Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3933

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-07-2016
Datum publicatie
22-07-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 751
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Groot aantal besluiten op bezwaar genomen door verweerder op grond van de Wmo 2015. Verweerder herroept primaire besluiten en ziet met betrekking tot de proceskosten in bezwaar aanleiding voor toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hierin is bepaald dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken.

Nu verweerder zich op het standpunt stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden is het aan hem om die bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken. Daarin is verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.

Beroep gegrond, zelf in de zaak voorzien. De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 121.048 en de rechtbank zal verweerder tot vergoeding van dit bedrag veroordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: zie bijlage.

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres en anderen (zoals genoemd op de bijlage)

(gemachtigde: mr. K. Wevers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland te Borculo, verweerder.

Procesverloop

De rechtbank heeft op 1 februari 2016 172 beroepschriften ontvangen. De beroepschriften zijn ingediend door de gemachtigde namens 172 verschillende personen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2016. De beroepen zijn gevoegd behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Hendriksen en S. Kruit, bijgestaan door mr. L.J. Gerritsen, advocaat te Nijmegen.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet aanleiding om één schriftelijke uitspraak te doen in alle beroepsprocedures, gelet op de strekking van de beroepen en het feit dat eisers zijn vertegenwoordigd door één gemachtigde.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Medio 2015 heeft verweerder een groot aantal besluiten genomen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) met betrekking tot hulp bij het huishouden. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op het 3D beleidskader 2015-2016 “voor mekaar in Berkelland” en de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Berkelland. Eisers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

3. In de besluiten op bezwaar heeft verweerder de bezwaren gegrond verklaard en vastgesteld dat voor eisers vanaf 1 januari 2016 de oude bestaande voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget blijft gehandhaafd.

4. Met betrekking tot de proceskosten heeft verweerder in de besluiten op bezwaar verwezen naar het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen volgens verweerder voor vergoeding in aanmerking. Er wordt een punt toegekend voor het bezwaarschrift en – in voorkomende gevallen – een punt voor het bijwonen van de hoorzitting. Het bedrag per punt is in 2015

€ 490. Verweerder heeft hier in het bestreden besluit aan toegevoegd:

“Uw gemachtigde heeft namens een grote groep cliënten een bezwaarschrift ingediend en heeft meerdere hoorzittingen bijgewoond. Een normale forfaitaire vergoeding leidt, gelet op de omvang van de groep bezwaarmakers, tot een proceskostenvergoeding die niet in verhouding staat tot de door uw gemachtigde verrichte werkzaamheden (artikel 2, eerste lid van het Bpb). Wij zijn daarom van mening dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Wij hebben daarom besloten de vergoeding vast te stellen op € 100 voor het opstellen van een bezwaarschrift en € 50 voor het bijwonen van een hoorzitting. De totale vergoeding bedraagt € 150 (artikel 2, derde lid, van het Bpb en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY0194 (AB 2006/370)”

Verweerder heeft in het verweerschrift verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 en 25 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2990 en ECLI:NL:HR:2015:2794) en de daarin door het gerechtshof genoemde bijzondere omstandigheden die ertoe hebben geleid dat is afgeweken van de hoofregel in het Bbp. De Hoge Raad heeft overwogen:

"Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat in het geval van belanghebbende sprake is van bijzondere omstandigheden. Het heeft daarbij in aanmerking genomen dat (i) de gemachtigde van belanghebbende in enkele duizenden soortgelijke zaken rechtsbijstand verleent, (ii) tussen partijen geen verschil van inzicht bestaat over de feiten, (iii) in alle zaken in wisselende combinaties steeds dezelfde, zuiver juridische geschilpunten voorkomen, (iv) de in alle zaken namens de onderscheidene belanghebbenden gebezigde argumenten per rechtsvraag in belangrijke mate met elkaar overeenkomen, en (v) in de bezwaarfase voor alle door de gemachtigde als rechtsbijstandsverlener in den lande ingediende bezwaarschriften tezamen niet meer dan twee hoorgesprekken hebben plaatsgevonden."

Ter zitting heeft verweerder zich met betrekking tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden op het standpunt gesteld dat in alle zaken de zuiver juridische vraag voorlag of de voorziening huishoudelijke hulp (HH1) nog onder de reikwijdte van de Wmo 2015 viel. Daarnaast was in alle zaken alleen nog aan de orde of eisers regievermogen hadden of niet en dat vergde volgens verweerder geen bijzondere beoordeling.

5. Het geschil tussen partijen heeft betrekking op de door verweerder aan iedere eiser toegekende proceskostenvergoeding. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar.

6. Artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb bepaalt in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid en onder a, van het Bpb - voor zover hier van belang - dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in de artikelen 7:15, tweede lid, en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij de hoogte aan de hand van de bijlage bij het Bpb wordt vastgesteld. Artikel 2, derde lid, van het Bpb bepaalt dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken.

7. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ0415) volgt dat voor toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb terughoudendheid is geboden. De Hoge Raad heeft overwogen dat uit de Nota van Toelichting bij het Bpb, Stb. 1993, 763, volgt dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden in het Bpb is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. Daarom kan in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding worden verlaagd of verhoogd, aldus deze toelichting. Voorts wordt benadrukt dat er werkelijk sprake moet zijn van een uitzondering.

De rechtbank overweegt voorts dat voor een afwijking van de forfaitaire regeling aanleiding is als het voor elke individuele zaak vasthouden aan die regeling leidt tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2990). Daarbij dient in aanmerking te worden genomen de omstandigheid dat de vergoedingen op grond van het Bpb het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten (HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2794).

Aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand staat niet in de weg dat die bijstand is verleend op basis van “no cure no pay” (zie HR 7 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6841). Evenmin staat daaraan in de weg dat de belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele proceskostenvergoeding aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald (zie HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2770).

8. Nu verweerder zich op het standpunt stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden is het aan hem om die bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken. Daarin is verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de in de arresten van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 en 25 september 2015 geschetste bijzondere omstandigheden zich in deze beroepszaken niet voordoen, reeds niet nu gebleken is dat er in dit geval tussen partijen verschil van inzicht bestond over de feiten. Dat in alle zaken het aantal rechtsvragen beperkt was brengt niet met zich dat de gemachtigde in die gevallen kon volstaan met algemeenheden dan wel eenzelfde juridisch betoog. De rechtbank volgt het betoog van de gemachtigde van eisers dat hij niet kon volstaan met de beantwoording van de vraag of huishoudelijke hulp nog onder de Wmo 2015 viel. Aangezien het begrip regievermogen niet duidelijk was omschreven en werd genoemd in combinatie met dreigend disfunctioneren, moest in iedere zaak afzonderlijk worden ingegaan op de specifieke omstandigheden van het geval. Uit het 3D beleidskader volgt immers dat personen met regievermogen in beginsel niet in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening Ondersteuning Thuis (huishoudelijke hulp) en in paragraaf 3.3. van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning staat in dat verband dat wanneer sprake is van dreigend disfunctioneren van een huishouden ondersteuning thuis als maatwerkvoorziening kan worden toegekend. Oorzaken van dit (dreigende) disfunctioneren kunnen zijn: een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem.

Gesteld en door verweerder niet weersproken is dat de gemachtigde in alle zaken, toegespitst op de individuele omstandigheden van die zaak, heeft aangevoerd dat de door verweerder opgestelde rapporten en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek onvoldoende waren en dat de medische situatie van eisers wel degelijk van belang was.

Voorts acht de rechtbank van belang dat op 13 verschillende dagen hoorzittingen hebben plaatsgevonden in de periode van 8 juli 2015 tot en met 31 oktober 2015 en dat de hoorzitting gemiddeld 20 minuten duurde. Van een geringe tijdsbesteding kan daarom niet worden gesproken.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen aanleiding is voor het afwijken van de forfaitaire regeling, aangezien niet gebleken is dat het voor elke individuele zaak vasthouden aan die regeling leidt tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Verweerder heeft artikel 2, derde lid, van het Bpb ten onrechte toegepast.

9. De beroepen zijn gegrond en de besluiten op bezwaar komen, voor zover het de proceskostenvergoeding in bezwaar betreft, voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en de proceskostenvergoeding vaststellen aan de hand van het bepaalde in artikel 2, eerste lid en onder a, van het Bpb.

10. Ter zitting is gebleken dat 189 personen bezwaar hebben gemaakt. Van deze personen hebben er volgens de bijlage 172 beroep ingesteld. Ter zitting heeft verweerder er op gewezen dat op de bijlage [naam 1] twee maal is genoemd als eiser (16/796 en 16/891). Gebleken is evenwel dat zaaknummer 16/891 betrekking heeft op het beroep van de heer [naam 2] te [woonplaats] . Het beroep van [naam 3] zaaknummer 16/905, is ingetrokken. Dit brengt met zich dat het thans nog gaat om 171 zaken. Met betrekking tot deze groep heeft er volgens verweerder in 73 gevallen een hoorzitting plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen.

De proceskostenvergoeding in bezwaar bedraagt € 119.560 (171 maal € 490 en 73 maal € 490).

11. De gemaakte proceskosten in beroep komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank merkt deze zaken in deze fase aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb en stelt deze kosten vast op € 1.488 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 496 en, gelet op de bijlage van het Bpb, onder C2, een wegingsfactor 1,5). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

12. De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 121.048 en de rechtbank zal verweerder tot vergoeding van dit bedrag veroordelen.

13. Tevens dient verweerder het betaalde griffierecht te vergoeden (171 maal € 46, in totaal € 7.866).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten, voor zover het de proceskostenvergoeding in bezwaar betreft;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 121.048;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de bestreden besluiten;

bepaalt dat verweerder het griffierecht tot een bedrag van 171 maal € 46 is € 7.866 aan eisers vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en mr. E.M. Vermeulen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.