Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3885

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
14-07-2016
Zaaknummer
288648
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vereniging van eigenaren (VvE). Handelen (door gedaagde) in strijd met Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten, door zonder toestemming van de VvE een trapgat te maken in de verdiepingsvloer tussen appartementen en dit vervolgens niet deugdelijk dicht te maken en schade toe te brengen aan de gemeenschappelijke verdiepingsvloer. In geschil is of de VvE gedaagde deugdelijk in gebreke heeft gesteld, wat de oorzaak is van de geconstateerde gebreken aan de verdiepingsvloer en wat de omvang is van de schade. Bewijsopdracht aan VvE dat zij gedaagde deugdelijk in gebreke heeft gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/288648 / HA ZA 15-492

Vonnis van 15 juni 2016

in de zaak van

de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAARS VAN DE APPARTEMENTSRECHTEN IN DE GEBOUWEN “GRUNDEL”, “BOEIER”, “BOTTER” en “SCHOUW”,

gevestigd te Wanneperveen, gemeente Steenwijkerland,

eiseres,

advocaat mr. R.J.A.M. Besselink te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A. Heijder te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de VvE en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 november 2015 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 april 2016 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij notariële akte van splitsing van 28 maart 1994 (hierna: de splitsingsakte) zijn de percelen met opstallen kadastraal bekend gemeente Wanneperveen sectie [kadastrale aanduiding 1] , [kadastrale aanduiding 2] , [kadastrale aanduiding 3] , [kadastrale aanduiding 4] en [kadastrale aanduiding 5] gesplitst in 80 appartementsrechten. Het appartementencomplex bestaat uit vier afzonderlijke gebouwen genaamd ‘Grundel’, ‘Boeier’, ‘Botter’ en ‘Schouw’. In de splitsingsakte is bepaald dat het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 1992 (hierna: het Modelreglement) van toepassing is.

2.2.

In het Modelreglement is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 9

1. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en gemeenschappelijke zaken worden ondermeer gerekend, voor zover aanwezig:

a. de fundering, de dragende muren en de kolommen, het geraamte van het gebouw met de ondergrond, het ruwe metselwerk, alsmede de vloeren met uitzondering van de afwerklagen in de privé gedeelten, (…)

Artikel 14

De eigenaars en gebruikers mogen zonder toestemming van de vergadering geen verandering in het gebouw aanbrengen, waardoor het architectonisch uiterlijk of de constructie ervan gewijzigd zou worden. De toestemming kan niet worden verleend indien de hechtheid van het gebouw door de verandering in gevaar zou worden gebracht.

Artikel 15

De vereniging voert het beheer en draagt de zorg voor het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken en rechten.

Artikel 16

Iedere eigenaar en gebruiker is tegenover de andere eigenaars en gebruikers aansprakelijk voor de schade toegebracht aan de gemeenschappelijke gedeelten en/of gemeenschappelijke zaken en voor onredelijke hinder voor zover deze schade of hinder veroorzaakt is door de schuld van hemzelf of van zijn huisgenoten of zijn personeel en hij is verplicht voor zover dit redelijk is maatregelen te nemen of te dulden die de strekking hebben bedoelde schade te voorkomen.

(…)

Artikel 41

(…)

4. Het bestuur behoeft de machtiging van de vergadering voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen en het aangaan van dadingen, alsmede voor het verrichten van rechtshandelingen en het geven van kwijtingen een belang van een nader door de vergadering vast te stellen bedrag te boven gaande.

(…)”

2.3.

[gedaagde] heeft op 4 maart 2002 het appartementsrecht plaatselijk bekend [adres 1] te Wanneperveen, gemeente Steenwijkerland, kadastraal bekend gemeente Wanneperveen [kadastrale aanduiding 6] (hierna: [kadastrale aanduiding 6] ) in eigendom verkregen. Vervolgens heeft hij op 2 januari 2006 het appartementsrecht plaatselijk bekend [adres 2] te Wanneperveen, gemeente Steenwijkerland, kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduiding 7] (hierna: [kadastrale aanduiding 7] ) in eigendom verkregen. [kadastrale aanduiding 6] geeft het recht op het uitsluitend gebruik van een appartement op de begane grond van gebouw ‘Boeier’ en [kadastrale aanduiding 7] geeft recht op het uitsluitend gebruik van een appartement op de eerste verdieping van dat gebouw. [kadastrale aanduiding 7] ligt direct boven [kadastrale aanduiding 6] .

2.4.

Na aankoop van [kadastrale aanduiding 7] heeft [gedaagde] een trapgat laten maken in de verdiepingsvloer tussen de appartementen [kadastrale aanduiding 6] en [kadastrale aanduiding 7] , zodat beide appartementen via een trap binnendoor met elkaar werden verbonden. Het trapgat is gemaakt door [Vennootschap Onder Firma] Daaraan voorafgaand heeft Bouwkundig adviesburo [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) constructieberekeningen gemaakt.

2.5.

Op 4 maart 2010 heeft [gedaagde] [kadastrale aanduiding 6] in eigendom overgedragen aan de heer [naam 1] en [naam 2] . Voorafgaand aan de verkoop heeft [gedaagde] het trapgat laten dichtmaken. Hiervoor zijn ook constructieberekeningen gemaakt door [bedrijf 1] .

2.6.

In de brief van 5 juli 2012 van mr. J.H.A.M. Hanssen (hierna: Hanssen), secretaris van de VvE, aan [gedaagde] staat onder meer het volgende:

“Op u rustte en rust de verplichting om bij verkoop de situatie weer in de oude toestand terug te brengen. Dit heeft u gedaan middels het dichten van het trappengat respectievelijk het aanbrengen van een vloer.

Na klachten van de heer en mevrouw [naam 3] over gehorigheid heeft de VvE een deskundigenonderzoek laten verrichten. Daarbij is gebleken dat de platen naast de trapsparing niet voldoen aan de normering qua sterkte. De sterke wordt maximaal met 44% overschreden.

Uit dit onderzoek blijkt dat de door/namens u verrichte herstelwerkzaamheden niet deugdelijk zijn uitgevoerd. Niet alleen heeft dit tot gevolg dat er geluidsoverlast bij de familie [naam 3] optreedt, maar ook dat er schade aan de constructie is toegebracht met mogelijke gevaarzetting.

Het bestuur van VvE (…) stelt u hierbij uitdrukkelijk aansprakelijk voor die schade en mogelijk nog te lijden schade.

Het bestuur stelt u hierbij in de gelegenheid om de schade deugdelijk en naar de normen van de VvE en gecontroleerd door de door de VvE ingeschakelde deskundige te herstellen binnen een termijn van 4 weken, bij gebreke waarvan het bestuur die herstelwerkzaamheden zelf ter hand zal nemen op uw kosten, in welk geval alle bijkomende, nadere kosten en alle schade eveneens op u verhaald zullen worden. Zolang de schade op voornoemde wijze niet zal zijn hersteld bent u, zoals hiervoor al aangegeven, aansprakelijk voor alle (gevolg)schade.”

2.7.

Bij e-mailbericht van 28 augustus 2012 heeft mr. W.M.F.M. Vencken van VvAA rechtsbijstand namens [gedaagde] gereageerd op de voornoemde brief van Hanssen. In dit e‑mailbericht staat onder meer het volgende:

“Van cliënt begreep ik dat hij u een kopie heeft toegestuurd van een constructieberekening uit 2010 van Bouwkundig adviesbureau [bedrijf 1] .

Met belangstelling verneem ik graag de reactie van de VvE op dat rapport. Naar ik aanneem zal de VvE dit rapport aan de door haar geconsulteerde constructeur, [naam 4] ingenieursbureau, voorleggen.

Cliënt verbaast zich overigens over de gestelde geluidsoverlast. De boven gelegen woning staat leeg. In de mail van de heer [naam 5] tref ik ook geen opmerking over geluidsoverlast aan.”

2.8.

In opdracht van de VvE heeft bouwkundig adviesbureau [naam 6] (hierna: [naam 6] ) de dichtgemaakte trapgatsparing tussen de appartementen [kadastrale aanduiding 6] en [kadastrale aanduiding 7] constructief beoordeeld. In het rapport van 3 oktober 2012 van [naam 6] staat daarover onder meer het volgende:

2. Beoordeling constructie

(…)

Tijdens het beoordelen van de constructie kwam de vraag naar voren of in het verleden de voorgespannen betonvloeren naast het trapgat zijn gecontroleerd op de extra belasting uit het raveelijzer en zover wij kunnen nagaan is dat niet gebeurd.

Er zijn twijfels ontstaan of deze vloeren wel voldoen aan de toen geldende normen en/of de constructieve veiligheid niet in het geding is.

De vloer hebben wij rekentechnisch laten controleren door de vloerleverancier, in dit geval de VBI uit Huissen.

(…)

Uit deze berekening blijkt dat dat de toelaatbare spanningen bij één plaat met 29% en bij de andere plaat met 45% wordt overschreden.

Na overleg met de vloerleverancier is ons standpunt dat er maatregelen dienen te worden getroffen om de veiligheid van de constructie van de 1e verdiepingsvloer te kunnen waarborgen.

(…)

4 Conclusie en advies

Dichtzetten trapgat

De berekening van Bouwkundig Adviesbureau [bedrijf 1] “dichtmaken trapgat in woning” d.d. 28-10-10 (zie bijlage I) is wat ons betreft akkoord en voldoet aan de toen geldende normering.

De uitgevoerde constructie (betonvloer) komt overeen met de hierboven genoemde berekening en voldoet en er hoeven dan ook geen maatregelen te worden getroffen.

Verdiepingsvloer

Uit de controle berekening blijkt dat de toelaatbare spanningen bij één plaat met 29% en bij de andere plaat met 45% wordt overschreden.

Om de constructieve veiligheid te kunnen waarborgen dienen er maatregelen te worden getroffen. De oplossing is om de bestaande dekvloer van de verdieping te verwijderen en deze te vervangen door een constructieve druklaag van 50 mm, dit over het volledige oppervlak van de woning.

Formeel hoeven alleen de eerste platen (breed 1200 mm links en rechts naast het trapgat) te worden voorzien van een constructieve druklaag.

Ons advies is om minimaal twee platen (breed 2400 mm links en recht naast het trapgat) te voorzien van een druklaag, dit om de vloer beter te laten samenwerken, zodat doorbuigingsverschillen worden voorkomen.

Dit komt vrijwel neer op het gehele vloeroppervlak.

Ons advies is dan ook om de gehele vloer te voorzien van een druklaag.”

2.9.

Bij brief van 14 maart 2013 heeft Hanssen namens de VvE het volgende aan [gedaagde] meegedeeld:

“(…)

Inmiddels wordt meer en meer duidelijk wat de omvang van de schade is. Bijgaand treft u kopieën van declaraties aan van de herstelwerkzaamheden (…)

Aangezien u geen reactie heeft gegeven op de brief van 5 juli 2012 roep ik u voor de laatste maal op om binnen 7 dagen na dagtekening dezes aansprakelijkheid te erkennen, waarbij u tevens kunt aangeven op welke wijze u de schade wenst te herstellen (…)

Mochten wij binnen de hiervoor genoemde termijn geen reactie van u hebben ontvangen dan zien wij ons genoodzaakt de kwestie uit handen te geven. (…)”

2.10.

Bij e‑mailbericht van 27 maart 2013 is hierop door mr. Vencken gereageerd. De inhoud daarvan is het volgende:

“In bovengenoemde kwestie zond ik u op 28 augustus 2012 een bericht waarop ik van u geen reactie heb ontvangen. Onderstaand treft u een kopie van de tekst van dat bericht aan.

Het dossier heb ik op een gegeven moment gearchiveerd.

(hier is de inhoud van het e-mailbericht van 28 augustus 2012 weergegeven, toevoeging rechtbank)

Cliënt stuurde mij een kopie van uw brief van 14 maart jl. toe. De bijlagen zijn overigens deels onleesbaar.

Ten onrechte stelt u op uw brief van 5 juli 2012 niets te hebben vernomen.

Ik heb het dossier opgevraagd.

Graag verneem ik alsnog uw reactie op mijn brief van 28 augustus 2012.

Voor cliënt worden alle rechten en verweermiddelen voorbehouden.”

2.11.

Op 19 februari 2014 is in opdracht van de VvE aangevangen met herstelwerkzaamheden aan de verdiepingsvloer tussen de appartementen [kadastrale aanduiding 6] en [kadastrale aanduiding 7] . Deze werkzaamheden waren korte tijd later voltooid.

2.12.

Bij brief van 7 oktober 2014 heeft mr. Besselink voornoemd namens de VvE [gedaagde] gesommeerd om over te gaan tot betaling van € 24.840,85 ter zake kosten van herstel van het ondeugdelijk dichtgemaakte trapgat.

2.13.

Hierop is door mr. Vencken gereageerd bij e‑mailbericht van 15 oktober 2014. Daarin staat onder meer:

“Naar aanleiding van een brief van 5 juli 2012 aan cliënt heb ik uw cliënt in de daaropvolgende maand laten weten dat ik cliënt adviseer.

Ik verwees de heer Hanssen naar de berekening van Bouwkundig adviesbureau [bedrijf 1] waarvan cliënt een kopie aan uw cliënt ter hand had gesteld en ik verzocht uw cliënt om een reactie op dat rapport van de heer [bedrijf 1] . Ik gaf daarbij aan dat wij ervan uitgingen dat uw cliënt de door haar geconsulteerde constructeur, [naam 4] ingenieursbureau, dat rapport van [bedrijf 1] zou voorleggen.

Verder merkte ik namens cliënt op dat de gestelde geluidsoverlast cliënt verbaasde: de boven gelegen woning stond op dat moment leeg.

Een reactie op mijn bericht ontving ik van uw cliënt niet.

Wij vernamen niets van uw cliënt tot 25 maart 2013. Cliënt ontving die dag een brief d.d. 14 maart 2013 van de heer mr. J. Hanssen waarin cliënt verzocht werd aansprakelijkheid te erkennen. Bij de brief zaten kopieën van twee facturen voor onderzoek door deskundigen.

Met geen woord repte de heer Hanssen over mijn bericht van augustus 2012. Ten onrechte stelde hij dat cliënt op de brief van 5 juli 2012 niet had gereageerd.

De gevraagde reactie op rapport van de heer [bedrijf 1] werd niet gegeven.

Uiteraard heb ik de heer Hanssen hierop gewezen en hem verwezen naar mijn bericht van 28 augustus 2012 – een kopie zond ik mee – met het verzoek om alsnog op dat bericht te reageren.

De heer Hanssen liet mij daarop het volgende weten: “……….De omvang van de schade wordt langzaam duidelijker. Het onderzoek duurt nog voort.

Binnen het bestuur heeft een wisseling plaatsgevonden van de functionaris belast met technische aangelegenheden. Dat kan de reden zijn waarom er nog geen reactie is op het door u genoemde rapport.

U verneemt zo spoedig mogelijk nader”.

Wij vernamen niet meer van of namens uw cliënt tot uw brief van 7 oktober jl.!

Ik neem aan dat u zult begrijpen dat uw brief cliënt gezien het bovenstaande om meerdere redenen – zacht uitgedrukt – verbaast.

(…)

Verder verneem ik graag van u waarom cliënt niet meer is benaderd en zonder nadere aankondiging blijkbaar inmiddels is overgegaan tot herstel.

Cliënt is dus niet meer in de gelegenheid gesteld om eventueel zelf voor herstel zorg te dragen indien hij zulks meende te moeten doen.

Over dat laatste wilde hij zich een beeld vormen nadat hem de gevraagde informatie ( reactie op bevindingen [bedrijf 1] en nadere onderbouwing zijdens uw cliënt ) zou zijn verstrekt.

Client wordt nu – na 19 maanden – het mes op de keel gezet.

Verder vernemen bij graag hoe de bevindingen van [naam 6] dat de berekeningen van [bedrijf 1] akkoord zijn, de uitgevoerde constructie voldoet en geen verdere maatregelen hoeven te worden getroffen zich verhouden tot de conclusie van [naam 6] dat de constructie van de verdiepingsvloer niet in orde zou zijn.

Wat is van dat laatste de oorzaak?

Tot slot nog het volgende.

Cliënt heeft destijds weldegelijk toestemming gekregen voor het maken van het trapgat, onder de voorwaarde dat hij dat bij vertrek weer in orde zou maken.

In voorgaande correspondentie is door uw cliënt ook niets over het ontbreken van toestemming gezegd.”

2.14.

Na verkregen verlof heeft de VvE op 24 juli 2015 beslag laten leggen op het [kadastrale aanduiding 7] van [gedaagde] . Het verzoekschrift en het proces-verbaal van beslaglegging zijn op 28 juli 2015 aan [gedaagde] overbetekend.

3 Het geschil

3.1.

De VvE vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

1. een verklaring voor recht dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met artikel 14 van het Modelreglement, althans dat hij onrechtmatig ten opzichte van de VvE heeft gehandeld door zonder toestemming van de vergadering van eigenaars een sparing te maken in de gemeenschappelijke verdiepingsvloer;

2. een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door de VvE geleden en nog te lijden schade die het gevolg is van de zonder toestemming van de vergadering van eigenaars gemaakte sparing en de ondeugdelijke wijze waarop [gedaagde] de sparing later weer heeft dicht laten maken;

3. de veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan haar van € 27.378,38, bestaande uit € 24.840,85 aan hoofdsom, € 1.379,53 aan meegevorderde wettelijke rente en € 1.158,00 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 24.840,85 vanaf 6 augustus 2015 tot de dag van volledige betaling.

Tot slot vordert de VvE de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten en de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis.

3.2.

De VvE legt het volgende aan haar vordering ten grondslag.

Op grond van artikel 9 lid 1 sub a van het Modelreglement behoort de verdiepingsvloer tussen de appartementen [kadastrale aanduiding 6] en [kadastrale aanduiding 7] tot de gemeenschappelijke gedeelten en gemeenschappelijke zaken. Ingevolge artikel 5:126 lid 1 BW en artikel 15 van het Modelreglement voert de VvE daarover het beheer. Nu [gedaagde] zonder toestemming van de VvE een trapgat heeft gemaakt in de verdiepingsvloer tussen de hiervoor genoemde appartementen, heeft hij in strijd met de artikelen 9 en 14 van het Modelreglement gehandeld. Nadat [gedaagde] het trapgat had dichtgemaakt, is uit onderzoek van [naam 6] gebleken dat dit niet deugdelijk is gebeurd. [gedaagde] heeft echter geweigerd om het trapgat alsnog deugdelijk dicht te maken, zodat de VvE genoodzaakt was om een derde hiertoe opdracht te geven, om de veiligheid en de constructie van de verdiepingsvloer te kunnen waarborgen. [gedaagde] is op grond van het bepaalde in het Modelreglement aansprakelijk voor de door de VvE geleden schade als gevolg van het maken van het trapgat en het vervolgens ondeugdelijk dichtmaken daarvan. Daarnaast heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens de VvE gehandeld doordat hij schade heeft toegebracht aan de gemeenschappelijke verdiepingsvloer. De kosten van herstel van deze schade aan de verdiepingsvloer bedragen € 24.840,85. Ter verkrijging van betaling buiten rechte van dit bedrag heeft de VvE buitengerechtelijke werkzaamheden verricht dan wel laten verrichten. Naast de herstelkosten en de wettelijke rente daarover maakt de VvE daarom aanspraak op vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Ter verzekering van verhaal van haar vordering heeft de VvE beslag laten leggen op het aan [gedaagde] in eigendom toebehorende [kadastrale aanduiding 7] . Zij maakt daarom tevens aanspraak op vergoeding van de gemaakte beslagkosten.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Hij voert aan dat de VvE niet de op grond van artikel 41 lid 4 van het Modelreglement benodigde machtiging van de vergadering heeft om een rechtsvordering tegen hem in te stellen, zodat de VvE niet‑ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Voorts voert hij aan dat in andere appartementen in het complex een soortgelijke sparing in de verdiepingsvloer is gemaakt en dat daar geen probleem van is gemaakt door de VvE. Voor het realiseren van de trapgat tussen de appartementen [kadastrale aanduiding 6] en [kadastrale aanduiding 7] had [gedaagde] bovendien (stilzwijgende) toestemming van het bestuur van de VvE. Hij hoefde daarom niet te beschikken over een formeel bestuursbesluit. Het bestuur was er immers van op de hoogte dat [gedaagde] een trapgat aan het realiseren was en heeft hiertegen niets ondernomen. Voorafgaand aan de verkoop van [kadastrale aanduiding 6] heeft [gedaagde] het trapgat weer deugdelijk laten dichtmaken conform de constructieberekening van [bedrijf 1] . Vervolgens hebben de huidige eigenaars van [kadastrale aanduiding 6] een ingrijpende verbouwing uitgevoerd, onder meer aan de constructieve delen van het gebouw door het wegbreken van een (dragend) muur. Onbekend is wat de gevolgen hiervan zijn geweest voor de bouwkundige constructie. Nadien heeft de VvE een onderzoek laten verrichten door [naam 6] . Wat daarvoor de exacte aanleiding was, is onduidelijk. Van geluidsoverlast kon immers geen sprake zijn, omdat het [kadastrale aanduiding 7] vanaf 2010 tot medio 2015 leeg stond met uitzondering van een korte periode in 2013 waarin het appartement werd verhuurd.

Voorts voert [gedaagde] aan dat hij na de eerste brief van de VvE van 5 juli 2012 lange periodes niets van de VvE heeft vernomen, dat de VvE niet inhoudelijk heeft gereageerd op zijn e‑mailberichten van 28 augustus 2012, 27 maart 2013 en 15 oktober 2014 en dat hij daarnaast niet door de VvE is geïnformeerd over de in opdracht van de VvE uitgevoerde werkzaamheden. Hierdoor is hij niet in staat geweest om zelf nader onderzoek te doen naar de noodzaak van de uit de voeren werkzaamheden, de daarbij in te schakelen adviseurs/aannemers en de daaraan verbonden kosten. Evenmin is hij in staat geweest om de eventuele herstelwerkzaamheden zelf uit te voeren, waardoor de thans door de VvE gemaakte kosten drastisch hadden kunnen worden beperkt. Pas bij dagvaarding heeft [gedaagde] het rapport van [naam 6] van 3 oktober 2012 voor het eerst ontvangen. Uit dat rapport volgt dat [naam 6] heeft geadviseerd om de werkzaamheden te laten uitvoeren aan de vloer van [kadastrale aanduiding 7] . De VvE heeft er echter voor gekozen om de werkzaamheden te laten uitvoeren aan het plafond van [kadastrale aanduiding 6] . Onduidelijk is waarom de VvE het advies van [naam 6] niet heeft gevolgd en zij meer werkzaamheden heeft laten verricht dan noodzakelijk was.

Tot slot betwist [gedaagde] (de hoogte van) de herstelkosten, de buitengerechtelijke incassokosten en de beslagkosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De VvE heeft voorafgaand aan de comparitie van partijen de notulen van de bijzondere ledenvergadering van de VvE van 6 juni 2015 in het geding gebracht. Hieruit blijkt dat de vergadering het bestuur van de VvE heeft gemachtigd om een juridische procedure tegen [gedaagde] te voeren. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] wordt daarom verworpen.

4.2.

De rechtbank overweegt voorts dat vaststaat dat [naam 6] de constructie van de verdiepingsvloer tussen de appartementen [kadastrale aanduiding 6] en [kadastrale aanduiding 7] heeft beoordeeld en dat zij heeft geconstateerd dat twee platen naast het met beton dichtgemaakte trapgat niet voldoen aan de toelaatbare normering qua sterkte. De juistheid van deze bevindingen zijn door [gedaagde] niet inhoudelijk betwist, zodat hiervan wordt uitgegaan. Daarmee komt vast te staan dat op twee platen naast het door [gedaagde] dichtgemaakte trapgat een ontoelaatbare spanning stond waardoor de veiligheid van de constructie niet kon worden gewaarborgd.

4.3.

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] door de VvE deugdelijk in gebreke is gesteld, wat de oorzaak is van de geconstateerde gebreken aan de verdiepingsvloer en wat de omvang is van de schade.

4.4.

De rechtbank zal allereerst beoordelen of [gedaagde] deugdelijk in gebreke is gesteld en derhalve in verzuim is komen te verkeren. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat de VvE [gedaagde] bij brieven van 5 juli 2012 en 14 maart 2013 in gebreke heeft gesteld. Door [gedaagde] is daarop echter gereageerd met de e-mailberichten van 28 augustus 2012 en 27 maart 2013. In die e‑mailberichten heeft [gedaagde] de VvE verzocht om een reactie op het door hem aan de VvE toegezonden rapport van [bedrijf 1] . Voorts blijkt uit de brief van 15 oktober 2014 van mr. Vencken dat Hanssen op het e-mailbericht van 27 maart 2013 heeft gereageerd met de mededeling: “De omvang van de schade wordt langzaam duidelijker. Het onderzoek duurt nog voort. Binnen het bestuur heeft een wisseling plaatsgevonden van de functionaris belast met technische aangelegenheden. Dat kan de reden zijn waarom er nog geen reactie is op het door u genoemde rapport. U verneemt zo spoedig mogelijk nader”. Over wat er na die reactie van Hanssen is gebeurd, verschillen partijen van mening. De VvE stelt dat voordat met de herstelwerkzaamheden werd aangevangen de heer [naam 7] van [bedrijf 2] (hierna: [naam 7] ) in januari 2014 op verzoek van een van de bestuursleden van de VvE, aan [gedaagde] een e‑mailbericht heeft verzonden om in overleg te treden over de herstelwerkzaamheden en dat daarop geen reactie van [gedaagde] is gekomen. [gedaagde] betwist dat hij het e-mailbericht van [naam 7] heeft ontvangen. Hij voert aan dat hij na de reactie van Hanssen op zijn e-mailbericht van 27 maart 2013 niets meer van de VvE heeft vernomen tot de brief van 7 oktober 2014, dus nadat de herstelwerkzaamheden reeds waren uitgevoerd.

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Naar aanleiding van de e-mailberichten van 28 augustus 2012 en 27 maart 2013 van mr. Vencken namens [gedaagde] had het op de weg van de VvE gelegen om hierop te reageren, alvorens over te gaan tot het laten uitvoeren van de herstelwerkzaamheden door een derde. Blijkens het e-mailbericht van 15 oktober 2014 van mr. Vencken, waarin de inhoud van het e-mailbericht van Hanssen is weergegeven, heeft laatstgenoemde ook een reactie toegezegd. De VvE heeft dat niet weersproken. Voorts is van belang dat de VvE ter zitting heeft verklaard dat zij het rapport van [naam 6] van 3 oktober 2012 eerst bij brief van 7 oktober 2014 aan [gedaagde] heeft verstrekt, dus nadat de herstelwerkzaamheden reeds waren verricht. Daaruit volgt dat [gedaagde] niet op de hoogte was van de bevindingen van [naam 6] ten tijde van de ingebrekestellingen van de VvE. Naar het oordeel van de rechtbank kon de VvE, gelet op het voorgaande en gelet op het tijdsverloop na de laatste ingebrekestelling van 14 maart 2013, in redelijkheid niet zonder meer ertoe besluiten om een derde opdracht te geven tot het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden, zonder eerst de toegezegde reactie op het e-mailbericht van 27 maart 2013 te geven, dan wel zonder [gedaagde] nogmaals in de gelegenheid te stellen om de schade te herstellen binnen een redelijke termijn. Nu [gedaagde] heeft betwist dat hij - voorafgaand aan de herstelwerkzaamheden - van [naam 7] een e-mailbericht heeft ontvangen, komt dit niet vast te staan, en evenmin de inhoud van dat e-mailbericht. De VvE heeft het e-mailbericht immers niet overgelegd. Gelet op het voorgaande en omdat de VvE zich beroept op het rechtsgevolg van haar stelling dat zij [gedaagde] deugdelijk in gebreke heeft gesteld, dient zij dit te bewijzen. Daartoe zal zij conform haar bewijsaanbod worden toegelaten.

4.6.

Indien de VvE slaagt in het aan haar opgedragen bewijs, komt daarmee vast te staan dat [gedaagde] deugdelijk in gebreke is gesteld en in verzuim is. In dat geval zal vervolgens moeten worden beoordeeld of de ontoelaatbare spanningen op de platen naast het dichtgemaakte trapgat zijn veroorzaakt door het dichtmaken van het trapgat door [gedaagde] , dan wel of daarvoor een andere oorzaak is aan te wijzen is, nu [gedaagde] het causaal verband tussen het dichtmaken van het trapgat en de schade gemotiveerd heeft betwist en daarvoor een andere oorzaak heeft aangevoerd. In dat verband is mogelijk nadere bewijslevering en een deskundigenbericht nodig. Indien het door de VvE gestelde causaal verband komt vast te staan, is wellicht ook nog een deskundigenonderzoek nodig voor het vaststellen van de omvang van de schade.

4.7.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt de VvE op te bewijzen dat zij na het e-mailbericht van 27 maart 2013 van mr. Vencken [gedaagde] (nogmaals) in gebreke heeft gesteld door hem in de gelegenheid te stellen om de schade aan de verdiepingsvloer te herstellen binnen een redelijke termijn,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juni 2016 voor uitlating door de VvE of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat de VvE, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat de VvE, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op dinsdagen in de maanden augustus 2016 tot en met oktober 2016 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. S.J. Peerdeman in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2016.