigen verantwoordelijkheid om dit minimaal te onderzoeken. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij het gebruik van de bakplank heeft uitgeprobeerd, maar verweerder was daar niet bij betrokken. Nu eiser na ommekomst van de door hem bedongen bedenktijd reeds tot renovatie van de badkamer was overgegaan, heeft verweerder niet meer de mogelijkheid gehad om aan de hand van eisers bevindingen na te gaan of de badplank – eventueel met verwijdering van de schuifwand – inderdaad geen goede oplossing vormde, dan wel of aanvullende ondersteuning bij het vinden van een oplossing nodig was. Onder deze omstandigheden ligt het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van eiser om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat de badplank voor eiser géén passende oplossing vormde. Dit is volgens de rechtbank niet aannemelijk geworden. Verweerder heeft de aanvraag van eiser derhalve terecht afgewezen. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat in het rapport is vermeld dat eiser ter overbrugging van een renovatie is gewezen op de mogelijkheid om de badplank te gebruiken in zijn huidige badkamer. Dat verweerder de badplank ook zag als een op zichzelf staande oplossing – dus los van een eventuele renovatie van de badkamer – blijkt uit de vijfde alinea op pagina twee van het rapport. Daar is immers vermeld dat verwijdering van de schuifwand, ophanging van een gordijn op een rail en gebruik van badplank voor eiser ook een alternatief is.

Of eiser al dan niet verplicht kon worden om de verhuurder de badkamer aan te laten passen behoeft gezien het voorgaande geen bespreking meer.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M. Lankamp, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.