Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3916

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-07-2016
Datum publicatie
15-07-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3825
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verblijfsontzegging (gebiedsverbod), Apv, artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, bestuurlijke rapportage. Verweerder mocht verzoeker een verblijfsontzegging voor zijn straat en woning voor de duur van twaalf weken opleggen vanwege ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde. Het op voorhand verlengen van deze verblijfsontzegging met nog eens vier weken mag niet.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 172
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2017/19 met annotatie van mr. J.H.S. van Tongeren en prof. mr. dr. M. Vols
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/3825 en AWB 16/4110

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.E. van der Werf),

en

de burgemeester van de gemeente Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2016 heeft verweerder verzoeker een onmiddellijk ingaande verblijfsontzegging voor de duur van twaalf weken opgelegd voor [adres] te [woonplaats] , en in het bijzonder voor verzoekers woning aan [adres] te [woonplaats] en de directe omgeving.

Verzoeker heeft daartegen op 29 juni 2016 bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. E. Mortagne, collega van de gemachtigde. Tevens is verschenen de echtgenote van verzoeker, [de vrouw] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.C. Hendriks en mr. C.J.T. Brunenberg.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Gebleken is dat verweerder verzoeker eerder een onmiddellijk ingaande verblijfsontzegging voor de duur van twaalf weken heeft opgelegd voor de [adres] te [woonplaats] , en in het bijzonder voor verzoekers woning aan [adres] te [woonplaats] en de directe omgeving, namelijk bij besluit van 30 mei 2016. Aan dit besluit heeft verweerder de voorwaarde verbonden dat het besluit van rechtswege zou vervallen indien verzoeker, die op dat moment in voorlopige hechtenis zat, niet binnen twee weken na uitreiking van de beschikking in vrijheid is gesteld door schorsing van de gevangenhouding. Ter zitting heeft verweerder benadrukt dat nu verzoeker twee weken na uitreiking van de beschikking nog in voorlopige hechtenis zat, de in de het besluit van 30 mei 2016 opgenomen voorwaarde is vervuld, waardoor dit besluit als ingetrokken moet worden beschouwd.

De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet. Bepalend is niet of verzoeker ná twee weken nog in voorlopige hechtenis zat, maar of verzoeker binnen twee weken na 30 mei 2016 door schorsing van de voorlopige hechtenis in vrijheid is gesteld. Hiervan is sprake. Immers, verzoeker heeft ter zitting onbestreden gesteld dat zijn gevangenhouding van 2 juni 2016 - 6 juni 2016 was geschorst, zodat hij op 3 juni 2016 bij de zitting van een door hem aangespannen kort geding aanwezig kon zijn. Hij heeft daaraan toegevoegd dat hij toen niet naar zijn woning kon, omdat hem dat bij besluit van 30 mei 2016 was verboden. Dit betekent dat de voorwaarde zoals opgenomen in de beschikking niet in vervulling is gegaan en het besluit van 30 mei 2016 niet als van rechtswege vervallen noch als ingetrokken kan worden beschouwd.

3. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het besluit van 30 mei 2016 als besluit 1 aanmerken. De reactie daarop bij brief van 24 juni 2016 zal de voorzieningenrechter aanmerken als een bezwaarschrift. Het besluit van 28 juni 2016 zal de voorzieningenrechter als besluit 2 aanmerken. Het rechtsgevolg van dit besluit is dat de in het besluit van 30 mei 2016 opgelegde verblijfsontzegging wordt verlengd van 22 augustus 2016 (einde termijn besluit 1) tot 20 september 2016 (einde termijn besluit 2). Daartegen heeft verzoeker bij brief van 29 juni 2016 bezwaar gemaakt.

4. Zoals de gemachtigde van verzoeker tijdens de zitting ook heeft verzocht zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening achten te zijn gericht tegen zowel besluit 1 (AWB 16/3825) als besluit 2 (AWB 16/4110).

5. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening uit van de volgende feiten en omstandigheden.

5.1

Verzoeker is eigenaar van de woning op het adres [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Hij woont daar met zijn vrouw en hun kinderen van [xxx] en [xxx] jaar oud. De woning staat in een kinderrijke buurt. De [adres] ligt tegenover een speelveldje.

5.2

Verzoeker is eigenaar/aandeelhouder van het bedrijf [naam bedrijf] dat handelt in [soort middelen] In het handelsregister van de Kamer van Koophandel zijn meerdere registraties van [naam bedrijf] opgenomen. Deze ondernemingen zijn via [naam holding] te herleiden tot verzoeker.

5.3

In de nacht van 22 op 23 januari 2016 heeft er een brandstichting plaatsgevonden. Twee auto’s die op de oprit bij verzoekers woning stonden zijn overgoten met brandbare vloeistof en in brand gestoken. Ook is de woning begoten met brandbare vloeistof. Verzoekers echtgenote en kinderen waren op dat moment in de woning aanwezig. Verzoeker zelf verbleef op dat moment in het buitenland. Verzoeker heeft na de brandstichting veiligheidsglas laten plaatsen in de woning. Sinds de brandstichting komt een neef van verzoeker vaak bij verzoeker op bezoek.

5.4

In de nacht van 1 op 2 maart 2016 is een woning drie huizen verderop in dezelfde straat met een automatisch vuurwapen beschoten. Kogelgaten zaten in de muur en in de ramen en inslagen van kogelgaten waren te zien in de badkamer op de eerste verdieping. Buiten de woning zijn tientallen hulzen aangetroffen.

5.5

Op 19 april 2016 is de woning van verzoeker doorzocht in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen [naam bedrijf] . Bij deze doorzoeking zijn een kluis met daarin een vuurwapen en munitie aangetroffen. Verzoeker is aangehouden en in voorlopige hechtenis geplaatst.

5.6

Op 19 mei 2016 heeft de Politie Landelijke Eenheid/Eenheid Oost-Nederland een bestuurlijke rapportage uitgebracht. Deze rapportage is op basis van BHV-mutaties en processen-verbaal naar waarheid opgemaakt en ondertekend door de Teamchef C Nijmegen-Zuid. In deze rapportage staat, voor zover hier van belang:

“Het onderzoeksteam dat de brandstichting en de schietpartij onderzoekt houdt sterk rekening met samenhang tussen de twee gebeurtenissen. Voor wat betreft de schietpartij is het team vrijwel zeker dat het verkeerde huis is beschoten. De dader heeft zich vermoedelijk vergist in het huis omdat het huis sterk lijkt op de woning waar de brandstichting eerder heeft plaatsgevonden. Het gezin dat slachtoffer is geworden van de schietpartij heeft dan ook waarschijnlijk niets met de schietpartij te maken.”

en

“Op 10 mei 2016 is bij de politie informatie binnengekomen met betrekking tot liquidatiegevaar voor [verzoeker] .”

Conclusie van de bestuurlijke rapportage is dat er een dreigend gevaar is dat verzoeker het slachtoffer wordt van een liquidatie. Verweerder krijgt advies om passende bestuurlijke maatregelen te nemen om veiligheidsrisico’s voor de omgeving van verzoeker te voorkomen, dan wel te minimaliseren.

5.7

Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft verweerder verzoeker bij besluit van 30 mei 2016 op grond van artikel 2.4.1, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Nijmegen (1992), verder: Apv, een verblijfsontzegging opgelegd voor de duur van twaalf weken, onmiddellijk ingaande na uitreiking van de beschikking (besluit 1).

5.8

Op 13 juni 2016 heeft de officier van justitie per e-mail aan de gemachtigde van verzoeker laten weten dat de politie aanwijzingen heeft dat de schietpartij op de woning een vergissing is geweest en dat deze gericht had moeten zijn op de woning van verzoeker.

Op 27 juni 2016 heeft de officier van justitie per e-mail aan verweerder laten weten dat het standpunt ten aanzien van de bestuurlijke rapportage niet is gewijzigd.

Op eveneens 27 juni 2016 heeft de politie blijkens een e-mail van een bij verweerder werkzame ambtenaar laten weten dat zij bij de inhoud van de bestuurlijke rapportage blijft.

5.9

Na ontvangst van de e-mails van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) en de politie heeft verweerder verzoeker bij besluit van 28 juni 2016 op grond van artikel 2.4.1, van de Apv een tweede verblijfsontzegging voor de duur van 12 weken opgelegd, onmiddellijk ingaande na de bekendmaking aan verzoeker dan wel zijn gemachtigde (besluit 2).

5.10

Op 29 juni 2016 is de voorlopige hechtenis van verzoeker opnieuw geschorst. Verzoeker is sindsdien op vrije voeten. De opsporingsonderzoeken in verband met de verdenking tegen verzoeker van witwassen en verboden wapenbezit en de verdenking tegen [naam bedrijf] van witwassen zijn nog niet afgerond. De opsporingsonderzoeken naar de brandstichting en de beschieting van de woning drie huizen verderop lopen nog.

6. Op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

Op grond van artikel 2.4.1, van de Apv is de burgemeester bevoegd om in het belang van de openbare orde of zedelijkheid aan een persoon het bevel te geven zich anders dan in een openbaar middel van vervoer niet te bevinden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen gedurende de uren daarbij genoemd. Dit bevel geldt gedurende de in de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste twaalf weken.

7. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat, als in een gemeente een verordening geldt waarin is geregeld dat de burgemeester bij overlast gevende verstoringen van de openbare orde een verblijfsontzegging kan opleggen, artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet niet ook een grondslag biedt voor een gebiedsontzegging ter zake van verstoringen van de openbare orde waarop de Apv het oog heeft.

8. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet dat de burgemeester niet naar willekeur maatregelen ter bewaring van de openbare orde kan nemen. Er moet zich een verstoring van de openbare orde of ernstige vrees daarvoor voordoen en de bevelen moeten noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Voorts moeten de bevelen niet van wettelijke voorschriften afwijken en moeten ze proportioneel en subsidiair zijn. Deze eisen gelden naar het oordeel van de voorzieningenrechter eveneens voor een verblijfsontzegging die wordt gestoeld op de Apv.

9. Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder niet bevoegd is om hem op grond van artikel 2.4.1 van de Apv een verblijfsontzegging op te leggen. Hij heeft daarvoor verschillende argumenten gegeven.

Vast staat dat met artikel 2.4.1 van de Apv of artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet voor verweerder een wettelijke grondslag bestaat voor het opleggen van een verblijfsontzegging. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voert het in het kader van onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure te ver om te beoordelen of verweerder de bestreden besluiten terecht op het bepaalde in de Apv heeft gebaseerd, dan wel of het bepaalde in de Gemeentewet van toepassing is. De vraag of artikel 2.4.1 van de Apv al dan niet het oog heeft op de door verweerder in dit geval gestelde ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde zal verweerder bij de beoordeling van de bezwaarschriften nader dienen te onderzoeken.

10. Aan de orde is thans of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er een ernstige vrees bestaat voor een nieuwe verstoring van de openbare orde in de vorm van een aanslag op verzoeker en tot het opleggen van deze verblijfsontzeggingen heeft kunnen komen.

11. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de brandstichting een op verzoeker gerichte actie is geweest. Uit het feit dat niet alleen twee auto’s van verzoeker in brand zijn gestoken, maar ook de woning met een brandbare vloeistof is begoten, maakt de voorzieningenrechter op dat het daarbij niet alleen ging om verzoeker angst aan te jagen, maar ook om hem fysiek wat aan te doen. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de politie sterk rekening houdt met een verband tussen deze brandstichting en de beschieting van een woning even verderop in de straat met een automatisch wapen ongeveer twee maanden na de brandstichting, en dat zij ervan uitgaat dat ook de beschieting bedoeld was voor (de woning van) verzoeker. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op die basis aannemelijk mogen achten dat er sprake is van een verband tussen de brandstichting en de beschieting van de woning en dat verzoeker daarvan telkens het doelwit was.

Dat - zoals van de zijde van verzoeker ter zitting is betoogd - juist de brandstichting een vergissing was en dat juist het gezin van de woning even verderop in de straat het doelwit zou zijn is onvoldoende aannemelijk geworden. Dat deze woning jaren eerder zou zijn beschoten, dat de eigenaar van de woning in (tweedehands) auto’s zou handelen en bekend zou staan als oplichter - wat daar overigens ook van zij - is daartoe onvoldoende. Dat de beide woningen volgens verzoeker niet op elkaar lijken - zo heeft verzoekers woning een balkon aan de voorzijde, een tot voor kort geheel betegelde voortuin en is het geen hoekwoning - en dat een vergissing dus is uitgesloten, is daarvoor evenmin voldoende. Ter zitting heeft ook verzoeker gesteld dat zijn woning en de beschoten woning in dezelfde periode gebouwd zijn, ontworpen zijn door dezelfde architect en architectonische overeenkomsten hebben. Bovendien heeft de beschieting van de woning in de late avond, begin van de nacht en dus het donker plaatsgevonden.

12. Verweerder heeft ook waarde mogen hechten aan de zinsnede in de bestuurlijke rapportage dat op 10 mei 2016 bij de politie informatie is binnengekomen met betrekking tot liquidatiegevaar voor verzoeker.

13. Gebleken is dat verzoeker - naast de al eerder op de woning aangebrachte camera’s en rolluiken - aanvullende veiligheidsmaatregelen heeft genomen. Immers, na de brandstichting heeft hij veiligheidsglas laten aanbrengen en heeft hij een wapen en munitie aangeschaft. Bovendien brengt de neef van verzoeker veel tijd bij hen door om - zoals verzoeker het ter zitting formuleerde - een oogje in het zeil te houden en het veiligheidsgevoel van het gezin te verhogen. Verweerder mag deze door verzoeker genomen beveiligingsmaatregelen gebruiken als argument voor zijn standpunt dat verzoeker een liquidatiedoelwit is. Dat, zoals verzoeker heeft gesteld, hij het glas in de woning na de brandstichting toch moest vervangen en tegen de glaszetter had gezegd dat deze het dan maar zo veilig mogelijk moest doen, overtuigt de voorzieningenrechter niet. Anders dan verzoeker meent, is niet aannemelijk dat dit pakket aan door hem genomen beveiligingsmaatregelen het resultaat is van toevallige keuzes, zodat verweerder dit op kon vatten als een aanwijzing dat verzoeker reden heeft voor zijn leven te vrezen.

14. De voorzieningenrechter is kortom van oordeel dat verweerder zich ten tijde van het besluit 1 op het standpunt heeft kunnen stellen dat er een ernstige vrees bestond voor een nieuwe verstoring van de openbare orde in de vorm van een aanslag op verzoeker en tot het opleggen van verblijfsontzegging voor de duur van twaalf weken heeft kunnen komen. Verweerder heeft daarbij de aard en ernst van de brandstichting en de beschieting, telkens in een woonwijk, en het door de politie gestelde verband daartussen mogen betrekken. Verweerder heeft het belang van het zo veel als mogelijk verkleinen van de veiligheidsrisico’s voor verzoekers vrouw en kinderen, die in de woning verblijven, en voor omwonenden zwaarder mogen laten wegen dan het belang van verzoeker om onbelemmerd van zijn grondrechten, zoals zijn woonrecht en zijn recht op gezinsleven, gebruik te maken. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat en waarom er geen lichtere of andere maatregel mogelijk was om de dreigende verstoring van de openbare orde te voorkomen dan verzoeker de toegang tot zijn straat en daarmee tot zijn woning te ontzeggen. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat uit het besluit blijkt dat verweerder het voor verzoeker verboden gebied zo beperkt mogelijk heeft gehouden. Bovendien heeft verweerder wekelijks overleg over de voortgang van het opsporingsonderzoek met OM en politie. Verweerder heeft ter zitting toegezegd de verblijfsontzegging in te zullen trekken als deze niet langer gerechtvaardigd is. Besluit 1 biedt daarmee vooralsnog voldoende waarborgen dat de inbreuk op verzoekers grondrechten ook in de tijd zo beperkt mogelijk zal zijn.

Niet gebleken is dat verweerder na 30 mei 2016 reden had moeten zien om de tot

22 augustus 2016 lopende verblijfsontzegging te bekorten of te beëindigen. De e-mails van de officier van justitie van 13 juni 2016 en 27 juni 2016 en de e-mail van 27 juni 2016 met daarin een weergave van het ongewijzigde standpunt van de politie ten aanzien van de bestuurlijke rapportage zijn, hoewel summier, niet zonder betekenis voor het door verweerder in navolging van politie en OM ingenomen standpunt dat verzoeker nog altijd een liquidatiedoelwit is. Van een ongeoorloofde inbreuk op verzoekers grondrechten met besluit 1 is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus (nog) geen sprake.

15. Naarmate meer tijd verstrijkt sinds de brandstichting, de beschieting en de informatie die op 10 mei 2016 door de politie is ontvangen, dient verweerder evenwel, mede gelet op de aard en ernst van de inbreuk op verzoekers grondrechten, uitgebreider te motiveren waarom dezelfde informatie het verlengen van de verblijfsontzegging rechtvaardigt.

16. Zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, is hij zich van deze zwaardere motiveringsplicht bewust. Aan een besluit tot het verlengen van een verblijfsontzegging moet volgens verweerder om die reden altijd een nieuwe bestuurlijke rapportage ten grondslag worden gelegd. Aan het besluit 2 ligt echter geen nieuwe bestuurlijke rapportage ten grondslag. De overgelegde mails van OM en politie zijn, hoewel niet zonder betekenis, onvoldoende om als een bestuurlijke rapportage te kunnen gelden.

17. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op 28 juni 2016 of daarna sprake was van een dusdanige ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde, die het zonder nieuwe bestuurlijke rapportage op voorhand verlengen van de lopende verblijfsontzegging tot

20 september 2016 rechtvaardigt. De voorzieningenrechter laat daarbij in het midden of artikel 2.4.1 van de Apv het verlengen van een lopende verblijfsontzegging ruim voordat deze eindigt überhaupt mogelijk maakt.

18. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit 2 te schorsen. Concreet betekent dit dat de verblijfsontzegging eindigt na afloop van de in het besluit 1 genoemde termijn van twaalf weken en loopt tot en met 21 augustus 2016.

19. Ter zitting heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de aan de bestuurlijke rapportage ten grondslag gelegde informatie bij OM en/of politie op te vragen en deze bij de beoordeling van het verzoek te betrekken. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter daartoe geen aanleiding.

20. In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 922,-, uitgaande van een zaak van gemiddeld gewicht en twee proceshandelingen. Tevens zal worden bepaald dat verweerder het door verzoeker in verband met besluit 1 betaalde griffierecht van € 168,- aan hem dient te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

schorst besluit 2 waardoor de aan verzoeker opgelegde verblijfsontzegging loopt tot en met 21 augustus 2016;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 922,-;

bepaalt dat verweerder € 168,- aan door verzoeker betaald griffierecht aan hem dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.