Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4061

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
21-07-2016
Zaaknummer
285049
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2016:4062. Na verkregen nadere inlichtingen van partijen geeft de rechtbank nu de al aangekondigde bewijsopdrachten ten aanzien van de gestelde overeengekomen overname van klanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

á

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/285049 / HA ZA 15-351

Vonnis van 15 juni 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RUBDAM BV,

gevestigd te Geldermalsen,

2. [eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. N.M.J.H. van den Bogaard te Tiel,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IRJECHA BV,

gevestigd te Zaltbommel,

gedaagde in conventie,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. N.J.C. Spapen te Zaltbommel.

Partijen zullen hierna respectievelijk Rubdam, [eiser] ,Irjecha en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 februari 2016

  • -

    de akte houdende aanvulling gronden vordering in conventie alsmede houdende wijziging (vermindering) van eis in conventie van Rubdam en [eiser]

  • -

    de akte uitlaten in reconventie van Irjecha en [gedaagde]

  • -

    de antwoordakte in conventie van Irjecha en [gedaagde]

  • -

    de akte houdende antwoord akte houdende uitlaten tevens houdende akte overleggen producties (in reconventie) van Rubdam en [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

De eisvermindering

2.1.

Rubdam/ [eiser] heeft haar eis verminderd, zodat deze, samengevat, is gericht op:

1. een verklaring voor recht dat

  • -

    [gedaagde] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de werkafspraken met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden zoals omschreven in de dagvaarding onder 11-15,

  • -

    [gedaagde] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de werkafspraken met betrekking tot de hardware zoals omschreven in de dagvaarding onder 16-19,

  • -

    [gedaagde] gehouden is zich te houden aan de onder 20-22 van de dagvaarding genoemde gentlemen’s agreement, inhoudend dat de in productie 13 bij dagvaarding genoemde klanten van [eiser] niet actief door [gedaagde] mogen worden benaderd,

  • -

    [gedaagde] de onder 23 in de dagvaarding genoemde vergoeding voor [naam 1] aan [eiser] verschuldigd is,

  • -

    [gedaagde] de onder 24 van de dagvaarding genoemde vergoeding voor [naam 2] aan [eiser] verschuldigd is,

  • -

    [gedaagde] de onder punt 26 van de dagvaarding genoemde vergoeding voor de [naam 3] klanten aan [eiser] verschuldigd is,

2. primair

  • -

    [gedaagde] te veroordelen binnen 24 uur na het vonnis na iedere schriftelijke of mailoproep van [eiser] onder verbeurte van een dwangsom uitvoering te geven aan de tussen partijen gemaakte werkafspraken met betrekking tot de hardware (dagvaarding 16-19), primair op de tussen partijen gebruikelijke wijze, subsidiair op de in de branche gebruikelijke wijze,

  • -

    [gedaagde] te veroordelen tot nakoming onder verbeurte van een dwangsom van de gentlemen’s agreement (dagvaarding 20-22) inhoudend dat de in productie 13 bij de dagvaarding genoemede klanten van [eiser] niet actief door [gedaagde] mogen worden benaderd,

  • -

    [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 37.104,30 met rente terzake van de in de dagvaarding onder 14-15 genoemde, geleden en nog te lijden schade,

  • -

    [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 7.865,00 met rente ter zake van de in de dagvaarding onder 23 bedoelde vergoeding voor [naam 1] ,

  • -

    [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 5.082,00 met rente ter zake van de in de dagvaarding onder 24 bedoelde vergoeding voor [naam 2] ,

  • -

    [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 27.225,00 met rente ter zake van de in de dagvaarding onder 26 bedoelde vergoeding voor de overige [naam 3] klanten,

3. [gedaagde] te veroordelen [eiser] buitengerechtelijke incassokosten te vergoeden, met

4. veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure met rente en nakosten.

Stand van zaken na het tussenvonnis van 24 februari 2016

2.2.

In het tussenvonnis is in conventie beslist tot

  • -

    afwijzing van de vordering tot verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de werkafspraken met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden zoals omschreven in de dagvaarding onder 11-15

  • -

    afwijzing van de vordering tot betaling aan [eiser] van € 37.104,30 met rente terzake van de in de dagvaarding onder 14-15 genoemde, geleden en nog te lijden schade,

  • -

    afwijzing van de vordering tot verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de werkafspraken met betrekking tot de hardware zoals omschreven in de dagvaarding onder 16-19

  • -

    afwijzing van de vordering om [gedaagde] te veroordelen na iedere schriftelijke of mailoproep van [eiser] uitvoering te geven aan de tussen partijen gemaakte werkafspraken met betrekking tot de hardware primair op de tussen partijen gebruikelijke wijze, subsidiair op de in de branche gebruikelijke wijze,

  • -

    afwijzing van de vordering tot verklaring voor recht dat [gedaagde] gehouden is zich te houden aan de onder 20-22 van de dagvaarding genoemde gentlemen’s agreement, inhoudend dat de in productie 13 bij dagvaarding genoemde klanten van [eiser] niet actief door [gedaagde] mogen worden benaderd, in zijn algemeenheid,

  • -

    afwijzing van de vordering tot naleving van de gentlemen’s agreement op verbeurte van een dwangsom.

2.3.

De rechtbank heeft op één onderdeel, de ‘overige’ [naam 3] klanten, nadere inlichtingen van Rubdam/ [eiser] gevraagd en op twee onderdelen, [naam 1] en [naam 2] , aangekondigd bewijslevering door Rubdam/ [eiser] te zullen toelaten.

De ‘overige [naam 3] klanten

2.4.

Rubdam/ [eiser] diende zich op grond van het tussenvonnis uit te laten over de grondslagen van het onderdeel van de vordering die in overweging 4.27 van het tussenvonnis onduidelijk genoemd worden. De rechtbank overwoog daar:

Nu Rubdam/ [eiser] haar vordering in hoofdzaak lijkt te gronden op de onder 4.23 en 4.24 bedoelde overeenkomst, ligt het op haar weg het bestaan van deze overeenkomst en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting te bewijzen. Allereerst zal zij zich dienen uit te laten over de grondslagen van haar op dit punt onduidelijke vordering. Dit zal zij bij akte kunnen doen.

2.5.

Het gaat hier om de [naam 3] -klanten buiten [naam 2] . Daaraan is een in het tussenvonnis geciteerde bepaling in de afsprakenlijst bij de brief van 26 juni 2014 gewijd. Volgens Rubdam/ [eiser] – zij herhaalt dit in de toelichting in haar akte – is in november 2014 mondeling nader overeengekomen dat [gedaagde] jaarlijks € 10.000,00 exclusief btw zou betalen aan [eiser] voor de reguliere [naam 3] klanten in het noorden van Nederland, waarmee aangesloten is bij de verdeling die tijdens de samenwerking al tussen [eiser] en Van den [gedaagde] aangehouden werd. Deze overeenkomst zou gelden van medio november 2014 tot eind 2016. Ze zou zijn voorgesteld door [gedaagde] en per mail geaccepteerd zijn door [eiser] .

2.6.

Rubdam/ [eiser] verwijst hiervoor naar een in het tussenvonnis reeds gedeeltelijk weergegeven e-mail van [eiser] aan [gedaagde] van 12 november 2014 met als onderwerp ‘afspraak gemaakt gisteren’ en als inhoud:

Vorige week gaf je aan dat je voor de reguliere [naam 3] afspraak geen zin had om dit steeds te verantwoorden naar mij (dus de klantenlijst van 26-6 aangemerkt op de lijst [gedaagde] - [eiser] ).

Je wilde de € 10.000,- gewoon per jaar aan mij voldoen. Ik heb hierover nagedacht en ben akkoord met dit voorstel. Dus voor 2015 en 2016 stuur ik je een factuur per 1 januari van een nieuw jaar en deze verrekenen we met openstaande facturen over en weer.

De afspraak voor WW, [naam 2] (…) en [naam 4] blijven wel gewoon overeind en vallen natuurlijk niet binnen dit bedrag. Deze worden middels een open calculatie per kwartaal achteraf verrekend is mijn voorstel, i.p.v. per maand, zoals eerder besproken.

Graag zie ik voor het einde van dit jaar in ieder geval een omzet-inkoop voorstel over de afwikkeling over 2014. (over de periode juli tot en met december)

Akkoord?

2.7.

Dit 'Akkoord?' was de enige vraag in dit e-mailbericht en kon niet anders dan terugslaan op het enige voorstel dat er in stond. Dit was het voorstel de [naam 3] -klanten [naam 1] , [naam 2] en [naam 4] door een open calculatie per kwartaal in plaats van per maand achteraf te verrekenen. Op de vraag om een akkoord op dit voorstel komt van Van den [gedaagde] uitsluitend het antwoord 'Ik kom hier op terug'.

2.8.

Uit het onderwerp (‘afspraak gemaakt gisteren’) en de inhoud (in het bijzonder: ‘Ik heb hierover nagedacht en ben akkoord met dit voorstel’) van het mailtje van [eiser] d.d. 12 november 2014 blijkt voorts overduidelijk, dus ook kenbaar voor [gedaagde] , dat [eiser] ervan uit ging te antwoorden op een voorstel van [gedaagde] . [eiser] kon en mocht er daarom op vertrouwen dat [gedaagde] in de mail van 12 november 2014 ten aanzien van de ‘overige [naam 3 klanten] ’ een aanvaarding van haar eigen aanbod las. [gedaagde] van haar kant behoorde dit, gelet op wat zojuist is overwogen, te begrijpen en terstond nadrukkelijk in te grijpen als ze een misverstand bespeurde bij [eiser] . Dit laatste heeft zij niet gedaan; ‘ik kom hierop terug’ is daarvoor onvoldoende, al was het maar omdat het ook uitsluitend op [eiser] voorstel kon slaan.

2.9.

Uit het voorgaande volgt dat met [eiser] bevestiging op 12 november 2014 de door hem en Rubdam gestelde overeenkomst tot stand is gekomen.

2.10.

De slotsom is op dit onderdeel dat de vordering tot verklaring voor recht dat [gedaagde] de onder punt 26 van de dagvaarding genoemde vergoeding voor de [naam 3] klanten aan [eiser] verschuldigd is, en de vordering [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 27.225,00 met rente ter zake van de in de dagvaarding onder 26 bedoelde vergoeding voor de overige [naam 3] klanten, toewijsbaar zijn.

Bewijsopdrachten

2.11.

Voorts zijn in het tussenvonnis onder 4.16 en 4.20 in verband met de vorderingen inzake [naam 1] en [naam 2] mogelijk in een later stadium te geven bewijsopdrachten genoemd. De rechtbank zal thans tot het geven van deze bewijsopdrachten overgaan.

Slotsom in conventie

2.12.

Daargelaten de uitkomst van de bewijslevering, die in totaal vorderingen betreft voor een bedrag van € 10.700,00 exclusief btw, zijn gezien het voorgaande de vorderingen van Rubdam/ [eiser] tot een bedrag van € 27.225,00 toewijsbaar.

in reconventie

Stand van zaken na het tussenvonnis van 24 februari 2016

2.13.

In het tussenvonnis is beslist dat de vordering voor € 4.489,00 (oplossen van klachten voor [naam 1] ) en voor € 5.819,00 (openstaande vorderingen van de oude onderneming) afgewezen moeten worden.

2.14.

Voor het overige zijn nadere inlichtingen van Irjecha/ [gedaagde] gevraagd waarop de rechtbank nu in zal gaan.

Vermindering van de eis

2.15.

Irjecha/ [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld bij akte de vordering gebaseerd op onbetaald gebleven facturen tot een bedrag van € 31.377,50 opnieuw te berekenen naar de ontvangen betalingen. Op deze facturen is € 446,76 betaald, stelt Irjecha/ [gedaagde] , zodat terzake nog een vordering van € 30.930,74 resteert. De eis in reconventie is dienovereenkomstig verminderd.

Factuur 201400587

2.16.

In het tussenvonnis is Irjecha/ [gedaagde] in verband met de factuur 201400587, die voor een deel ‘ontwikkeling huisstijl Lekker Praktisch’ en voor een deel ‘werkzaamheden website Lekker Praktisch’ betreft, de gelegenheid geboden haar betoog te verduidelijken en te onderbouwen met concrete gegevens over de gegeven opdrachten, het geleverde resultaat en de gewerkte uren, omdat onduidelijk was om welke opdracht(en) van Rubdam/ [eiser] het hier ging.

2.17.

Irjecha/ [gedaagde] legt uit wat aan werkzaamheden verricht is, samengevat het bouwen ten behoeve van Lekker Praktisch van een nieuwe website met content en het ontwikkelen van een nieuwe huisstijl. Hieraan, stelt zij, zijn respectievelijk ca. 285 uur en ca. 320 uur gewerkt. Dit alles gebeurde toen de website [website] , die gratis opgeleverd zou worden, bijna voltooid was. De opdrachten voor deze nieuwe werkzaamheden waren afkomstig van [eiser] en gegeven in juli 2014, stelt [gedaagde] .

2.18.

De door Irjecha/ [gedaagde] overgelegde stukken en gegeven toelichting tonen inderdaad, zoals zij stelt, aan dat er een site en een huisstijl voor Lekker Praktisch ontwikkeld zijn en aannemelijk is dat hieraan inderdaad door meerdere medewerkers van [gedaagde] gewerkt is. Of het geleverde in lijn ligt met de gegeven opdracht, kan niet worden beoordeeld zolang deze opdracht niet vast staat.

2.19.

Dit laatste is echter niet van belang in verband met het volgende. Concrete gegevens over de gewerkte uren ontbreken nog steeds. Irjecha/ [gedaagde] kan waar het de onderbouwing van een op onbetaald gebleven facturen – dus niet op bijvoorbeeld het verkrijgen van een redelijke vergoeding voor uitgevoerd werk – gebaseerde vordering betreft, niet volstaan met de stelling dat factuur 201400587 ‘redelijk’ is voor de tijdsbesteding, die zij schat op 285 plus 320 uur, een aantal uren dat, anders dan Irjecha/ [gedaagde] stelt, niet gespecificeerd wordt, maar zonder al te veel onderbouwing wordt geschat in haar producties 19 en 20.

2.20.

De rechtbank acht deze onderbouwing van de facturen onvoldoende om als specificatie te kunnen gelden, temeer waar het niet gaat om enkele uren, maar ruim zeven respectievelijk acht volledige werkweken. De factuur 201400587 is daarmee onvoldoende onderbouwd en reeds daarom moet de vordering op dit onderdeel worden afgewezen.

Webhosting [website]

2.21.

Het derde nog verder te behandelen onderdeel van de vorderingen in reconventie is in het tussenvonnis onder 4.39 genoemd. Irjecha/ [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld te reageren op het verweer dat de domeinnaam [website] niet meer actief was en opgezegd had kunnen worden, dat Rubdam/ [eiser] heeft gevoerd in verband met de factuur 20150558 ad € 90,06 exclusief btw betreffende kosten voor webhosting van die domeinnaam.

2.22.

Irjecha/ [gedaagde] voert aan dat over opzegging nooit gesproken is tussen partijen. De reactie hierop van Rubdam/ [eiser] dat overeengekomen is dat het domein aan haar verviel, weerspreekt dit laatste niet. Het gaat om kosten ten behoeve van de domeinnaam en het had als deze niet meer gemaakt behoefden te worden, op haar weg gelegen dit duidelijk te maken aan [gedaagde] . De vordering is dus op dit onderdeel toewijsbaar voor € 90,06.

Slotsom in reconventie

2.23.

De vorderingen in reconventie zijn toewijsbaar voor € 90,06. Als voor het overgrote deel in het ongelijk gesteld partij zal Irjecha/ [gedaagde] in de kosten van de procedure in reconventie worden verwezen.

2.24.

Om de procedures in conventie en reconventie niet uit elkaar te laten lopen zal thans iedere beslissing worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende

in conventie

3.1.

draagt Rubdam/ [eiser] op te bewijzen

  1. dat [naam 1] , een klant van [eiser] , door [gedaagde] is overgenomen en dat ter gelegenheid hiervan is overeengekomen dat Rubdam/ [eiser] de helft van het te verwachten rendement over 2015 en 2016 – waarbij partijen in die tijd uitgingen van een verwacht rendement van € 6.500,00 – van Irjecha/ [gedaagde] zou ontvangen

  2. dat [naam 2] , een klant van [eiser] , door [gedaagde] is overgenomen en dat ter gelegenheid hiervan is overeengekomen dat [eiser] 75% van het te verwachten rendement over 2015 en 2016 – waarbij partijen in die tijd uitgingen van een verwacht rendement van € 2.800,00 – van [gedaagde] zou ontvangen,

3.2.

bepaalt dat, voor zover Rubdam/ [eiser] dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. G.J. Meijer, die hierdoor wordt benoemd tot rechter-commissaris, in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

3.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juni 2016 voor het opgeven door Rubdam/ [eiser] van de getuigen en van hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de vrijdagen in de maanden augustus, september en oktober 2016, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

3.4.

verwijst voor het geval Rubdam/ [eiser] op die roldatum heeft medegedeeld geen getuigenbewijs te willen leveren of geen getuigen of verhinderdata heeft opgegeven de zaak naar de achtste rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor vonnis of, maar alleen indien Rubdam/ [eiser] daarom op de onder 3.3 bedoelde roldatum heeft verzocht, naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van

Rubdam/ [eiser] , waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren,

3.5.

bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

3.6.

bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toegezonden moeten hebben,

3.7.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

3.8.

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar, mr. J.R. Veerman en mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2016.