Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:4060

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
21-07-2016
Zaaknummer
276772
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zaakwaarneming (artikel 6:198 BW): geen sprake van behartiging van “eens anders” belang en geen sprake van schade. Ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW): geen sprake van verrijking. Wanprestatie: het bestaan van de gestelde afspraak komt niet vast te staan en daarmee ook de tekortkoming niet. De enkele niet toegelichte verwijzing naar een ruim 15 cm dikke stapel producties is onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/276772 / HA ZA 15-37 172\547

Vonnis van 29 juni 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DRC INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Kerk Avezaath,

eiseres,

advocaat mr. D.J. Kramer te Doesburg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEVELOPMENT AND RELIEF CORPORATION B.V.,

gevestigd te Beesd,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. van der Korst te Amsterdam

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TOMBOUCTOU BEHEER B.V.,

gevestigd te Maarssen,

gedaagde,

advocaat jhr. mr. A.N. Stoop te Amsterdam.

Eiseres zal hierna DRC International worden genoemd en gedaagden respectievelijk DRC en Tombouctou.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 september 2015

  • -

    het verkort proces-verbaal en het proces-verbaal van de comparitie van 10 december 2015

  • -

    de akte van DRC International

  • -

    de akte uitlating producties van DRC

  • -

    de akte uitlating producties tevens overlegging producties 34 en 35 van Tombouctou

  • -

    de akte van DRC International.

1.2. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. International and Commercial Enterprise B.V. (hierna: Income) is de personal holding van de heer [naam 1] . Income houdt 100% van de aandelen in DRC International.

2.2. Tombouctou is de personal holding van de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Tombouctou houdt 100% van de aandelen in CEDI Europe B.V. (voorheen DRC Projects B.V.).

2.3. DRC is opgericht bij notariële akte van 31 juli 1995. Zij trad onder meer op als projectbegeleider op internationale aanbestedingen inzake zorggerelateerde producten.

Income en Tombouctou houden ieder 50% van de aandelen in DRC. [naam 1] en [naam 2] zijn beiden bestuurder van DRC.

2.4. Bij overeenkomst van 17 december 2008 hebben [naam 1] en [naam 2] besloten de handelsactiviteiten van DRC te splitsen. DRC zou geen nieuwe projecten meer aangaan en de lopende projecten zouden worden verdeeld tussen [naam 1] en [naam 2] . [naam 2] /Tombouctou heeft zijn projecten voortgezet in (voorheen DRC Projects B.V., thans) CEDI Europe B.V. en [naam 1] /Income heeft zijn projecten voortgezet in DRC International.

2.5. De splitsingsovereenkomst tussen Income en Tombouctou – waarin DRC International wordt aangeduid als DI, en DP de afkorting is van de bovengenoemde, dan nog op te richten vennootschap DRC Projects B.V. – luidt onder meer als volgt:

(…)

4. tijdsplan

(…)
Bedragen die vrijvallen binnen DRC conform de financieringsafspraak tussen DRC en haar financier Hollandse Bank Unie HBU zullen in gelijke bedragen worden overgemaakt naar DI resp. DP.

DRC blijft tot 1 april 2009 alle kosten dragen met uitzondering van de kosten van Bidbonds voor nieuwe aanbiedingen onder DI resp. DI., de reis en verblijfkosten van de directie en personeel, en de management fees.

(…)

5 Uitvoering van projecten aangeboden onder DRC:

Projecten aangeboden door PP onder DRC tot 1 januari 2009 komen op een separate lijst, als onderdeel van deze overeenkomst onder Annex 2 (projectenlijst van aangeboden projecten). Ieder project op de lijst wordt verdeeld aan DI resp DP en kent een status, als volgt:

(…)

i. Projecten met status AN, CO en OB:

Projecten met deze status uit deze annex waarvan de uitvoering geschiedt na 1 januari 2009 zullen worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid en financiering van DRC die daartoe mankracht inleent van DI of DP conform de landenlijst.

De managementkosten hiervoor in geval van opdracht kunnen worden gefactureerd aan DRC door DI danwel DP tegen een vast percentage van 0,75 (vijf en zeventig honderdste) procent over de contractwaarde per opdracht. DI resp DP zijn dan gehouden namens DRC en voor rekening van DRC de uitvoering af te handelen welke omvat:

(…)

De management kosten omvatten derhalve de kosten van salaris in en buiten Nederland, vliegtickets, reis- en verblijfkosten gedurende de looptijd van de uitvoering. Naast het percentage zijn geen verrekeningen mogelijk. Alle overige kosten voor uitvoering zijn voor rekening van DRC.

De facturatie voor de management kosten geschiedt pro-rata de door DRC ontvangen betalingen onder het desbetreffende contract.

ii. Projecten met status AB:

De projecten met deze status die opdracht worden (en daarme de status AN bereiken) na ondertekening van deze overeenkomst, worden door DI resp. DP uitgevoerd volgens de landenlijst tegen dezelfde vergoeding en voorwaarden gedefinieerd sub 1, zijnde 0,75 (vijf en zeventig honderdste) procent van de contractwaarde.

Uitzondering vormen de volgende projecten:

(…)

28064 United Nations Long Term Agreement LTA

Voor deze projecten zal, in geval van opdracht, door PP over de uitvoering een separate afspraak worden gemaakt die als addendum aan deze overeenkomst wordt gevoegd.

(…)

vi Opbrengsten:

De opbrengsten van alle projecten van Annex 2 komen voor rekening van DRC gedurende de looptijd van de projecten en PP verplichten zich voorts deze projecten te doen uitvoeren als goed bestuurder.

6 verder voortbestaan DRC

i. Gescheiden activiteiten onder DI en DP

Vanaf 1 april 2009 zullen PP de eigen kosten dragen van de zakelijke activiteit, zoals maar niet beperkt tot de kosten van bidbonds, kosten van personeel, reis- en verblijfkosten, en zullen geen doorbelastingen geschieden aan DRC, anders dan hier overeengekomen.

ii. Huurcontract DRC:

Het huurcontract van DRC wordt in per 31 december 2009 beëindigd. Kosten van het huurcontract tot beëindiging zijn voor rekening van DRC.

iii. Directieoverleg:

PP blijven hun vennootschappelijke plichten behouden voor DRC, en komen overeen tenminste 1x per kwartaal een directieoverleg te houden.

(…)

De overeenkomst bepaalt dat zij geldt tot 31 juli 2015 en dat de partijen uiterlijk op 31 juli 2015 een separate overeenkomst zullen sluiten over de vervolgafhandeling van DRC.

2.6.

Eén van de onder Annex 2 van de bovengenoemde overeenkomst vallende projecten is het project Unicef. Het contract inzake dit project is na de splitsingsovereenkomst gesloten. DRC heeft de vergoedingen waarop DRC International in het kader van dit project tot 1 april 2010 recht had voldaan. Ook na 1 april 2010 heeft DRC International aan DRC facturen gestuurd met betrekking tot het Unicef-project. In totaal heeft zij een bedrag van € 71.338,66 aan DRC gefactureerd. [naam 2] /Tombouctou heeft de verschuldigdheid van die facturen betwist.

2.7.

Vanaf 1 januari 2010 werd de administratie van DRC opgeslagen bij DRC International voor een bedrag van € 75,00 per maand inclusief btw. Sinds augustus 2014 staat de administratie opgeslagen bij Box it in Tiel. De opslagkosten bedragen € 800,00 exclusief btw per jaar.

2.8.

Een medewerker van DRC International heeft administratieve werkzaamheden ten behoeve van DRC verricht. DRC International heeft in verband daarmee kosten aan DRC doorbelast. Over de periode van april 2010 tot en met april 2012 gaat het om een totaalbedrag van € 48.410,22.

2.9.

Bij e-mail van 28 augustus 2010 heeft [naam 2] aan [naam 1] onder meer het volgende meegedeeld:

De essentie van het verhaal is dat ik niet wil en geen toestemming heb gegeven dat de werkzaamheden door drc international verricht worden: er is geen overeenstemming cfrm het scheidingsconvenant over de uitvoeringsmodaliteit van dit contract. (…)

Namens DRC B.V. betwist ik de verschuldigdheid van de facturen.

(…)

Je doet de werkzaamheden vanaf 1 april jl zonder mijn instemming, en je kunt facturen sturen wat je wilt, maar deze worden niet betaald zonder dat we het eens zijn over hoe nu verder. Dat is de afpraak !!

2.10.

Na de totstandkoming van de splitsingsovereenkomst zijn geschillen ontstaan tussen [naam 1] en [naam 2] . DRC International heeft (het bestuur van) DRC herhaaldelijk verzocht tot afwikkeling van de splitsingsovereenkomst over te gaan. De laatste sommatie dateert van 5 december 2014. Eén en ander heeft niet tot een definitieve financiële afwikkeling tussen DRC International en DRC geleid.

3. Het geschil

3.1.

DRC International vordert na eiswijziging – samengevat – veroordeling van DRC tot betaling aan haar van € 123.103,90 in hoofdsom, vermeerderd met rente, alsmede veroordeling van DRC tot betaling aan haar van € 2.006,40 wegens buitengerechtelijke (incasso)kosten en veroordeling van DRC in de proceskosten.

3.2.

De vordering in hoofdsom bestaat – na eiswijziging – uit de volgende onderdelen:

a. a) de opslagkosten van de boekhouding van DRC over de afgelopen jaren ad € 3.375,00 (45 maanden à € 75,00 inclusief btw per maand);

b) de vergoeding inzake het voeren van de boekhouding voor DRC gedurende 29 maanden, conform facturen tot en met april 2012 ad in totaal € 48.410,22;

c) de vergoeding inzake de commissie op het Unicef-project ad € 71.338,66.

3.3.

De vorderingen a en b baseert DRC International blijkens de dagvaarding op zaakwaarneming (artikel 6:198 BW). Zij stelt daartoe dat zij aan DRC “een dak boven het hoofd” heeft geboden en dat DRC aan haar lot zou zijn overgelaten als DRC International dit niet zou hebben gedaan. Conform artikel 6:200 BW is DRC verplicht de schade die DRC International heeft geleden te vergoeden, aldus DRC International. Daarnaast legt DRC International aan deze vorderingen ongerechtvaardigde verrijking ten grondslag (artikel 6:212 BW). Zij voert daartoe aan dat DRC haar boekhouding had moeten bijhouden en die had moeten archiveren of opslaan en daarnaast dat DRC een ruimte had moeten aanhouden waar zij zou zijn gevestigd. DRC had daarvoor volgens DRC International “linksom of rechtsom” kosten gemaakt. DRC International meent dat zij ten onrechte geen vergoeding heeft gekregen voor de door haar bestede tijd en aandacht.

Aan vordering c legt DRC International ten grondslag dat DRC is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. DRC International vordert daarom primair schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW juncto artikel 6:81 BW, dan wel subsidiair nakoming ex artikel 3:296 BW.

3.4.

DRC voert verweer, evenals Tombouctou, welke partij zich aan haar zijde heeft gevoegd.

3.5.

De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.

4. De beoordeling

Incident ex artikel 223 Rv

4.1.

DRC heeft gevorderd DRC International bij wijze van voorlopige voorziening te veroordelen tot afgifte van de volledige administratie van DRC, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Op de comparitie hebben partijen echter afspraken gemaakt over het ophalen van de administratie door DRC. De incidentele vordering is daarmee van tafel; de rechtbank hoeft daarop geen beslissing meer te geven. Een proceskostenveroordeling in het incident blijft ook achterwege. DRC International heeft niet geantwoord in het incident en heeft dus geen kosten gemaakt in het incident. De eigen kosten van DRC in het incident blijven voor haar rekening.

Zaakwaarneming

4.2.

DRC International vordert onder a en b vergoeding van de opslagkosten voor de boekhouding van DRC respectievelijk een vergoeding voor het voeren van de boekhouding van DRC. Blijkens de dagvaarding grondt zij die vorderingen primair op zaakwaarneming als bedoeld in artikel 6:198 BW. De rechtbank begrijpt uit de akte van DRC International van 2 maart 2016 (punt 13) dat DRC International ook vordering c, met betrekking tot de commissie voor het Unicef-project, (primair) baseert op zaakwaarneming.

DRC International stelt ter onderbouwing van deze grondslag dat als zij geen actie had ondernomen, DRC aan haar lot zou zijn overgelaten.

4.3.

Volgens artikel 6:198 BW is zaakwaarneming het zich willens en wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van eens anders belang, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vorderingen op de grondslag zaakwaarneming niet toewijsbaar. Om te beginnen is DRC International een voortzetting van een deel van de werkzaamheden en projecten van DRC. Gelet hierop kunnen de – gestelde – werkzaamheden van DRC International niet worden aangemerkt als behartiging van “eens anders” belang als bedoeld in artikel 6:198 BW. Daarnaast betwisten DRC en Tombouctou terecht dat sprake is van schade van DRC International in de zin van artikel 6:200 BW. Artikel 6 van de splitsingsovereenkomst bepaalt namelijk dat DRC International en DRC Projects B.V. ieder de eigen kosten van de activiteit zullen dragen en dat – tenzij overeengekomen in de splitsingsovereenkomst – geen doorbelastingen zullen plaatsvinden aan DRC. DRC International heeft niet althans onvoldoende gemotiveerd gesteld dat er buiten de splitsingsovereenkomst om voor haar een redelijke grond bestond om zich in te laten met de behartiging van de belangen van DRC. Ten aanzien van het Unicef-project geldt dit des te meer, aangezien [naam 2] met betrekking tot dat project zich er namens DRC jegens [naam 1] /DRC International uitdrukkelijk tegen heeft verzet dat DRC International werkzaamheden verrichtte (zie 2.9). Voor doorbelasting van schade in de zin van gemaakte kosten (artikel 6:200 lid 1 BW) of een redelijke vergoeding voor de verrichtingen (artikel 6:200 lid 2 BW) van DRC International bestaat gezien het voorgaande geen grond.

Ongerechtvaardigde verrijking

4.5.

DRC International heeft blijkens de dagvaarding aan haar vorderingen a en b subsidiair ongerechtvaardigde verrijking ten grondslag gelegd. Zij stelt dat zij op die grond recht heeft op vergoeding van de tegenwaarde van kosten die DRC “linksom of rechtsom” anders zelf zou hebben gemaakt. Uit de akte van DRC International van 2 maart 2016 (punt 17) begrijpt de rechtbank dat DRC International zich ook ten aanzien van vordering c op ongerechtvaardigde verrijking beroept.

4.6.

Op grond van artikel 6:212 BW is hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.

4.7.

Tombouctou voert terecht aan dat DRC International niet heeft onderbouwd dat sprake is van een verrijking van DRC ten koste van DRC International. Voor zover al sprake zou zijn van een verrijking van DRC ten koste van DRC International, geldt dat DRC International niet heeft onderbouwd met welk bedrag zij zou zijn verarmd en met welk bedrag DRC zou zijn verrijkt. Het “Overzicht Opbrengsten DRC bv uit orders” dat DRC International als productie 6 heeft overgelegd en het urenoverzicht in haar productie 8 kunnen in ieder geval niet als deugdelijke onderbouwing worden aangemerkt, aangezien het uitsluitend door haarzelf opgestelde overzichten betreft, die bovendien door DRC en Tombouctou worden betwist. Bovendien is, indien DRC al zou zijn verrijkt ten koste van DRC International, geen sprake van een ongerechtvaardigde verrijking. Niet in geschil is immers dat DRC tot 1 april 2010 alle kosten aan DRC International heeft vergoed en dat partijen daarna geen afspraken hebben gemaakt over het voeren en het opslaan van de administratie. DRC International heeft, zoals Tombouctou onweersproken heeft aangevoerd, de administratie van DRC in het bedrijfspand in Beesd gevestigd en aan [naam 2] de toegang tot en informatie over de administratie ontzegd. Verder is DRC International uit zichzelf, ongevraagd en tegen de wil van [naam 2] (zie 2.9) het Unicef-project blijven uitvoeren. Ten slotte is ook hier relevant dat op grond van artikel 6 van de splitsingsovereenkomst geen doorbelastingen zullen plaatsvinden aan DRC. Gezien het voorgaande gaat de stelling van DRC International dat DRC ongerechtvaardigd is verrijkt niet op. De vorderingen zijn op deze grondslag dan ook niet toewijsbaar.

Tekortkoming in de nakoming

4.8.

Aan vordering c legt DRC International voorts nog ten grondslag dat DRC is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen in het kader van het Unicef-project. De splitsingsovereenkomst zelf biedt geen grond voor toekenning van een vergoeding aan DRC International uit hoofde van dit project. De splitsingsovereenkomst voorziet immers alleen in een management fee voor bestaande projecten en ten tijde van de splitsingsovereenkomst was het contract met Unicef nog niet gesloten. Uit hetgeen op de zitting aan de orde is geweest, begrijpt de rechtbank dat het DRC International gaat om de nakoming van separate afspraken die DRC International en DRC na de splitsingsovereenkomst over het Unicef-project zouden hebben gemaakt. [naam 1] heeft op de comparitie verklaard dat hij met [naam 2] een mondelinge afspraak heeft gemaakt over de vergoeding aan DRC International, die 1% over de factuurwaarde zou bedragen. Die mondelinge afspraak kan volgens hem met e-mailberichten worden bewezen. In het licht van de gemotiveerde betwisting door DRC heeft DRC International het bestaan van deze afspraak echter onvoldoende onderbouwd. Waar zij stelt dat de afspraak met e-mailberichten kan worden bewezen, had het op haar weg gelegen deze e-mails in het geding te brengen. Dat heeft zij niet gedaan, hoewel zij daarvoor gelegenheid heeft gehad. DRC International heeft bij akte na comparitie wel een stapel e-mailberichten en andere bescheiden van meer dan 15 cm. dik overgelegd (productie 7), maar zij heeft in die akte niet aangegeven om welke e-mailberichten het zou moeten gaan en waar die te vinden zijn, hetgeen, gezien de omvang van de stapel, wel van haar wordt gevergd. De rechtbank zal DRC International niet alsnog in de gelegenheid stellen dit te doen. Nu het bestaan van de gestelde afspraak gezien het voorgaande niet is komen vast te staan, komt ook niet vast te staan dat DRC in de nakoming van die afspraak is tekortgeschoten. Voor de gevorderde veroordeling van DRC tot schadevergoeding dan wel nakoming bestaat gezien het voorgaande geen grond.

Slotsom

4.9.

Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vorderingen van DRC International. Hetgeen partijen meer of anders hebben aangevoerd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.

4.10.

DRC International zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van zowel DRC als Tombouctou worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van DRC worden begroot op:

- griffierecht € 3.864,00

- salaris advocaat 3.552,50 (2,5 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 7.416,50

De kosten aan de zijde van Tombouctou worden begroot op:

- griffierecht € 3.864,00

- salaris advocaat 3.552,50 (2,5 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 7.416,50

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt DRC International in de proceskosten, aan de zijde van DRC tot op heden begroot op € 7.416,50 en aan de zijde van Tombouctou tot op heden eveneens begroot op € 7.416,50, zowel ten aanzien van DRC International als ten aanzien van Tombouctou te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.

veroordeelt DRC International in de na dit vonnis ontstane kosten, zowel aan de zijde van DRC als aan de zijde van Tombouctou begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat DRC International niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2016.