Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4073

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
21-07-2016
Zaaknummer
292366
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intentieovereenkomst met gemeente over verplaatsing tuincentrum. Problemen rondom benodigde verkeersafwikkeling en ontsluiting. Afgebroken onderhandelingen. Inspanningsverplichting Gemeente. Vordering tot schadevergoeding ingesteld door tuincentrum omdat er geen overeenkomst tot bedrijfsverplaatsing tot stand is gekomen. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2138
NJF 2016/381
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/292366 / HA ZA 15-638 / 357/871

Vonnis van 15 juni 2016

in de zaak van

vennootschap onder firma [eiseres],

gevestigd te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.J. Pesch te Utrecht,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE CULEMBORG,

zetelend te Culemborg,

gedaagde,

advocaten mr. K. Dankers en mr. P.V. Kleijn te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 februari 2016

  • -

    het (verkort) proces-verbaal van comparitie van 12 april 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] exploiteert een tuincentrum aan de [adres 1] te [plaats] . Het tuincentrum ligt binnen de bebouwde kom en is omsloten door woonbebouwing. Het bedrijf heeft op deze plaats nagenoeg geen uitbreidingsmogelijkheden.

2.2.

Omstreeks 2004 zijn [eiseres] en de Gemeente met elkaar in gesprek gegaan over verplaatsing van het tuincentrum naar een locatie aan de zuidrand van de bebouwde kom, nabij de rotonde waar de [straat 1] en de [N nummer 1] elkaar kruisen. De [N nummer 1] is een doorgaande provinciale weg die aan de zuidzijde langs [plaats] voert en die [plaats] met de A2 verbindt. De [straat 1] is de doorgaande verbindingsweg tussen [plaats] en het zuidelijker gelegen Geldermalsen. Het betreffende perceel is driehoekig en is aan twee zijden direct te ontsluiten via respectievelijk de [straat 1] en de [N nummer 1] . Ook is ontsluiting mogelijk aan de derde zijde via de binnen de bebouwde kom van [plaats] gelegen [straat 2] , zij het dat die ontsluiting via percelen van derden moet. Het perceel is op onderstaande kaart zichtbaar als de langgerekte, lichtgrijze driehoek ten noorden van de provinciale weg [N nummer 1] , ten zuidwesten van de [straat 1] en ten oosten van het zwembad [naam 1] aan de [straat 2] .

Illustratie verwijderd

2.3.

De rotonde [straat 1] / [N nummer 1] vormt een belangrijke ontsluiting voor [plaats] en kent, ook in 2004 al, een hoge verkeersdruk.

2.4.

Bij brief van 8 augustus 2005 heeft de Gemeente aan [eiseres] geschreven:

“U hebt ons op 22 april een brief gestuurd over de door u gewenste bedrijfsverplaatsing van uw tuincentrum naar de hoek [straat 1] – N 320. Reeds geruime tijd zijn wij met u hierover in gesprek. (…) Daarom staan wij in beginsel positief tegenover de ontwikkelingsrichting van het plan voor het bouwen van een tuincentrum op de locatie [N nummer 1] - [straat 1] . De plannen dienen echter verder uitgewerkt te worden voordat een definitief besluit hierover genomen wordt. Hierbij dient met name aandacht te worden besteed aan de verkeersafwikkeling en de stedenbouwkundige inpassing in de omgeving.

Verkeersdruk

(…) Het nieuwe tuincentrum wordt ruim 1,5 tot 2 maal zo groot als het huidige aan de [adres 1] . Dat betekent een fors aantal afslaande bewegingen vlakbij de drukke (provinciale) rotonde [N nummer 1] - [straat 1] . Het is in elk geval nodig bij de uitwerking van de plannen rekening te houden met de wens van de Gemeente [plaats] en de Provincie om op de rotonde [N nummer 1] - [straat 1] maatregelen te nemen (bijv. een bypass) waardoor de doorstroming verbetert. (…)”

2.5.

Bij brief van 3 juli 2007 heeft de Gemeente aan [eiseres] het volgende geschreven:

“(…) Juist de schaal van uw bedrijf inclusief de door u gewenste uitbreiding noopt tot de constatering dat het bedrijf zich niet meer verhoudt met de omringende woonbebouwing en om deze reden zijn wij bereid om medewerking te verlenen aan de verplaatsing van uw bedrijf op basis van de hierna genoemde voorwaarden.

(…) Gebleken is dat een nieuwe locatie op het perceel gelegen op de hoek [N nummer 1] en de [straat 1] in het plan [meer] te [plaats] mogelijkheden biedt voor uw bedrijfsvoering. Uiteraard dient de uitwerking van uw plan in overeenstemming te zijn met de specifieke ontwerp eisen van het plan [meer] . Voorts is het noodzakelijk om hoge stedenbouwkundige eisen en verkeerstechnische eisen aan deze bijzondere locatie te stellen.

(…) Om het bedrijf goed te ontsluiten voor het verkeer zijn forse nieuwe inritten en uitritten nodig vanaf de openbare weg. U bent bereid om de kosten hiervan voor uw rekening te nemen. (…)

In een nog uit te werken samenwerkingsovereenkomst en in de exploitatieovereenkomsten voor de nieuwe bedrijfsvestiging aan de [straat 1] en de woningbouwontwikkeling aan de [adres 1] zullen ondermeer de volgende aspecten nog verder worden uitgewerkt: (…)

 verkeer en parkeren;

(…)

Nadat er overeenstemming bestaat over deze onderwerpen ontstaat er een basis voor de planologische medewerking voor de twee locaties.”

2.6.

Op 4 oktober 2007 heeft [eiseres] het onder 2.2. omschreven perceel grasland, kadastraal bekend gemeente [plaats] [kadastrale aanduiding] , groot 29.920 m2 van een derde gekocht voor € 781.809,60. Op 1 november 2007 heeft de levering plaatsgevonden.

2.7.

In het aan [eiseres] door de Gemeente kenbaar gemaakte emailbericht van [naam 2] (provincie Gelderland) aan [naam 3] (gemeente [plaats] ) van 15 mei 2008 staat, voor zover van belang, het volgende:

“Onze verkeersregeldeskundige heeft de opstellengten bepaald ingeval de huidige rotonde [N nummer 1] / [N nummer 2] / [straat 1] wordt gereconstrueerd tot VRI (rechtbank; verkeersregelinstallatie, ook wel verkeerslichten). De opstellengten voor de VRI zijn gebaseerd op kruispuntstromen uit het verkeersmodel dat is gebruikt voor de studie naar het effect van een oostelijke ontsluiting. (…) Op basis van die variant is een minimale opstellengte nodig van 130 meter op de [straat 1] . Volgens mij betekent dit dat de huidige locatie van de in/uitrit van het tuincentrum in het opstelvak voor de VRI komt te liggen. Om bij de planvorming voor de aansluiting niet afhankelijk te zijn van de in/uitrit van het tuincentrum dient de in/uitrit minimaal 130 meter van de aansluiting te worden gesitueerd.”

2.8.

Op 23 september 2009 hebben [eiseres] en de Gemeente de ‘Intentieovereenkomst ontwikkelingen tuincentrum [eiseres] ’ gesloten. Deze overeenkomst (hierna verder: intentieovereenkomst) luidt, voor zover relevant, als volgt:

“In aanmerking nemende dat:

  1. (…)

  2. (…)

  3. (…)

  4. e Gemeente aan [eiseres] bij brief van 3 juli 2007 (…) heeft laten weten dat de Gemeente “er hecht dat u, als belangrijk familiebedrijf binnen de gemeente [plaats] , in staat wordt gesteld uw bedrijfsvoering op een andere locatie binnen [plaats] op een rendabele wijze voort te kunnen zetten”;

  5. de brief als bedoeld in overweging d inhoudt dat de Gemeente bereid is te bezien of het mogelijk is te komen tot verplaatsing van het tuincentrum [eiseres] , waarbij [eiseres] :
    a. het tuincentrum verplaatst naar de gronden gelegen in de hoek [straat 1] / [N nummer 1] (…)
    b. de vrijgekomen gronden aan de [adres 1] , na verplaatsing van het tuincentrum naar de locatie hoek [straat 1] / [N nummer 1] , herontwikkelt met woningbouw en bijbehorende voorzieningen van openbaar nut;

  6. partijen het voornemen hebben nader te onderzoeken of, en zo ja onder welke voorwaarden, aan het gestelde in overweging e uitvoering kan worden gegeven, waarbij Partijen uitspreken dat voor het te verrichten onderzoek als uitgangspunt geldt dat de verplaatsing van het tuincentrum en de herontwikkeling van de vrijkomende locatie aan de [adres 1] onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden;

  7. (…)

  8. (…)

  9. (…) hetgeen betekent dat voor de daadwerkelijke realisatie van bedoeld tuincentrum en de beoogde herontwikkeling een wijziging van genoemde bestemmingsplannen nodig is;

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

artikel 1. Definities

(…)

einddocument

het beslisdocument dat geldt als eindresultaat van het uit te voeren onderzoek naar de totstandkoming van een voor Partijen maatschappelijk en financieel-economisch plan voor de ontwikkeling en realisatie van een tuincentrum op de locatie hoek [straat 1] / [N nummer 1] (…) dat de basis kan vormen voor zowel een nog op te stellen ontwerp van een bestemmingsplan als de nog te voeren onderhandelingen tussen Partijen over de totstandkoming van een samenwerkingsovereenkomst.

(…)

Artikel 2. Doel en strekking van de overeenkomst

2.1.

Het doel van de overeenkomst is te onderzoeken in hoeverre Partijen kunnen komen tot het gezamenlijk (doen) vervaardigen en opstellen van een einddocument over de realisatie van plannen voor het studiegebied. Het einddocument dient zodanig te zijn dat:

a. (…)

b. Partijen onderhandelingen over een samenwerkingsovereenkomst voor de realisatie van bedoeld bestemmingsplan kunnen beginnen.

artikel 3. Taken van de Gemeente

3.1.

De Gemeente zal vanwege haar overheidsfunctie en binnen de grenzen van haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheid, hetgeen door [eiseres] als zodanig wordt aanvaard en erkend, al het nodige doen dat in redelijk- en billijkheid van haar verwacht mag worden om tot een aanvaardbaar onderzoeksresultaat te komen.

(…)

3.6.

Voor zover het in haar vermogen ligt en behoudens publiek- en privaatrechtelijke belemmeringen, al het mogelijke doen om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan en gewenste ontwikkelingen te bevorderen.

(…)

artikel 7. Einddocument

(…)

7.8.

Indien het onderzoek en/of het einddocument – ondanks de inspanningsverplichting en goede trouw van Partijen – niet tot overeenstemming leidt, kan geen enkele partij het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst eenzijdig afdwingen noch enig beroep doen op enigerlei wijze van vergoeding van kosten en/of eventuele schade.


artikel 12. Toerekenbare tekortkoming

(…)

12.3

In afwijking van het bepaalde in artikel 12.1 en 12.2 erkent [eiseres] uitdrukkelijk de publiekrechtelijke verantwoordelijkheid van de Gemeente.

(…)

2.9.

Voor het opstellen van het ‘einddocument’ is een projectgroep met vertegenwoordigers van [eiseres] en de Gemeente ingesteld.

2.10.

In opdracht van [eiseres] heeft [bedrijf 1] (hierna verder: [bedrijf 1] ) op 11 januari 2010 het rapport ‘Verkeersonderzoek Tuincentrum, Variantenstudie ontsluiting zoeklocatie [straat 1]’ uitgebracht. In hoofdstuk 3 met de titel ‘Uitgangspunten’ is onder paragraaf 3.1 met het opschrift ‘Ontwikkelingen’ onder meer het volgende opgenomen:

“ 3.1.1 Verkenning [N nummer 1]

In het provinciaal coalitieakkoord 2007-2011 zijn vijf verkeersknelpunten benoemd die om een oplossing vragen. Een van de knelpunten betreft de [N nummer 1] . (…)

Begin 2010 start de verkenningsfase. In deze fase zullen de knelpunten en oplossingen gedetailleerder worden onderzocht. De provincie Gelderland verwacht dat niet eerder dan eind 2010 een ontwerpbesluit kan worden genomen (…).

Voor het tuincentrum leiden de bovengenoemde ontwikkelingen tot veel onzekerheid. Want als de bestaande rotonde [N nummer 1] – [straat 1] niet wordt vergroot maar wordt vormgegeven als een kruispunt met verkeerslichten, dan veranderen de mogelijkheden voor een goede ontsluiting van het tuincentrum. De oplossing die nu voor het tuincentrum wordt gekozen, moet kunnen functioneren bij elke mogelijke vormgeving van het kruispunt [N nummer 1] – [straat 1] .

(…)

Dat betekent dat in deze studie voor de ontsluiting van het tuincentrum rekening moet worden gehouden met een ‘worst-case-scenario’. Oftewel met de mogelijkheid dat er geen extra aansluiting op de [N nummer 1] komt. (…) ”

Het rapport voorziet in zes varianten waarvan er twee volgens het rapport toekomstbestendig zijn. De twee toekomstbestendige varianten voorzien naast de uitwegen van het tuincentrum op de [straat 1] ook in uitwegen op de [straat 2] .

2.11.

In april 2010 heeft de onder 2.9 bedoelde projectgroep het concept voor het einddocument zoals bedoeld in de intentieovereenkomst opgesteld. Daarin is voor zover relevant het volgende opgenomen:

“4. Nieuwbouwlocatie tuincentrum [straat 1] / [N nummer 1]

4.1.

Algemeen

Bij brief van 8 augustus 2005 heeft de gemeente [plaats] aan [eiseres] meegedeeld positief te staan tegenover vestiging van een nieuw tuincentrum op deze locatie. (…) Voordat een definitief besluit genomen wordt, moesten de plannen wel verder worden uitgewerkt waarbij aandacht zou moeten worden besteed aan de verkeersafwikkeling en de stedenbouwkundige inpassing in de omgeving. (…)

4.2

Verkeersaspecten

(…) In het onderzoek zijn capaciteitsberekeningen uitgevoerd op basis van de te verwachten toekomstige verkeersbewegingen. (…) De verkeersbewegingen op de [straat 1] zijn gebaseerd op een autonome groeifactor en de bestaande wegenstructuur. Hier schuilt echter een onzekere factor in. (…) De resultaten van dit onderzoek kunnen dus nog leiden tot een ander oordeel.

4.2.1.

Provinciaal onderzoek rotonde [N nummer 1] / [straat 1]

(…) In deze fase zal dus ook duidelijk worden wat de verwachte effecten en verkeersintensiteiten op de [straat 1] zullen zijn. Op basis van de verkenning zullen provincie en gemeente een besluit nemen over de vormgeving van de toekomstige wegenstructuur en die van de afzonderlijke kruispunten. Naar verwachting is dit onderzoek eind 2010 afgerond.

Naast vergroting en optimalisering van de huidige rotonde moet ook rekening gehouden worden met een variant waarbij de rotonde niet wordt vergroot, maar wordt vormgegeven als een kruispunt met verkeerslichten. Dit heeft uiteraard gevolgen voor een goede ontsluiting van het tuincentrum.

(…)

6 Samenvatting en conclusies

Uit het onderzoek is gebleken dat op basis van de door [eiseres] en de gemeente geformuleerde uitgangspunten die deel uitmaken van de intentieovereenkomst, verplaatsing van het tuincentrum naar de locatie [straat 1] / [N nummer 1] en realisering van woningbouw op de vrijkomende locatie aan de [adres 1] mogelijk is.

(…)

Uit het verkeersonderzoek voor de nieuwe vestiging aan de [straat 1] is gebleken dat een ontsluiting op de [straat 1] mogelijk is, maar dat de definitieve vormgeving samenhangt met de uitkomst van de provinciale studie naar de kruising [straat 1] / [N nummer 1] en de eventuele extra ontsluitingsmogelijkheden op de [N nummer 1] .”

2.12.

Het einddocument is in april 2010 ter voorlopige vaststelling voorgelegd aan het College van burgemeester en wethouders. Het College heeft dienovereenkomstig besloten op 28 april 2010, waarna er informatieavonden zijn gehouden voor omwonenden van zowel de locatie [straat 1] / [N nummer 1] als de locatie [adres 1] .

2.13.

In opdracht van de provincie Gelderland (hierna: de provincie) heeft ingenieursbureau [bedrijf 2] een verkeersstudie uitgevoerd ‘ter verkenning van de doorstromingsproblematiek op de [N nummer 1] ter hoogte van [plaats] ’. In een intern memo van de provincie van 25 oktober 2010 is hierover het volgende opgenomen:

“Uit de verkeersstudie blijkt dat er in de toekomst forse afwikkelingsproblemen ontstaan op de [straat 1] , aangezien de huidige rotondes het verkeer niet meer kunnen verwerken. (…) Naast het forse verkeersaanbod (19.000 mvt/etm.) hebben de fietsers en de ontsluiting van tuincentrum ook veel invloed op beschikbare capaciteit. Het is zowel vanuit verkeersveiligheid als verkeersafwikkeling wenselijk om de fietsers op een goede en veilige manier met het autoverkeer te laten kruisen op deze belangrijke ontsluitingsroute naar de [N nummer 1] . Ook het tuincentrum zal een forse invloed hebben op de afwikkelingscapaciteit van de [straat 1] . Een directe aansluiting op de [straat 1] levert onoverzichtelijke en gevaarlijke situaties op voor verkeer van/naar het tuincentrum, onder meer omdat een in twee richtingen bereden fietspad overgestoken moet worden op een zeer druk wegvak met 19.000 mvt/etm.. Om die reden is de provincie van mening dat het vanuit het oogpunt verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid zeer ongewenst om de aansluiting van het tuincentrum direct op de [straat 1] situeren. De voorkeur gaat uit om de mogelijkheden voor een ontsluiting via [straat 2] nader uit te werken. Overigens is dit door de [bedrijf 1] in een eerdere verkeersstudie naar de ontsluiting van het tuincentrum ook geadviseerd. (…)”

2.14.

Op 9 november 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] en wethouder [naam 4] van de Gemeente. In het gespreksverslag staat, voor zover relevant, het volgende:

“De heer [eiseres] heeft kennis hebben genomen van de uitkomsten van de provinciale studie [N nummer 1] . (…). Uit een oogpunt van verkeersveiligheid en een goede doorstroming zijn nieuwe aansluitingen op dit gedeelte van de [straat 1] volgens de provincie volstrekt ongewenst. (…)

Daarnaast is het misschien verstandig om nu ook naar alternatieven te kijken. Een ontsluiting via de [straat 2] zou een alternatief kunnen zijn. (…)”

2.15.

Na het gesprek op 9 november 2010 zijn de besprekingen tussen de Gemeente en [eiseres] stil komen te liggen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - veroordeling van de Gemeente tot betaling van:

  • -

    i) een schadevergoeding van € 1.131.225,65, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 409.363,65 (gemaakte onderzoekskosten) vanaf 20 november 2010 en over € 721.862,00 (waardevermindering grond) vanaf 30 oktober 2015, beide tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    ii) een schadevergoeding, nader op te maken bij staat, bestaande uit gemist rendement uit de onderneming vanaf 3 juli 2007 tot heden, althans tot en met eind 2010;

  • -

    iii) € 9.096,00 en € 12.179,86 en € 8.932,27 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    iv) de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na vonnisdatum tot aan de dag der voldoening.

3.2.

[eiseres] baseert zijn vordering tot schadevergoeding primair op de stelling dat de Gemeente onrechtmatig, althans in strijd met de redelijkheid en billijkheid, heeft gehandeld door de onderhandelingen tussen partijen over verplaatsing van het tuincentrum af te breken en bedrijfsverplaatsing te blokkeren terwijl [eiseres] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de overeenkomst tot bedrijfsverplaatsing tot stand zou komen.

Nadat de provincie in oktober/november 2010 aan de Gemeente had meegedeeld dat zij de rotonde wilde omvormen tot een kruising met verkeerslichten waarbij ontsluiting van het tuincentrum op de [straat 1] niet meer in het ontwerp zou passen, heeft de Gemeente binnen enkele weken het besluit genomen hiermee akkoord te gaan. Vanaf april 2010 (einddocument) beschikte de Gemeente echter niet meer over de vrijheid om geen uitvoering te geven aan de beoogde bedrijfsverplaatsing, aldus telkens [eiseres] .

Subsidiair baseert [eiseres] zijn vordering tot schadevergoeding op de stelling dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Het was op grond van de inspanningsver-plichting zoals opgenomen in artikel 3.6. van de intentieovereenkomst, aan de Gemeente om de provincie op andere gedachten te brengen, zeker nu [eiseres] aan alle voorwaarden van de intentieovereenkomst had voldaan en door de Gemeente in de intentieovereenkomst geen uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt was ten aanzien van de standpuntbepaling van de provincie. [eiseres] stelt dat hij achteraf bezien vergeefs het perceel heeft aangekocht en kosten heeft gemaakt ter voorbereiding van de bedrijfsverplaatsing.

3.3.

De Gemeente voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vraag die allereerst voorligt is of de Gemeente ten onrechte de onderhande-lingen met [eiseres] heeft afgebroken. Vooropgesteld wordt dat de Gemeente zich in beginsel bereid heeft verklaard medewerking te verlenen aan verplaatsing van het tuincentrum van [eiseres] , waarbij zij heeft toegezegd zich binnen de grenzen van haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheid te zullen inspannen voor verplaatsing naar de locatie hoek [straat 1] / [N nummer 1] . Voorts is van belang dat [eiseres] het onderhavige perceel reeds in 2007, ruim voor het sluiten van de intentieovereenkomst heeft gekocht. Op dat moment had de Gemeente nog geen harde toezeggingen gedaan en had zij reeds voorbehouden gemaakt ten aanzien van eventuele bestuursrechtelijke belemmeringen, voortkomend uit haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheid, waaronder de verkeersmaatregelen ook moeten worden begrepen.

4.2.

De in verband met de beoogde verplaatsing van het tuincentrum te treffen verkeersmaatregelen zijn bovendien al in een vroeg stadium tussen partijen onderwerp van gesprek geweest. Voor [eiseres] moet van meet af aan duidelijk zijn geweest dat de ontsluiting op zowel de [straat 1] als de [N nummer 1] vanwege de grote verkeersdrukte op die wegen, problematisch zou kunnen zijn. Ook moet voor haar duidelijk zijn geweest dat de provincie hierin een zwaarwegende stem had als wegbeheerder van de provinciale weg [N nummer 1] . Dit terwijl de provincie geen partij was bij de onderhandelingen die tussen de Gemeente en [eiseres] over de verplaatsing van het tuincentrum hebben plaatsvonden. Tot slot is van belang dat de Gemeente in de intentieovereenkomst een duidelijk voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot haar rol als overheidslichaam, daar waar in artikel 3 kort gezegd is bepaald dat zij steeds binnen haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheden zal opereren.

4.3.

Na het rapport van [bedrijf 1] van januari 2010 was voor [eiseres] en de Gemeente blijkbaar duidelijk dat een directe ontsluiting op de [N nummer 1] geen reële optie was. Daarna heeft men zich geconcentreerd op de vraag of een ontsluiting via de [straat 1] mogelijk was. Toen de Gemeente eind oktober/begin november 2010 duidelijk werd welke verkeersmaatregelen de provincie wilde treffen om de doorstroming op de [N nummer 1] te verbeteren en ontsluiting van het door Van de Hurk gekochte perceel via de [straat 1] volgens de provincie niet tot de mogelijkheden behoorde omdat dat bij een door de provincie gewenste inrichting van de [straat 1] te grote risico’s zou opleveren voor de verkeersveiligheid, heeft de Gemeente dit standpunt van de provincie gevolgd en heeft zij hierover op 9 november 2010 met [eiseres] gesproken. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de Gemeente het rapport van [bedrijf 1] en het emailbericht van 15 mei 2008 nogmaals bij de provincie onder de aandacht gebracht, echter de provincie heeft haar standpunt niet gewijzigd en de Gemeente vervolgens evenmin.

4.4.

Het stadium waarin de onderhandelingen tussen [eiseres] en de Gemeente zich bevonden en de door haar daarbij gemaakte voorbehouden, noopten de Gemeente er niet toe zich zonder meer te laten leiden door de belangen van [eiseres] . Als overheidslichaam heeft de Gemeente in het kader van haar publiekrechtelijke taak en bevoegdheden immers ook andere belangen te behartigen, zoals het belang van de verkeersveiligheid. Op dit punt had de provincie immers zwaarwegende bedenkingen, onder andere wat betreft de verkeersveiligheid van fietsers, die op dit drukke punt extra in het gedrang zou kunnen komen als ook nog eens een toe- of uitrit naar het tuincentrum het fietspad zou kruisen. De vrijheid om ook met andere (algemene) belangen rekening te houden, was de Gemeente door de intentieovereenkomst met [eiseres] niet verloren, gezien het bepaalde in artikel 3. Anders dan [eiseres] betoogt, beschikte de Gemeente ook na het opstellen van het voorlopig einddocument in april 2010 nog over die vrijheid. In het voorlopige einddocument is immers het voorbehoud gemaakt dat de resultaten van het onderzoek van de provincie nog tot een ander oordeel kunnen leiden. Ook het betoog van [eiseres] dat de Gemeente gehouden was de provincie op andere gedachten te brengen, gaat gezien het vorenstaande niet op, nog afgezien van het feit dat de Gemeente zich op dit punt ook enige moeite heeft getroost, door nadien nog een keer het rapport van [bedrijf 1] bij de provincie onder de aandacht te brengen.

4.5.

De door de Gemeente gemaakte keuze om het standpunt van de provincie te volgen, betekende niet het einde voor de plannen van [eiseres] , maar betekende wel dat het perceel van [eiseres] op de hoek [straat 1] / [N nummer 1] alleen nog via de [straat 2] te ontsluiten was. De rechtbank is uit het gespreksverslag en de verklaringen van partijen tijdens de comparitie gebleken dat de Gemeente dit tijdens het gesprek van 9 november 2010 aan [eiseres] ook zo heeft voorgelegd. [eiseres] heeft tijdens de comparitie van partijen verklaard dat hij een aarzeling had bij ontsluiting via de [straat 2] omdat hiervoor nog grond van een derde verkregen moest worden en waarschijnlijk niet al het verkeer via de [straat 2] zou kunnen gaan. De onderhandelingen ten aanzien van ontsluiting via de [straat 2] zijn vervolgens stil komen te liggen en partijen zijn andere locaties voor het tuincentrum gaan verkennen. Bij die stand van zaken kan niet geoordeeld worden dat het de Gemeente is geweest die de onderhandelingen voor bedrijfsverplaatsing naar de locatie [N nummer 1] / [straat 1] heeft afgebroken, laat staan dat dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer kon, zoals primair door [eiseres] is gesteld.

4.6.

De toerekenbare tekortkoming die [eiseres] aan haar subsidiaire vordering ten grondslag legt, wordt gebaseerd op de stelling dat het op grond van de inspanningsverplich-ting zoals vastgelegd in de intentieovereenkomst, aan de Gemeente was om de provincie op andere gedachten te brengen, ook omdat in die overeenkomst ten aanzien van de standpunt-bepaling van de provincie door de Gemeente geen uitdrukkelijk voorbehoud was gemaakt. Een expliciet voorbehoud is inderdaad niet opgenomen in de intentieovereenkomst, maar dit laat onverlet dat artikel 3 de Gemeente de ruimte geeft om de provincie te volgen, daar waar deze, bezien vanuit het algemeen belang, redelijke standpunten inneemt. Die ruimte zou er slechts dan niet zijn als de provincie ongerijmde standpunten zou hebben ingenomen, maar daarvan is niet gebleken. Er lagen immers duidelijke publieke belangen ten grondslag aan de oordeelsvorming van de provincie, zoals de verkeersveiligheid voor met name fietsers. Dit laatste brengt overigens ook mee dat zelfs indien dit voorbehoud door de Gemeente bewust niet zou zijn gemaakt, te gelden heeft dat het op zichzelf redelijke standpunt van de provincie dat een ontsluiting via de [straat 1] hoe dan ook te veel risico’s voor de verkeersveiligheid zou opleveren, voor partijen een omstandigheid zou zijn geweest waar zij tot dan toe geen rekening mee hadden gehouden bij het maken van hun afspraken en waar zij - als redelijke contractspartijen die over en weer rekening hebben te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen - voor het vervolg alsnog rekening mee zouden hebben te houden. Tot slot geldt nog dat zelfs als de Gemeente gehouden zou zijn geweest de provincie op andere gedachten te brengen, dit alleen schadeplichtigheid van de Gemeente met zich zou brengen als ook komt vast te staan dat dit ertoe geleid zou hebben dat de provincie haar standpunt zou hebben aangepast, waarna ontsluiting via de Rijksweg alsnog mogelijk zou zijn. Dit laatste is echter noch gesteld, noch gebleken en gelet op het hiervoor genoemde verkeersveiligheidsaspect acht de rechtbank dat ook niet erg waarschijnlijk.

4.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wijst de rechtbank de vorderingen van [eiseres] af.

4.8.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht 3.864,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 10.286,00

4.9.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 10.286,00,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Gemeente niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M Vaessen, mr. D.M.I. de Waele en
mr. E.C.G. Okhuizen en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2016.

Coll.: PM