Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3854

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-07-2016
Datum publicatie
18-07-2016
Zaaknummer
AWB 15/4511, 15/4883, 15/5128, 15/5168, 15/5170, 15/5171
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het uitbreiden van zandwinning in het gebied “Rhederlaag”. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar trillinghinder. Het beroep is gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7346
JBO 2016/226 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JBO 2016/227 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/4511, 15/4883, 15/5128, 15/5168, 15/5170, 15/5171

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

  1. [eiser 1] ,

  2. [eiser 2] en [eiser 2A] ,

  3. [eiser 3] , (gemachtigde mr. J.P. Hoegee)

  4. [eiser 4] , (gemachtigde: [gemachtigde] )

  5. [eiser 5]

  6. [eiser 6] ,

te [woonplaats 1] onderscheidenlijk [woonplaats 2] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te [plaats] vergunninghoudster.

(gemachtigde mr. A.P.J. Blokland)

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor een verandering van de zandwinningsinrichting in het recreatiegebied Rhederlaag, buitendijks tussen de kernen Giesbeek en Lathum en de IJssel.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroepen ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016. Verschenen zijn [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 2A] , [gemachtigde] , [eiser 6] en [eiser 5] , vergezeld door ir. J.G. Hulsbergen van ingenieursbureau ABT. Namens de [eiser 3] is verschenen [naam 3] , vergezeld door gemachtigde mr. J.P. Hoegee.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, W.M. van der Burgt, T. Korts en mr. J.R. Smit. Namens vergunninghoudster is verschenen [naam 1] , bijgestaan door gemachtigde mr. A.P.J. Blokland en vergezeld door [naam 2]

Overwegingen

1. Vergunninghoudster drijft een zandwinningsinrichting.

Voor deze inrichting is op 14 maart 2011 een revisievergunning verleend.

Op 2 juli 2014 heeft vergunninghoudster een aanvraag voor een omgevingsvergunning (hierna ook: de veranderingsvergunning) ingediend voor het uitbreiden van de zandwinning, die bij het bestreden besluit is verleend. Deze uitbreiding heeft betrekking op drie deelgebieden in het gebied Rhederlaag (hierna: deelgebied noord, midden en zuid), welke zijn gelegen in de nabijheid van woonwijk Riverparc en het dorp Giesbeek.

De afstand tussen de voorgenomen zandwinning in deelgebied “midden” en de dichtstbijzijnde woningen op Riverparc bedraagt ongeveer 200 meter. De afstand tussen deelgebied “zuid” en de dichtstbijzijnde woningen op Riverparc bedraagt ongeveer 100 meter, en tot de dichtstbijzijnde woningen op de dijk ongeveer 130 meter.

Voor het te ontgronden gebied is op 3 juni 2013 een ontgrondingenvergunning als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend door het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland.

De voorliggende, bij het bestreden besluit verleende, veranderingsvergunning reguleert het drijven van een zandwinningsinrichting, maar reguleert niet het ontgronden in de zandwinningsplas; dat laatste doet de ontgrondingenvergunning.

2. De rechtbank stelt voorop dat de ontgrondingenvergunning geen voorwerp van het onderhavige geding uitmaakt, zodat de beroepsgronden van eisers die feitelijk zijn gericht tegen die vergunning – bijvoorbeeld het gestelde gebrek aan inspraak bij de voorbereiding van die vergunning – in de onderhavige procedure niet mogen worden beoordeeld. Tegen de verlening van de ontgrondingenvergunning zijn destijds geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor de ontgrondingenvergunning in rechte onaantastbaar is geworden.

In de onderhavige procedure kan ook niet aan de orde komen de vraag of de zandwinning in strijd is met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan vormt immers voor de voorliggende veranderingsvergunning geen toetsingskader.

Ontvankelijkheid van het beroep van eiseres 4

3. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 Awb naar voren heeft gebracht.

3.1.

Eiseres 4 heeft geen zienswijze ingediend tegen het ontwerp van het bestreden besluit. Eiseres acht dit evenwel verschoonbaar omdat zij wegens het ontbreken van voldoende juiste informatie, met name het niet vermelden dat sprake is van sorteer- of classificeerinstallaties, op het verkeerde been is gezet.

3.2.

De rechtbank overweegt dat in de publicatie van het ontwerpbesluit op 4 december 2014 wordt vermeld dat het de verandering van de zandwinning in het recreatiegebied Rhederlaag betreft, buitendijks tussen de kernen Giesbeek, Lathum en de IJssel. Deze tekst is op zichzelf niet onjuist. Op grond van deze tekst had eiseres kunnen weten dat er iets zou gaan veranderen met de zandwinning en lag het op haar weg om het ontwerpbesluit spoedig na deze publicatie in te gaan zien. Indien zij dat zou hebben gedaan, had zij gezien dat daarin melding wordt gemaakt van het feit dat de werkzaamheden worden uitgevoerd met bestaand materieel en drijvende installaties welke in de vigerende vergunning zijn opgenomen, en had zij tijdig haar zienswijze kunnen indienen. De stelling van eiseres dat zij tijdig informatie heeft ingewonnen, maar dat de verstrekte informatie onjuist of onduidelijk was, acht de rechtbank onvoldoende met feiten gestaafd. Het gesprek met de wethouder, waarnaar eiseres in dit verband heeft verwezen, heeft immers eerst op 29 juli 2015 plaatsgevonden.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het niet indienen van een zienswijze dus niet verschoonbaar.

Het beroep van eiseres 4 zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Wettelijk kader

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder e, onder 2º, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting of mijnbouwwerk.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.14, derde lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

Ingevolge artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens onder meer artikel 2.14 van de Wabo.

Bij de toepassing van de hierboven genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Trillinghinder

5. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar trillinghinder ter plaatse van de nieuwe zandwinningslocatie. Volgens eisers hebben meerdere woningen in de omgeving van de bestaande zandwinning te kampen met scheurvorming als gevolg van de zandwinning. Hiervoor wordt verwezen naar een rapport van ABT van 1 april 1996 met betrekking tot de woning [adres] en het onderzoek van De Ruiter milieutechnologie B.V. van 13 december 1994.

Eisers betogen voorts, onder verwijzing naar een notitie van ingenieursbureau DPA Caubergh Huygen van 16 februari 2016, dat verweerder ten onrechte niet met toepassing van de “Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, SBR-richtlijn, A, Schade aan gebouwen” en de “Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, SBR-richtlijn B, Hinder voor personen in gebouwen”, heeft onderzocht of de zandwinactiviteiten leiden tot hinderlijke en/of schadelijke trillingen. Volgens eisers blijkt uit het memo van Deltares van oktober 2014 voorts dat de zandwinning met inzet van zwaar materieel gepaard kan gaan met trillingsoverlast in de omgeving, waardoor ongelijkmatige zettingen met gevaar van schade aan de huizen in de woonwijk Riverparc niet zijn uit te sluiten. Daarnaast is volgens eisers geen onderzoek gedaan naar laagfrequente trillingen, welke met name in kleigrond voor schade aan huizen kunnen zorgen.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat met betrekking tot trillinghinder een onderscheid dient te worden gemaakt tussen trillinghinder als gevolg van trillingen in de lucht (laagfrequent geluid) en trillinghinder via de bodem of het water. Hierna wordt op beide punten ingegaan.

Trillinghinder via lucht (laagfrequent geluid)

5.2.

In het geluidonderzoek van Wensink Akoestiek & Milieu van 30 juni 2014, dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, is aangegeven dat op de pontons classeerzeven worden gebruikt in plaats van ontwateringszeven, en dat classeerzeven geen laagfrequent geluid veroorzaken. De deskundige van vergunninghoudster, [naam 2] heeft ter zitting toegelicht dat het zeefdek van classeerzeven grotere mazen bevatten dan ontwateringszeven, welke wel bewegen maar amper lucht verplaatsen, Hierdoor treedt geen laagfrequent geluid op, aldus deze deskundige.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het voorgaande. Hetgeen eisers naar voren hebben gebracht biedt daarvoor geen aanknopingspunt.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

Trillinghinder via grond/water

5.3.

Uit het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voor handen zijnde rapport van De Ruiter milieutechnologie B.V. van 13 december 1994 vloeit voort dat de zandwinning grondmechanische effecten veroorzaakt door enerzijds in de ondergrond geproduceerde trillingen, en anderzijds deformaties van de ondergrond door veranderingen van de gronddrukken ten gevolge van de verwijdering van een zandhoeveelheid. In het rapport wordt geconcludeerd dat de zandwinning bodemtrillingen veroorzaakt, en dat deze bodemtrillingen schade aan woningen kan veroorzaken, maar dat zonder nader onderzoek geen uitspraak kan worden gedaan over de kans op en de omvang van de schade. In het rapport van ABT van 1 april 1996 wordt aangegeven dat scheurvorming aan de woning [adres] kan worden toegerekend aan de zandzeefinstallatie in de Valeplas.

Gelet op deze rapporten had het in de rede gelegen dat verweerder niet – zoals hij heeft gedaan – ervan was uitgegaan dat de milieugevolgen van de zandwinning op dit punt geheel aan de ontgronding moeten worden toegerekend en dat trillinghinder in zoverre bij de beoordeling van de onderhavige vergunningaanvraag geen rol speelt, en daarbij dus niet hoeft te worden betrokken. Dat het aspect trillinghinder niet zonder nader onderzoek kan worden gelaten wordt nog eens bevestigd met de door eisers in beroep overgelegde notitie van Caubergh-Huygen van 16 februari 2016, waarin wordt aangegeven dat door het contact van de zandwinningsinstallatie met het water en de bodem trillingen ontstaan, en dat voor het berekenen van de intensiteit van trillingen in woningen en andere trillingsgevoelige gebouwen de eigenschappen van de onderscheiden grondlagen van belang zijn, de wijze van winning van zand, de afstand van de zandwinactiviteiten tot de gebouwen, de wijze van funderen van de woningen en de afmetingen, het aantal verdiepingen en de constructiewijzen van de woningen.

De rechtbank acht het op grond van de in het geding gebrachte rapporten en notities van deskundigen daarom aannemelijk dat als gevolg van de zandwinning trillingen ontstaan. Nu de uitbreiding van de zandwinning plaats gaat vinden op een locatie waarbij de afstand tot woningen aanmerkelijk kleiner is dan de afstand tot woningen in het bestaande wingebied “Valeplas”, en de woningen op het Riverparc voorts binnendijks zijn gelegen op opgespoten grond waarbij het gevaar van zettingen bestaat, kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met de enkele stelling dat de uitbreiding van de zandwinning niet zal leiden tot overschrijding van trillingnormen. Verweerder had onderzoek moeten verrichten naar trillinghinder en de (eventuele) gevolgen van deze trillingen op omliggende trillingsgevoelige objecten, zoals woningen, bijvoorbeeld met toepassing van de SBR-richtlijnen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden in het gebied.

De beroepsgrond slaagt.

Geluid

6. Eisers 3 betogen dat een afweging ontbreekt waarom op grond van het gemeentelijk geluidbeleid een waarde van 50 dB(A) kan worden toegestaan in plaats van een waarde van 45 dB(A). Volgens eisers is daarnaast de vraag in hoeverre het geluidbeleid uit 2008 nog actueel en toepasbaar is nu dit volgens het geluidbeleid om de vier jaar dient te worden herzien, en is bij de berekening geen rekening gehouden met achtergrondgeluid.

Eisers 3 betogen voorts dat het bronvermogen van 115 dB(A) voor piekgeluiden aan de lage kant is en dat tussen de zandzuigers een verschil in bronvermogen van 0,5 dB(A) bestaat, waardoor enkele vergunningwaarden te laag zijn vastgesteld. Volgens eisers gelden de overschrijdingen van de geluidswaarden - anders dan verweerder aangeeft - niet enkel gedurende de voorbereidende werkzaamheden maar wordt deze overschrijding blijkens tabel 2 op pagina 12 van het geluidonderzoek van Wensink Akoestiek & Milieu van 30 juni 2014 ook bij het zandzuigen bereikt gelet op de geluidwaarde van 52 dB(A).

Eisers 3 betogen verder dat door de plaatsing van de geluidsluwe kant van de zandwininstallatie in de richting van het Riverparc op andere locaties niet aan de vergunningvoorschriften kan worden voldaan. Volgens eisers is het voorschrift waarin is opgenomen dat de luwe kant in de richting van de woningen moet worden geplaats daarnaast niet uitvoerbaar, omdat de plaatsing van het schip afhankelijk is van de plek waarop zand wordt opgegraven.

6.1.

Het gemeentelijk geluidbeleid voor industrielawaai is vastgelegd in de “Nota gemeentelijk geluidbeleid”. Ingevolge het geluidsbeleid geldt voor woningen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau de ambitie- en grenswaarde “redelijk rustig”. Dit staat gelijk aan een etmaalwaarde van 50 dB(A). Voor (verblijfs)recreatie geldt de ambitie- en grenswaarde “rustig”, wat gelijk staat aan een etmaalwaarde van 45 dB(A).

In het bestreden besluit heeft verweerder de geluidbelasting uit het geluidonderzoek aan dit beleid getoetst, en hieruit volgt dat het ambitieniveau van 50 dB(A) op de woningen op het Riverparc wordt overschreden met 2 dB(A) als gevolg van winwerkzaamheden met ponton “Maxima” en zandzuiger “De Steeg”.

In het aanvullende geluidsonderzoek van Wensink Akoestiek & Milieu van 22 juli 2014 is onderzocht welk materieel kan worden ingezet als aanvullende maatregel om te kunnen voldoen aan het ambitieniveau van 50 dB(A). Hieruit volgt dat door een juiste situering van de ponton en zandzuiger het geluidniveau op de woningen op het Riverparc kan worden verlaagd tot 47 dB(A).

In het bestreden besluit is hiertoe voorschrift 5.4.2 opgenomen:

“Zandzuigwerkzaamheden in het middengebied mogen enkel worden uitgevoerd met ponton “Maxima + zandzuiger De Steeg”, indien beide gericht met de voorzijde naar de woningen Riverparc. Zandzuigwerkzaamheden met ander materieel is alleen toegestaan indien vooraf is aangetoond dat aan de in de voorschriften 5.4.1. en 5.4.4 opgenomen geluidniveau kan worden voldaan.”

6.2.

De rechtbank overweegt dat uit het geluidbeleid voortvloeit dat voor woningen een ambitie- en grenswaarde van 50 dB(A) geldt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij deze ambitie- en grenswaarde, nu de woningen op het Riverparc ook als woningen zijn bestemd in het bestemmingsplan.

Door als voorschrift in de veranderingsvergunning op te nemen dat de geluidsluwe zijde wordt gericht naar de woningen op het Riverparc wordt geborgd dat aan de ambitie- en grenswaarde van 50 dB(A) wordt voldaan. Anders dan eisers betogen is daarom geen sprake van een afwijking van deze geluidwaarden. De rechtbank acht dit voorschrift voorts niet onuitvoerbaar.

Uit het feit dat het geluidbeleid niet binnen vier jaar is herzien vloeit, anders dan eisers betogen, niet voort dat verweerder dit beleid niet meer in redelijkheid heeft kunnen toepassen. Er is immers geen aanknopingspunt aanwezig om dit beleid niet meer actueel te achten. Ook overigens is er geen grond voor het oordeel dat dit beleid – zoals eisers willen – wegens kennelijke onredelijkheid niet mocht worden toegepast. Daartoe hebben eisers evenmin aanknopingspunten aangeleverd.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het bronvermogen voor piekgeluiden dat verweerder op pagina 7 van het geluidrapport het maximaal bronvermogenniveau van het materieel heeft beschreven, en dat deze bronvermogenniveaus door middel van metingen zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder in redelijkheid uitgaan van deze bronvermogens. Eisers hebben behoudens de enkele stelling dat het bronvermogen te laag is ook onvoldoende aanknopingspunten aangeleverd voor de onjuistheid hiervan.

Met betrekking tot het bronvermogenverschil van 0,5 dB(A) tussen zandzuiger “Jan Willem III” (104,5 dB(A)) en zandzuiger “Rhederlaag” (105 dB(A)) overweegt de rechtbank dat eisers terecht hebben aangevoerd – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD5076) – dat, nu het hier gaat om vergunningverlening, het toepassen van een meettolerantie niet acceptabel is. In zoverre kleeft aan het bestreden besluit dus evenzeer een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek en treft de beroepsgrond doel.

Milieueffectrapportage (MER)

7. Eisers 3 betogen dat voor de activiteit op grond van het bepaalde in bijlage I, categorie C3.1. en D3.1, bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r) respectievelijk een MER-plicht, danwel een MER-beoordelingsplicht, geldt omdat er sprake is van een wijziging van een binnenvaarweg. Voor zover niet wordt voldaan aan de drempelwaarden had verweerder volgens eisers een vormvrije MER-beoordeling moeten uitvoeren op grond van artikel 2, vijfde lid, Besluit m.e.r.

Eiseres 5 betoogt dat voor de activiteit op grond van het bepaalde in bijlage I, categorie D16.1, bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r) een MER-beoordelingsplicht geldt omdat de oppervlakte van de zandwinning meer dan 12,5 hectare bedraagt, indien de aanpassing van de ontgrondingenvergunning bij de Giese Kop wordt meegenomen. Voor zover niet wordt voldaan aan de drempelwaarden had verweerder volgens eiseres 5 een vormvrije MER-beoordeling moeten uitvoeren op grond van artikel 2, vijfde lid, Besluit m.e.r.

7.1.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid worden ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een MER-beoordelingsplicht ten aanzien van:

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

D 3.1

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een binnenvaarweg.

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een binnenvaarweg die:

1° kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van 900 ton of meer of

2° een oppervlakte van 25 hectare of meer heeft.

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

De vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet door de Minister van Infrastructuur en Milieu dan wel het projectplan, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet, of, indien artikel 5.4, zesde lid, van die wet van toepassing is, het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet, dan wel bij het ontbreken daarvan de besluiten waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn.

(…)

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

D 16.1

De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld onder D 16.2.

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een terreinoppervlakte van 12,5 hectare of meer.

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet.

Het besluit, bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is “binnenvaarweg” gedefinieerd als “binnenwater welke kan worden bevaren door schepen”.

7.2.

De rechtbank overweegt dat de voorliggende veranderingsvergunning betrekking heeft op het winnen van zand, hetgeen valt onder categorie D16.1 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Op grond van deze bepaling dient de MER-beoordelingsplicht uitgevoerd te worden in het kader van het besluit op grond van artikel 3 van de Ontgrondingenwet (de ontgrondingenvergunning). Nu het voorliggende besluit betrekking heeft op een veranderingsvergunning, en niet op de ontgrondingenvergunning, bestaat er geen MER-beoordelingsplicht op grond van deze bepaling, zodat de beroepsgrond van eiseres 5 faalt.

De rechtbank overweegt voorts dat het winnen van zand niet is aan te merken als de wijziging van een binnenvaarweg. De voorliggende veranderingsvergunning betreft voorts geen besluit zoals aangewezen in categorie D3.1.

De beroepsgronden falen.

Slotoverwegingen

8. Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot trillinghinder is overwogen, wordt het beroep gegrond verklaard en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door aanvullende voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden, zoals vergunninghoudster ter zitting heeft verzocht, of om een tussenuitspraak te doen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat zonder nader onderzoek niet op voorhand vast staat dat voldaan kan worden aan de normen met betrekking tot trillinghinder en dat vergunningverlening mogelijk is overeenkomstig de aanvraag.

9. Nu het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers 3 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Van proceskosten is verder niet gebleken.

10. Voorts bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eisers 1, 2, 3, 5 en 6 betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eiseres 4 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eisers 1, 2, 3, 5 en 6 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 3 tot een bedrag van € 992;

  • -

    draagt verweerder op het door eisers 1, 2, 5 en 6 betaalde griffierecht (€ 167 elk) te vergoeden;

  • -

    draagt verweerder op het door eisers 3 betaalde griffierecht (€ 331) te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Groverman, voorzitter, mr. M.S.T. Belt en mr. L.M. Koenraad, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.