Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3777

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-07-2016
Datum publicatie
22-07-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 7357
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1700, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschade in verband met een projectbesluit voor een intensieve veehouderij. Actieve risicoaanvaarding door de aan het bestemmingsplan “Buitengebied” voorafgaande ontwikkelingsschets. Hierin was opgenomen dat in dit bestemmingsplan voor het agrarische ontwikkelingsgebied een wijzigingsbevoegdheid zou worden opgenomen om nieuwe agrarische bouwvlakken toe te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/7357

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] eiseres

(gemachtigde: mr. M.L.M. Frantzen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om een tegemoetkoming in de planschade ten gevolge van het projectbesluit “Krumselaarseweg I” afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. M.L.M. Frantzen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. D.L. de Vries.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 28 december 2012 door toedeling na boedelverdeling de eigendom verkregen van het perceel [adres] te [plaats] . De daaraan voorafgaande verkrijging onder bijzondere titel dateert van 9 februari 1999 en de aankoop vond plaats op 17 december 1998. Op 21 november 2013 is de onroerende zaak verkocht aan derden, en op 24 december 2013 is de eigendom aan die derden overgedragen.

Op 28 mei 2014 heeft eiseres verweerder verzocht om een tegemoetkoming in planschade als gevolg van de inwerkingtreding van het projectbesluit “Krumselaarseweg I” op 21 december 2011. Het projectbesluit is onherroepelijk geworden door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1795). Het projectbesluit vormt de juridisch-planologische basis voor de vestiging van een agrarisch bedrijf bestaande uit twee varkensstallen met een goothoogte van 2,80 meter, een bouwhoogte van 6,30 meter en een oppervlakte van elk circa 4184 m². De afstand van de stallen tot de woning van eiseres bedraagt ongeveer [xxx] meter, en de afstand tot het perceel [xxx] meter.

Voorheen was op het perceel het bestemmingsplan “Buitengebied 2000” van toepassing. Dit bestemmingsplan stond de vestiging van een agrarisch bedrijf niet toe.

Verweerder heeft advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). Op basis van een vergelijking tussen het planologische regime van het bestemmingsplan “Buitengebied 2000” en het nieuwe projectbesluit heeft de SAOZ in het advies van 17 april 2015 geconcludeerd dat het projectbesluit in beperkte mate heeft geleid tot een nadeliger positie voor eiseres.

De SAOZ heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de planologische mutatie ten tijde van de aankoop van eiseres perceel voorzienbaar was, omdat de gemeenteraad op 24 februari 1998 de “Ontwikkelingsschets buitengebied Barneveld” heeft vastgesteld. In deze ontwikkelingsschets was opgenomen dat in het nieuwe bestemmingsplan voor een deel van het buitengebied een wijzigingsbevoegdheid zou worden opgenomen om onder voorwaarden een nieuw agrarisch bouwvlak ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf mogelijk te maken. Volgens de SAOZ had eiseres ten tijde van de aankoop met deze mogelijkheid rekening moeten houden.

Verweerder heeft dit advies aan het primaire besluit ten grondslag gelegd en dat besluit bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef onder c, is een besluit omtrent een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 6.3, onder a, van de Wro geldt dat met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade burgemeester en wethouders bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak betrekken.

4. De rechtbank stelt vast dat partijen vooralsnog uitsluitend debatteren over de vraag of als gevolg van de ontwikkelingsschets sprake is van actieve risicoaanvaarding.

5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:836), is de planschade voorzienbaar en dient deze voor rekening van de koper te worden gelaten, indien ten tijde van de aankoop van een onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. In dat geval wordt de koper geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve planologische ontwikkeling te hebben betrokken bij het overeenkomen van de koopprijs. Om voorzienbaarheid te kunnen aannemen, is voldoende dat er een concreet beleidsvoornemen is, dat openbaar is gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft. Voorts heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat, om op grond van een concreet beleidsvoornemen voorzienbaarheid te kunnen aannemen, een redelijk denkend en handelend koper uit de openbaarmaking daarvan moet kunnen begrijpen op welk gebied dat beleidsvoornemen betrekking heeft, wat de zakelijke inhoud ervan is, en dat hij van de inhoud ervan kan kennisnemen.

6. De rechtbank overweegt dat het ontwerp van de ontwikkelingsschets van 16 september 1997 tot 13 oktober 1997 ter inzage heeft gelegen, dat een drietal informatie- en inspraakavonden zijn gehouden en dat de gemeenteraad de ontwikkelingsschets op 24 februari 1998 heeft vastgesteld. In de ontwikkelingsschets wordt aangegeven dat binnen gebieden met de bestemming Agrarisch gebied I (agrarische ontwikkelingsgebieden) een verdere ontwikkeling van de landbouw voorop staat. De ontwikkelingsschets geeft aan dat nieuwvestiging in de zin van het creëren van een nieuw bouwperceel in beginsel niet mogelijk is maar dat de gemeente, waar dit uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is, in beperkte mate nog nieuwvestiging mogelijk wil maken, met name bij verplaatsing. Daartoe geeft de ontwikkelingsschets aan dat in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid zal worden opgenomen om, in geval geen aanvaardbare locatie beschikbaar is, het vestigen van een nieuwbouwperceel ten behoeve van het vestigen van een volwaardig agrarisch bedrijf mogelijk te maken.

Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de ontwikkelingsschets voldoende concreet naar voren dat in agrarische ontwikkelingsgebieden verdere ontwikkeling van de landbouw mogelijk zal blijven en in dat kader ook, zij het onder voorwaarden, de vestiging van geheel nieuwe veehouderijen tot de mogelijkheden behoort. Dat alleen sprake zou zijn van een wijzigingsbevoegdheid in een relatief groot gebied, zodat op voorhand niet duidelijk was waar een nieuw agrarisch bouwblok zou kunnen worden gerealiseerd, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit beleidsvoornemen onvoldoende bepaalbaar was, nu zich dit beperkte tot het agrarisch ontwikkelingsgebied.

In dit verband kan worden gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AS2150).

Nu niet in discussie is dat de woning van eiseres binnen bedoeld agrarisch ontwikkelingsgebied ligt en evenmin dat de ontwikkelingsschets openbaar is gemaakt, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van de aankoop van de woning van eiseres voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou verslechteren. Gelet daarop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de verandering van de planologische situatie voor eiseres voorzienbaar was, en dat eiseres daarom niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in planschade.

Dat voor de ontwikkeling een projectbesluit is verleend in plaats van een wijzigingsplan maakt het voorgaande niet anders. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 16 maart 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT0549) kan een verleende vrijstelling gelijk worden gesteld met een wijzigingsbevoegdheid indien de bouwmogelijkheden min of meer op één lijn zijn te stellen. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht vloeide de keuze voor een projectbesluit niet voort uit het feit dat het bouwplan niet paste binnen de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid, maar kwam deze keuze voort uit de inwerkingtreding van de Wro, en de hierin opgenomen mogelijkheid om tegelijk een bouwvergunning te verlenen, alsmede af te kunnen zien van het opstellen van een plan-MER. Zodoende zijn het projectbesluit en de wijzigingsbevoegdheid naar het oordeel van de rechtbank in het voorliggende geval op één lijn te stellen.

De beroepsgrond faalt.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, mr. R.J. Jue en mr. M.S.T. Belt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.