Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3899

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-07-2016
Datum publicatie
22-07-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1207 tussenuitspraak
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

WOZ. Artikel 28 Wet WOZ. Bestuurlijke lus. Eiseres maakt - te laat - bezwaar tegen waarde woning 2015. Tevens vraagt zij een medebelanghebbendebeschikking aan. Moeder is in 2014 overleden. Verweerder beslist niet op bezwaar en merkt brief aan als verzoek om beschikking 2015. Die wordt afgegeven. Voor zover bezwaar is gemaakt tegen de eerste waardebeschikking had het niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Dat is niet gebeurd, dus is het beroep in zoverre gegrond. Ter zake van de tweede beschikking is door toedoen van verweerder niet opnieuw bezwaar gemaakt. Wel is binnen de bezwaartermijn de aanvraag die als bezwaar is bestempeld aangevuld. Dit bezwaar was daarom ontvankelijk. Gelet op de feiten had een medebelanghebbendebeschikking over 2014 moeten worden afgegeven. Ook in zoverre is het beroep gegrond. De rechtbank kan echter niet definitief beslissen nu verweerder nog geen waarde voor 2014 heeft vastgesteld. Toepassing bestuurlijke lus om verweerder in de gelegenheid te stellen dit alsnog te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1698
Belastingblad 2016/480 met annotatie van Redactie
V-N 2016/62.25.19
FutD 2016-1869
NTFR 2016/2501 met annotatie van Mr. A. Dinée
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/1207

proces-verbaal van de mondelinge tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2016 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak op bezwaar van verweerder van 9 januari 2016.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en [A] . Namens verweerder is [gemachtigde] verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    heropent het onderzoek;

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid binnen vier weken de uitspraak op bezwaar te herstellen en een waarde aan de woning aan de [A-straat 1] te [Z] toe te kennen voor het kalenderjaar 2014.

Overwegingen

1. In geschil is de waarde van de woning aan de [A-straat 1] te [Z] (hierna: de woning). Eiseres is na het overlijden van haar moeder [B] (hierna: de moeder) op [2014] als enig erfgenaam gerechtigde geworden tot de woning. Dit blijkt uit de verklaring van erfrecht die op 31 december 2014 is opgemaakt door mr. [C] , notaris te [Q] .

2. Verweerder heeft met dagtekening 28 februari 2015 de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op € 406.000. De desbetreffende beschikking is gericht aan “ [de erfgenamen van B] ”.

3. Bij brief van 25 augustus 2015 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de beschikking. In de brief heeft zij, voor zover van belang, ook het volgende geschreven:

“Tevens wil ik u erop wijzen dat ik ook de WOZ waarde in mijn geval, ivm fiscaal belang bij nalatenschap, aan kan vechten op basis van een arrest van de Hoge Raad d.d 11-04-201 ( HR:2014:835).

Graag zie ik zsm, binnen 8 weken, een gecorrigeerde aanslag tegemoet. (…)”

4. Verweerder heeft naar aanleiding van de brief een beschikking op basis van artikel 28 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) afgegeven, gedateerd 31 oktober 2015, eveneens voor het kalenderjaar 2015. Hij heeft het bezwaarschrift van 25 augustus 2015 aangemerkt als bezwaarschrift tegen deze beschikking en het bezwaar in voormelde uitspraak op bezwaar gegrond verklaard. De waarde van de woning is voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op € 331.000.

5. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen in de brief van eiseres van 25 augustus 2015 twee zaken worden onderscheiden. In de eerste plaats heeft zij bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 28 februari 2015. Daarnaast vraagt eiseres - gelet op hetgeen zij in het geciteerde deel schrijft en met name haar verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2014 - om een beschikking op grond van artikel 28 van de Wet WOZ.

6. Voor zover eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikking van 28 februari 2015, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. De termijn vangt - voor zover hier van belang - op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het afschrift van de beschikking. Het bezwaarschrift dateert van 25 augustus 2015. Dit is ruimschoots buiten de wettelijke bezwaartermijn van zes weken. Hetgeen eiseres ter zitting heeft verklaard, te weten dat zij aan de beschikking in eerste instantie geen aandacht heeft geschonken en dat zij het belang ervan pas besefte toen zij aangifte erfbelasting moest doen, is geen rechtvaardiging voor de overschrijding van de bezwaartermijn. Verweerder had het bezwaar daarom niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Verweerder heeft echter op dit punt in het geheel niet beslist. Dit betekent dat het beroep in zoverre gegrond is en de rechtbank, doende wat verweerder had behoren te doen, het bezwaar niet-ontvankelijk zal verklaren. De rechtbank beschouwt de vermindering van de WOZ-waarde in de uitspraak op bezwaar van 9 januari 2016 als een ambtshalve vermindering. In dat geval brengt een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar door de rechtbank eiseres niet in een slechtere positie: de waarde van € 331.000 voor het kalenderjaar 2015 blijft gehandhaafd. De rechtbank houdt deze beslissing echter aan, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.

7. Ter zake van het verzoek op grond van artikel 28 van de Wet WOZ overweegt de rechtbank als volgt. Nu de brief van 25 augustus 2015 dient te worden beschouwd als het verzoek om afgifte van een beschikking op grond van artikel 28 van de Wet WOZ, kan dit niet tevens als bezwaarschrift worden aangemerkt. Verweerder heeft echter bij e-mail van 10 november 2015 te kennen gegeven dat het bezwaar in behandeling wordt genomen alsof het binnen de bezwaartermijn was ingediend waardoor het eiseres niet verweten kan worden dat zij niet (opnieuw of alsnog) bezwaar heeft gemaakt. Bovendien heeft de toenmalige gemachtigde van eiseres op 19 november 2015 een inhoudelijke aanvulling op het bezwaarschrift aan verweerder gezonden, die als bezwaarschrift kan worden aangemerkt. Gelet hierop was er geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar voor zover het gericht is tegen de beschikking op grond van artikel 28 van de Wet WOZ.

8. Het eerste lid van artikel 28 van de Wet WOZ bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

“Ten aanzien van degene die aannemelijk maakt belang te hebben bij de vastgestelde waarde van een onroerende zaak (…) en aan wie niet op de voet van de artikelen 24, derde tot en met zesde en achtste lid, 26, vierde lid, dan wel 27, derde lid, de beschikking ter zake is toegezonden, neemt de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar binnen acht weken na een daartoe gedaan verzoek een voor bezwaar vatbare beschikking (…). Van een belang is sprake als het waardegegeven op grond van een wettelijk voorschrift wordt gebruikt, en de belanghebbende door dit gebruik in zijn individuele belang kan worden geraakt.

9. Voor het jaar 2015 doet de situatie van artikel 28, eerste lid, van de Wet WOZ zich niet voor. Eiseres was ten tijde van de bekendmaking van de beschikking van 28 februari 2015 erfgenaam. Aan haar moet de beschikking geacht zijn te zijn toegezonden op de voet van artikel 24 van de Wet WOZ. De situatie uit het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2014 deed zich voor eiseres echter wel voor in 2014. De rechtbank gaat er, gelet op artikel 24 van de Wet WOZ, van uit dat de beschikking over dat jaar gericht was aan de moeder. Eiseres kon daartegen geen bezwaar maken. Zij kreeg daarbij eerst na afloop van de bezwaartermijn belang, te weten op het moment van overlijden van de moeder. Dit was nog in 2014. Het belang vloeit voort uit artikel 21, eerste lid, van de Successiewet 1956, dat bepaalt dat het verkregene in aanmerking wordt genomen naar de waarde die daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend. Voor de verkrijging van een woning geldt het vijfde lid van dat artikel, dat bepaalt dat de waarde in aanmerking wordt genomen naar de volgens hoofdstuk IV van de Wet WOZ vastgestelde waarde voor het kalenderjaar waarin de verkrijging plaatsvindt dan wel, ingeval de verkrijger daarvoor kiest, voor het op dat kalenderjaar volgende kalenderjaar. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij niet heeft gekozen voor de waarde van het volgende kalenderjaar. Dit betekent dat zij voor de bepaling van de erfbelasting belang heeft bij de waarde van de woning over het kalenderjaar 2014.

10. Nu eiseres geen specifiek kalenderjaar heeft genoemd in (dit deel van) de brief van 25 augustus 2015, maar louter heeft verwezen naar de jurisprudentie van de Hoge Raad over de beschikking op grond van artikel 28 van de Wet WOZ, had verweerder een beschikking voor het kalenderjaar 2014 dienen af te geven. Reeds gelet op het feit dat verweerder dit niet heeft gedaan, is ook op dit punt sprake van een gegrond beroep. De rechtbank beschouwt de beslissing van verweerder - mede gelet op de verklaring van verweerder ter zitting - wel als een beslissing op het verzoek, nu eiseres ook niet uitdrukkelijk om een beschikking voor 2014 heeft verzocht.

11. Artikel 8:41a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief beslecht. Op basis van de stukken die zich thans in het dossier bevinden is dat echter niet mogelijk: er is nog geen beschikking voor 2014 gegeven aan eiseres, dus kan de rechtbank deze thans niet toetsen. Daar komt nog bij dat het overgelegde taxatierapport eveneens uitgaat van het kalenderjaar 2015 (waardepeildatum 1 januari 2014) in plaats van 2014 (waardepeildatum 1 januari 2013). De transacties van de referentiepanden hebben in twee gevallen plaatsgevonden in december 2013 en in één geval in september 2014. Hieruit is dan ook onvoldoende informatie af te leiden over de waarde van de woning per 1 januari 2013. Verweerder wordt daarom in de gelegenheid gesteld alsnog een waarde per 1 januari 2013 te bepleiten en deze met een taxatierapport te onderbouwen. Hiertoe past de rechtbank artikel 8:51a van de Awb (bestuurlijke lus) toe.

12. Bij het voorgaande geeft de rechtbank verweerder thans reeds een aantal punten mee. Twee van de drie vergelijkingsobjecten die in het taxatierapport zijn vermeld verkeerden in een aanzienlijk betere staat dan de woning van eiseres. Dit maakt een vergelijking zeer moeilijk. Voorts zijn de percelen van de vergelijkingsobjecten aanzienlijk kleiner dan dat van de woning van eiseres. In het verweerschrift is erkend dat de woning over een zeer grote kaveloppervlakte beschikt. Omdat de woning over verhoudingsgewijs veel grond beschikt, is de prijs voor de vierkante meters boven 750 gehalveerd. Nu echter de oppervlakte 760 m² bedraagt, heeft dit nauwelijks effect. De rechtbank acht de onderbouwing van de grondprijs in dat licht thans niet overtuigend, te meer nu de staffeling niet is onderbouwd met andere transacties. Voorts heeft eiseres ter zitting aangevoerd dat naast de reeds begrote renovatiekosten ook nog onvoorziene uitgaven voor de riolering nodig zijn.

13. Verweerder wordt opgedragen binnen vier weken het gebrek in de uitspraak op bezwaar te herstellen en een onderbouwde waarde voor het kalenderjaar 2014 aan de woning toe te kennen. Eiseres zal in de gelegenheid worden gesteld daarop vervolgens schriftelijk te reageren.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van M.I.M. Geraerts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: