Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3694

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
07-07-2016
Zaaknummer
235692
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2015:3454. In geschil is of de biggen die door eisers in conventie via gedaagden in conventie in de hoofdzaak zijn geleverd aan gedaagden in conventie in de vrijwaringszaak leden aan de aandoening PAR. Na deskundigenbericht beantwoordt de rechtbank die vraag ontkennend. Het beroep van gedaagden in conventie in de hoofdzaak op non-conformiteit faalt. Geen grond voor vernietiging of ontbinding van de koopovereenkomst. De facturen van eisers in conventie in de hoofdzaak moeten worden betaald. Het niet langer afnemen van biggen door gedaagden in conventie in de hoofdzaak levert geen tekortkoming op, dus geen grond voor schadevergoeding. Rechtbank wijst eindvonnis in de hoofdzaak. In de vrijwaringszaak bewijsopdracht mbt de besmetting van biggen met Pm+.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 22 juni 2016

in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/05/235692 / HA ZA 12-769 / 167 van

1. de maatschap

[eiser 1] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 1] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats 2] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. M. Ensink te Utrecht,

tegen

[gedaagde 1] ,

handelend onder de naam [bedrijf],

wonende te [woonplaats 3] , gemeente [gemeente 1] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. S.G. Volbeda te Arnhem,

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/05/240787 / HA ZA 13-168 / 167 van

[eiser in conventie] ,

handelend onder de naam [bedrijf],

wonende te [woonplaats 3] , gemeente [gemeente 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. S.G. Volbeda te Arnhem,

tegen

1. de maatschap

[gedaagde 2] ,

gevestigd te [plaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,

2. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats 4] , gemeente [gemeente 2] ,

3. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats 5] , gemeente [gemeente 3] ,

4. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats 4] , gemeente [gemeente 2] ,

gedaagden in conventie,

eisers in (voorwaardelijke) reconventie,

voorheen advocaat mr. J.P. Damen, thans mr. S.J.G.A. van Pelt te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eisers] , [gedaagden 1] en [gedaagden 2] genoemd worden.

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 mei 2015

  • -

    de conclusie na aanvullend deskundigenbericht van [eisers]

  • -

    de conclusie na aanvullend deskundigenbericht van [gedaagden 1]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de vrijwaring

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 mei 2015

  • -

    de conclusie na aanvullend deskundigenbericht van [gedaagden 1]

  • -

    de conclusie na aanvullend deskundigenbericht van [gedaagden 2]

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De verdere beoordeling

in de hoofdzaak en in de vrijwaring

3.1.

De rechtbank volhardt in hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 20 mei 2015.

3.2.

Bij tussenvonnis van 18 december 2013 is prof. dr. [naam 1] (hierna: prof. [naam 1] ) tot deskundige benoemd ter beantwoording van de in dat vonnis geformuleerde vragen (de vragen 1 t/m 9). Prof. [naam 1] heeft zijn definitieve rapportage van 23 mei 2014 ter griffie gedeponeerd. [eisers] , [gedaagden 1] en [gedaagden 2] hebben een conclusie na deskundigenbericht genomen.

3.3.

Bij tussenvonnis van 20 mei 2015 heeft de rechtbank aanvullende vragen gesteld aan de deskundige. Prof. [naam 1] heeft zijn definitieve rapportage van 12 december 2015 ter griffie gedeponeerd. De aanvullende vraag in de hoofdzaak en de vrijwaring is door de deskundige toegevoegd aan vraag 3 als vraag 3.1. De drie aanvullende vragen in de vrijwaring zijn toegevoegd aan vraag 3.1 als vragen 3.1a, 3.1b en 3.1c. [eisers] , [gedaagden 1] en [gedaagden 2] hebben daarop een conclusie na aanvullend deskundigenbericht genomen.

3.4.

Uit de rapportage van prof. [naam 1] wordt het volgende geciteerd:

“1. Wat zijn de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan, wil men spreken van een big/varken dat lijdt aan de aandoening PAR? Welke bacterie is het causale agens of welke bacteriën zijn de causale agentia voor de aandoening PAR? Is een besmetting met die bacterie/bacteriën gelijk te stellen met de aandoening PAR? Zo nee, wilt u dan precies omschrijven wat daartussen het verschil is en waaraan nog meer moet zijn voldaan wil men spreken van een PAR aandoening? Wilt u uw antwoord onderbouwen aan de hand van de literatuur.

AR (atrofische rhinitis) is een pathologische entiteit die staat voor conchae atrofie, hetgeen wil zeggen dat dit slechts kan worden vastgesteld wanneer de conchae (neusschelpen) morfologisch worden beoordeeld. Dit beoordelen gebeurt niet bij het levende dier, maar tijdens sectie. De bovenkaak wordt ingezaagd ter hoogte van de eerste premolaar en vervolgens kan men de windingen van de neusschelpen beoordelen. Afwezigheid van windingen van de neusschelpen of scheve stand van het neustussenschot worden betrokken in de beoordeling. Hoewel diverse beoordelingssystemen voor het kwantificeren van conchae atrofie bestaan, verschillen de systemen nauwelijks in interpretatie van milde en ernstige conchae atrofie. De term PAR (progressieve atrofische rhinitis) is bij het varken voorbehouden aan conchae atrofie ten gevolge van een infectie van de conchae met toxine (DNT) producerende Pasteurella multocida bacteriën. De diagnose PAR is dus gesteld wanneer bij een dier conchae atrofie is aangetoond en uit de neus toxine (DNT) producerende Pasteurella multocida bacteriën zijn geïsoleerd of het DNT genoom is aangetoond. Wanneer alleen conchae atrofie wordt aangetoond en niet de aanwezigheid van DNT-positieve Pasteurella multocida, kan men slechts spreken van atrofische rhinitis. Omgekeerd, wanneer men in de neus of keelholte van varkens DNT-positieve Pasteurella multocida aantoont, betekent dit niet dat deze dieren lijdende zijn aan atrofische rhinitis. De dieren en dus ook de groep of populatie waar ze uitkomen is dan geïnfecteerd met DNT-positieve Pasteurella multocida, en al die dieren uit die populatie lopen daarom een vergroot risico op het ontwikkelen van PAR. Varkens kunnen besmet zijn met DNT-positieve Pasteurella multocida, zonder dat deze kiem de neus heeft gekoloniseerd. De bacterie wordt dan meestal wel in de tonsillen gevonden. De bacterie kan slechts het neusslijmvlies koloniseren wanneer het slijmvlies beschadigd is. (…) Omdat Pasteurella multocida wel de keel, maar niet zonder meer de neus koloniseert is het algemeen aanvaard dat slijmvliesbeschadiging nodig is voor de ontwikkeling PAR.

2. 2. Wat is de incubatietijd van PAR?

De incubatietijd tijd is korter naarmate dieren jonger zijn bij infectie van de neusschelpen. (…)

Concluderend kan gesteld worden dat de incubatietijd bij jonge biggen voor ontwikkeling van PAR 1-2 weken bedraagt.

3. 3. Bestaat er over het voorgaande (vraag 1 en 2) overeenstemming onder de deskundigen op het terrein van de veterinaire gezondheid van varkens?

(…) Omtrent de ontstaanswijze van PAR bestaan in de wereld geen verschillen van inzicht meer (…) Uit de diverse onderzoeken en observaties blijkt dat de incubatieperiode niet exact is aan te geven, maar 1-2 weken bedraagt voordat PAR is vast te stellen.

3.1

In het verslag van de bevindingen van [naam 2] van 31 mei 2012 staat onder meer geschreven dat hij op 25 mei 2012 drie varkens met flink scheve neuzen heeft gezien en enkele tientallen met verdenking van dikke gezwollen neuzen met huidplooien. Heeft u dit verslag en deze specifieke waarnemingen in uw beoordeling betrokken? Zo nee, als u dit wel in uw beoordeling betrekt, leidt dat tot een andere conclusie met betrekking tot de aanwezigheid van PAR?

De bevindingen/waarnemingen van [naam 2] zijn mijn beoordeling betrokken. Bovenkaakverkorting en neusverkromming vormen een sterke verdenking ten aanzien PAR. In diagnostisch onderzoek zijn dit dieren die men bij voorkeur selecteert om tot een diagnose te komen.

De microbiologische diagnose, na bemonstering van tonsillen/neus waarbij Pm+ wordt aangetoond, zal dan luiden dat de varkensstapel van het betreffende bedrijf met Pm+ besmet is en dus alle dieren van het bedrijf potentieel kunnen lijden aan PAR. Het is een conditio sine qua non: zonder Pm+ geen PAR en bij besmetting met Pm+ is er risico op ontwikkelen van PAR.

De patho-morfologische diagnose PAR kan alleen gesteld worden na euthanasie/slachting van de betreffende dieren en beoordeling van de neusschelpen op dwarsdoorsnede van de neus (…). De beoordeling van de atrofie wordt dan vastgesteld met een scoresysteem (…). Dieren die 0 scoren hebben geen aantasting van de neusschelpen en bij scores oplopende tot maximaal 5, kunnen de neusschelpen zelfs geheel afwezig zijn. Bij een scoren van 3 of hoger is sprake van ernstige atrofie van de neusschelpen en spreekt men van atrofische rhinitis. Als bij aanvullend onderzoek bij deze dieren ook Pm+ wordt aangetoond is de diagnose PAR volledig onderbouwd. Wanneer men op een bedrijf met PAR een willekeurige groep varkens aan onderzoek van de neusschelpen onderwerpt (dieren dienen hiervoor geëuthanaseerd/geslacht te worden) zal men zowel dieren vinden die geen aantasting van de neusschelpen hebben als dieren die een ernstige aantasting (4 of 5) hebben.

3.1a. Wat betekent een besmetting van een big/varken met de bacterie Pm+ voor de gezondheid en ontwikkeling van een big/varken?

Een big/varken dat met Pm+ besmet is, loopt risico om PAR te ontwikkelen. Indien de mate van conchae atrofie gering is (bijvoorbeeld (…) score 0, 1 of 2) dan zal het dier hier weinig last van ondervinden en die gezondheid of ontwikkeling niet of nauwelijks negatief beïnvloed worden. Wanneer zich echter PAR ontwikkeld, ontstaat er een situatie waarbij het big/varken zich veel moeilijker in een groep varkens kan handhaven. De benige veranderingen aan de neus zijn pijnlijk, waardoor de neus nog pijnlijker kan worden bij eten of bij aanraking door andere varkens. Het dier stopt dan met eten en probeert andere varkens te ontwijken. De vleesvarkens blijven dan ook vaak duidelijk in groei achter. (…)

Indien veel koppen van slachtvarkens bij slachting worden afgekeurd, is er zeer waarschijnlijk sprake geweest van een aanzienlijke groeivertraging. (…)

Aantasting van de neusschelpen kan ook van invloed zijn op het meer voorkomen van longinfecties. (…)

De besmetting van een big/varken met Pm+ kan in voorkomende gevallen leiden tot een ernstige groeivertraging en mogelijk een hogere kans op longinfecties met pneumonie als gevolg. De mate waarin bij slachting PAR wordt vastgesteld geeft een indicatie van de ernst van PAR.

3.1b. Wat is de kans dat een met de bacterie Pm+ besmette big/varken de aandoening PAR ontwikkelt? Kunt u deze kans in een percentage uitdrukken?

De kans dat een besmetting met Pm+ bij een big/varken tot PAR leidt is moeilijk in percentages aan te geven. (…)

Wel zijn een aantal risicofacturen aan te geven die de ernst van de conchae atrofie mede bepalen. Deze risicofactoren hangen vooral samen met een klimatologisch ongunstige omgeving voor de biggen/varkens en een hoge bezettingsgraad. Wanneer deze risicofactoren niet aanwezig zijn zal de atrofische rhinitis vooral subklinisch verlopen en het aantal dieren dat PAR ontwikkelt erg laag zal zijn of eventueel afwezig. (…)

Concluderend is de kans dat Pm+ besmetting bij een big/varken tot PAR leidt niet in een percentage aan te geven. Wel is aannemelijk dat wanneer PAR waarneembaar is bij biggen/varkens (kromming/verkorting bovenkaak – traanstrepen – besmetting met conchae atrofie – Pm+ op bedrijf aangetoond) bij veel meer dieren ook PAR aanwezig is, zodat het aantal dieren dat gezondheidsschade heeft opgelopen, gemakkelijk onderschat kan worden.

3.1c. Wat zijn de gevolgen van PAR - en hoe groot zijn die gevolgen - op de gezondheid van de varkens, op de groei van de varkens en op de voederconversie van de varkens?

(…) De gevolgen van PAR op de gezondheid, groei en voederconversie van varkens zijn moeilijk te kwantificeren. Ook zijn gegevens uit het verleden, toen PAR nog vaak in Nederland voorkwam, maar moeilijk te gebruiken. In die tijd werd er na vaststelling van PAR vaak preventieve medicatie met antibiotica aan de vleesvarkens verstrekt, waardoor groei en voederconversie gunstig werden beïnvloed en longinfecties minder snel konden ontstaan. Dergelijke preventieve medicatie is heden niet meer toegestaan. Ten tijde van deze casus was dit nog wel toegestaan. Wanneer preventieve medicatie is toegepast zal dit een gunstige invloed hebben gehad op de groei en voederconversie, maar heeft men wel de kosten voor de medicatie moeten maken. Wanneer geen medicatie is toegepast kan de schade mogelijk groter zijn. De mate waarin men bij slachting is gekort voor het aanwezig zijn van PAR vormt een indicatie van de ernst van de infectie.

4. 4. Welke conclusies kunt u trekken tot de aanwezigheid van PAR uit de laboratoriumuitslagen van 9 mei 2012 en 19 juni 2012 (onderzoek uitgevoerd op in totaal 12 monsters van varkens, afkomstig van het bedrijf [gedaagden 2] )? Wilt u bij het antwoord betrekken dat dierenarts [naam 2] op 13 april 2012 heeft waargenomen dat sommige biggen op het bedrijf [gedaagden 2] (afkomstig van [eisers] en via [gedaagden 1] geleverd op 11 april 2012) niesten en hoesten, traanogen vertoonden en een hok biggen diarree vertoonden.

Het laboratoriumonderzoek van neustampons en bloedmonsters betrof inzendnummer (…) met uitslag op 9 mei 2012. (…) De gevonden Pasteurella multocida is getypeerd op aanwezigheid van DNT en monster 7 en 8 werden positief bevonden. Dus kan geconcludeerd worden dat de dieren met DNT-positieve Pasteurella multocida besmet waren en mogelijk lijdend aan PAR, dan wel een vergroot risico lopen op het ontwikkelen van PAR. (…)

De inzending van 6 juni 212 betrof 2 kadavers met inzendnummer (…) met uitslag op 19 juni 2012. Hoewel bij deze dieren ernstige pathologische processen werden vastgesteld, werd bij deze beide dieren geen conchae atrofie of PAR vastgesteld en is geen melding gemaakt van rhinitis. (…)

In een verslag gedateerd 31 mei 2012 meldt dierenarts [naam 2] dat hij op 13 april 2012 respiratoire klachten heeft waargenomen, die bestonden uit niezen en hoesten. Ook nam hij traanogen waar en een “hok” met diarree. (…) De waargenomen klinische verschijnselen zijn niet specifiek en laten geen conclusie toe ten aanzien van de aanwezigheid van PAR op 13 april 2012.

5. 5. Uit het onderzoek van [naam 3] en [naam 4] (uitgevoerd op een steekproef van in totaal 120 monsters van varkens afkomstig van het bedrijf van [eisers] ), gedateerd 25 juni 2012 en 24 augustus 2012, volgt dat geen besmetting met Pm+ is vastgesteld. Welke conclusie(s) kunt u daaruit trekken met betrekking tot de aan- of afwezigheid van de aandoening PAR op het bedrijf van [eisers] ?

Het onderzoek van [naam 3] en [naam 4] werd uitgevoerd met een PCR test, die het DNT-gen aantoont wanneer neus of keelmonsters besmet zijn met DNT-positieve Pasteurella multocida. De gevoeligheid van de test is beter dan de traditionele manier van isoleren van de bacterie, maar is wel beperkt. (…) Het “niet aantonen” van het DNT-gen met deze test is geen bewijs dat het bedrijf vrij is van DNT-positieve Pasteurella multocida. De gevoeligheid van de test wordt negatief beïnvloed door medicatie met antibiotica, door vaccinatie met AR-T vaccin en door het poolen van monsters. Ook de leeftijd waarop de monsters genomen worden heeft invloed op de testgevoeligheid, (…). Dit gebrek aan gevoeligheid kan men ondervangen door meer dieren te bemonsteren en vaker te bemonsteren. Dit is ook gebeurd (…), en de uitslag op 24 augustus bleek wederom negatief (geen DNT-gen aangetoond). Uit de verstrekte informatie is op te maken dat op het onderhavige bedrijf gevaccineerd werd. Ook zijn monsters gepooled, zij het beperkt: swabs van 3 dieren zijn als een monster verwerkt. Onduidelijk is welke leeftijd de dieren hadden die zijn bemonsterd. Wanneer het bedrijf van [eisers] geïnfecteerd zou zijn met DNT-positieve Pasteurella multocida, dan betreft dit geen zware infectie. Het feit dat men geen besmetting met PM+ (DNT-positieve Pasteurella multocida) heeft vastgesteld is geen bewijs dat dit agens en dus ook PAR afwezig is op het bedrijf van [eisers] .

6. 6. Op het bedrijf van [eisers] is 21 jaar geleden de aandoening PAR geconstateerd. Deze besmetting is destijds gecoupeerd door inzet van het antibioticum oxytetracycline en het instellen van een entregime tegen PAR met behulp van de entstof Porcilis AR-T van de firma Intervet, thans MSD. Dit entregime wordt thans 20 jaar lang gecontinueerd, aangevoerde gelten en zeugen worden 2,4 keer per jaar tegen PAR gevaccineerd. [eisers] mest op zijn bedrijf zelf ook eigen biggen tot vleesvarken af. Een recidief van PAR is na de besmetting nimmer waargenomen/gediagnosticeerd bij het bedrijf. Gelet op het voorgaande, hoe groot acht u de kans dat thans op het bedrijf van [eisers] de aandoening PAR voorkomt, dan wel een besmetting plaatsvindt met de bacterie die PAR veroorzaakt?

Vaccinatie met Porcilis AR-T heeft als indicatie om de klinische verschijnselen van PAR bij biggen te reduceren door orale immunisatie via opname van biest van zeugen die meerdere malen met het vaccin gevaccineerd zijn. (…) Vaccinatie maskeert de aanwezigheid van DNT-positieve Pasteurella multocida en dus PAR. (…) Vaccinatie tegen PAR beschermt vooral de biggen, omdat de immuniteit die van het moederdier wordt opgenomen een halfwaardetijd heeft circa drie weken, zodat na 12 weken de immuniteit grotendeels zal zijn verdwenen. De kans dat na 21 jaar nog DNT-positieve Pasteurella multocida aanwezig zijn is niet in percentages aan te geven. (…) Ik neem aan dat gedurende die 20 jaar de noodzaak voor vaccinatie wel enige keren is geëvalueerd en dat men een risico inschatting op het ontwikkelen van PAR bij biggen heeft gemaakt, wanneer met vaccinatie zou zijn gestopt.

7. 7. Voor zover het antwoord op vraag 4 luidt dat de varkens van het bedrijf van [gedaagden 2] leden aan de aandoening PAR, kunt u dan thans nog vaststellen op welke locatie deze varkens besmet zijn met de betrokken bacterie? Zo ja, kan deze besmetting dan afkomstig zijn van het bedrijf van [eisers] , daarbij mede in aanmerking genomen het antwoord op de vragen 5 en 6. Als daarover geen 100% uitsluitsel kan worden gegeven, kunt u dan met een percentage aangeven hoe groot u de kans acht dat deze besmetting afkomstig is van het bedrijf van [eisers] en gemotiveerd aangeven hoe u tot dit antwoord komt?

(…) niet is aangetoond dat de biggen van het bedrijf van [gedaagden 2] leden aan PAR. Wanneer [gedaagden 2] van geen andere bedrijven biggen aanvoert, is het zeer aannemelijk dat de biggen op het bedrijf van herkomst ( [eisers] ) besmet zijn geraakt. De monstername van 25 april laat zien dat 2 van de 3 tampons waar Pasteurella multocida in is aangetoond ook positief zijn op het DNT-gen. Op basis hiervan kan men verwachten dat bij veel biggen in deze groep ook DNT-positieve Pasteurella multocida voorkomt en de besmetting op 11 april al bij de biggen aanwezig was.

8. 8. Voor zover het antwoord op vraag 4 luidt dat de varkens van het bedrijf van [gedaagden 2] leden aan de aandoening PAR, wat zijn volgens u andere (anders dan afkomstig van het bedrijf van [eisers] ) mogelijke besmettingsbronnen van PAR? Acht u het mogelijk en waarschijnlijk dat de besmetting tijdens het transport is ontstaan?

(…) niet is aangetoond dat de biggen van het bedrijf van [gedaagden 2] leden aan PAR. Besmetting met DNT-positieve Pasteurella multocida lopen varkens doorgaans op door contact met andere varkens. (…) De kans dat de besmetting vanuit bronnen anders dan varkens is voortgekomen wordt uiterst klein geacht.

9. 9. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?

In de casus speelt PAR een dominante rol, maar in de verschillende producties heb ik geen bevestiging van de diagnose PAR, dat een pathologische identiteit is, waargenomen. Wel is besmetting van biggen met DNT-positieve bacteriën aangetoond, hetgeen aanleiding zou kunnen geven tot het ontstaan van PAR. (…)

Gezien de lange vaccinatie-historie met Porcilis AR-T mag het geen verrassing zijn dat het bedrijf niet als Pm+ vrij gecertificeerd is en potentieel besmet kan zijn met DNT-positieve Pasteurella multocida. Het is minder verrassend dat er na vaccinatie van zeugen geen PAR ontwikkelt bij de biggen.

3.5.

Prof. [naam 1] heeft ook gereageerd op opmerkingen en aanvullende vragen van [eisers] en [gedaagden 1] . Uit zijn antwoorden wordt het volgende geciteerd:

Het niet aantonen van een infectie (of omdat het onderzoek niet is uitgevoerd, of omdat het onderzoek negatieve uitslagen geeft) betekent niet dat de infectie afwezig is. PAR kan men definiëren als progressieve atrofische rhinitis en hiervoor is nodig dat men zowel bij sectie of na slachting ernstige conchae atrofie aantoont én de aanwezigheid van toxigene Pasteurella multocida. In retrospectief kan men dus moeilijk deze stelling onderbouwen en hooguit stellen dat er geen verschijnselen zijn waargenomen die wezen op PAR.

Nu is bij de varkens een maand na levering een besmetting aangetoond, waarbij het zeer aannemelijk is dat de varkens met de besmetting zijn aangevoerd. Zeker, indien men kan uitsluiten dat op het bedrijf van ontvangst reeds andere varkens aanwezig waren, waarmee de aangevoerde varkens tezamen werden gehuisvest.

De verplichte reiniging van transportmiddelen en hygiëne voorschriften op bedrijven maken de kans op overdracht via transportmiddelen uiterst gering. Mocht dit het geval zijn, dan zal een infectie zich moeten opbouwen en zal men na een maand nog geen PAR kunnen vaststellen.

Infecties met toxigene Pasteurella multocida geschieden vooral door dier-dier contact tussen varkens. Wanneer aanwezigheid van andere varkens kan worden uitgesloten wordt het zeer aannemelijk dat de geleverde varkens besmet waren.

Het aantonen van toxigene Pasteurella multocida is wel essentieel voor het ontwikkelen van PAR, maar niet alle geïnfecteerde dieren ontwikkelen PAR. Het is daarom goed een onderscheid te maken tussen de besmetting (infectie) en de aandoening (PAR).

Wanneer op het bedrijf van [gedaagden 2] ook andere varkens aanwezig zijn, of wanneer varkens afkomstig van andere bedrijven tezamen worden gehuisvest met de van [eisers] afkomstige varkens, wordt het moeilijker om de bron van de infectie te bepalen. Wel kan men verwachten dat dieren van niet gevaccineerde bedrijven gevoeliger zijn voor infectie, zodat bij deze dieren eerder PAR kan worden aangetroffen.

Het uitsluiten van diercontacten met andere varkens dan die van het bedrijf van [eisers] , is belangrijk om achteraf met enige zekerheid de bron van de infectie te kunnen duiden. Hoe meer contacten met andere varkensbedrijven hoe lastiger het wordt om met de beschikbare gegevens de rol van een enkel bedrijf hierin te bepalen. Wanneer de overige vermeerderingsbedrijven biggen uitleveren aan meerdere mestbedrijven, kan aan- of afwezigheid van klachten, die kunnen wijzen op PAR, op deze bedrijven een aanwijzing geven over de bronbesmetting.

Het onderzoek naar PAR wordt vaak pas gestart wanneer men bloedneuzen, bovenkaakvervorming of neusverkromming bij de varkens waarneemt. (…) Wanneer toxigene Pasteurella multocida op een mestbedrijf worden aangetoond, betekent dit dat een van de toeleverende bedrijven met de biggen ook de infectie heeft binnengebracht.

De verschijnselen, zoals beschreven door [naam 2] , zijn niet specifiek voor PAR of een besmetting met toxigene Pasteurella multocida. Influenza virus (griep) heeft doorgaans een acuut verloop en de verschijnselen verdwijnen na enige tijd. PAR daarentegen is een aandoening die zich progressief verergert. Op welke infectie of infecties deze vroege verschijnselen, die door [naam 2] zijn gemeld, berusten is onduidelijk.

3.6.

De rechtbank constateert dat geen van partijen bezwaren heeft geuit tegen de (wijze van) totstandkoming van het deskundigenrapport. [gedaagden 2] voert met betrekking tot de door prof. [naam 1] gegeven definitie van PAR en de voorwaarden voor de vaststelling van PAR aan, dat daarover in de medische wereld verschillend wordt gedacht, zodat de deskundige op dit punt niet eenduidig kan worden gevolgd. [gedaagden 2] verwijst daarvoor naar drie in haar opdracht opgestelde rapportages van de Gezondheidsdienst van 17 oktober 2013 (producties 7, 8 en 9 bij conclusie na deskundigenbericht).

De rechtbank overweegt dat in het tussenvonnis van 18 december 2013 (rov. 2.4.) reeds is overwogen dat de Gezondheidsdienst eerder bij deze kwestie betrokken is geweest, reden waarom zij niet tot deskundige is benoemd. Voorts is juist mede met het oog op dit specifieke inhoudelijke punt een onafhankelijke deskundige benoemd. Prof. [naam 1] heeft uitgebreid gemotiveerd en met literatuur onderbouwd wat de aandoening PAR is, hoe deze aandoening moet worden vastgesteld en gespecificeerd wat het verschil is met een enkele besmetting met de bij PAR betrokken bacterie (DNT-positieve Pasteurella multocida). Volgens prof. [naam 1] bestaat daarover onder de deskundigen op het terrein van de veterinaire gezondheid van varkens geen verschil van inzicht meer en de rechtbank heeft geen aanleiding om aan dit oordeel te twijfelen. Voor het overige zijn geen al dan niet inhoudelijke bezwaren geuit tegen het deskundigenrapport. De rechtbank zal daarom het deskundigenrapport van prof. [naam 1] tot uitgangspunt nemen bij de verdere beoordeling van het geschil. Partijen hebben wel ieder hun eigen en van elkaar afwijkende conclusies uit het rapport getrokken. Daar zal de rechtbank nader op ingaan bij de inhoudelijke bespreking van de bevindingen van prof. [naam 1] .

3.7.

Zoals in het tussenvonnis van 25 september 2013 in rov. 5.4. is overwogen is tussen partijen in geschil of de door [eisers] via [gedaagden 1] aan [gedaagden 2] geleverde biggen leden aan PAR. [eisers] heeft dat gemotiveerd betwist. [gedaagden 1] en [gedaagden 2] zijn het er over eens dat geleverde biggen leden aan PAR en in de hoofdzaak heeft [gedaagden 1] dat standpunt ook aan zijn verweer en zijn eis in reconventie ten grondslag gelegd (onder meer de punten 3, 7 en 15 conclusie van antwoord). Komt vast te staan dat de biggen leden aan PAR, dan dient zich daarna de vraag aan of de besmetting met de bij PAR betrokken bacterie afkomstig is van het bedrijf van [eisers] . De rechtbank gaat thans in op het eerste punt.

3.8.

Uit het deskundigenrapport van prof. [naam 1] volgt dat de term PAR bij het varken is voorbehouden aan conchae atrofie (verschrompelde neusschelpen) ten gevolge van een infectie van de conchae met toxigene (DNT) producerende Pasteurella multocida (Pm+). Slijmvliesbeschadiging is voorts noodzakelijk voor de ontwikkeling van PAR. Prof. [naam 1] concludeert op grond van het voorhanden materiaal dat niet is aangetoond dat de biggen op het bedrijf van [gedaagden 2] leden aan PAR. Voor de vaststelling van PAR is vereist dat men zowel bij sectie of na slachting ernstige conchae atrofie aantoont én de aanwezigheid van de bacterie Pm+. Uit het laboratoriumonderzoek op neustampons en bloedmonsters (met uitslag 9 mei 2012) (afgenomen van levende varkens) volgt slechts dat er dieren besmet waren met Pm+, maar in retroperspectief kan niet worden vastgesteld dat deze dieren leden aan PAR, aldus prof. [naam 1] . De inzending van 6 juni 2012 (met uitslag 19 juni 2012) betrof weliswaar twee kadavers, maar bij deze dieren werden wel ernstige pathologische processen vastgesteld, maar is geen conchae atrofie of PAR vastgesteld en is voorts geen melding gemaakt van rhinitis. De door [naam 2] op 13 april 2012 waargenomen klinische verschijnselen zijn niet specifiek voor PAR of een besmetting met PM+ en laten geen conclusie toe ten aanzien van de aanwezigheid van PAR, aldus prof. [naam 1] , die eveneens de waarnemingen van [naam 2] op 25 mei 2012 bij drie varkens in zijn beoordeling heeft betrokken (vraag 3.1).

3.9.

[eisers] concludeert dat uit het deskundigenrapport blijkt dat de aanwezigheid van PAR niet is vastgesteld bij de van [eisers] afkomstige biggen.

[eisers] concludeert verder dat niet kan worden vastgesteld dat de besmetting met Pm+ afkomstig is van haar bedrijf, aangezien [gedaagden 2] ook varkens had van andere – niet gevaccineerde – bedrijven en dat verder niet kan worden uitgesloten dat de besmetting ook kan zijn opgelopen tijdens het transport door [gedaagden 1] .

3.10.

[gedaagden 1] voert aan dat uit het deskundigenrapport volgt dat de varkens van [eisers] niet Pm+ vrij zijn en dat deze varkens dus een vergroot risico lopen op het ontwikkelen van PAR. Volgens [gedaagden 1] treft hem geen blaam, want de kans op overdracht via transportmiddelen is zeer gering. Verder hebben de overige bedrijven die varkens hebben geleverd aan [gedaagden 2] geen last gehad van een DNT-positieve Pasteurella multocida en/of PAR. De met PAR besmette varkens zijn dan ook afkomstig van [eisers] , aldus [gedaagden 1] .

3.11.

[gedaagden 2] voert aan dat, ook als wordt uitgegaan van de visie van prof. [naam 1] met betrekking tot de ziekte PAR en het ontstaan daarvan, in dat geval ook de conclusie kan worden getrokken dat de door [eisers] aan [gedaagden 1] geleverde en aan [gedaagden 2] doorgeleverde biggen leden aan de aandoening PAR, nu vast staat dat deze varkens waren besmet met Pm+. Verder is bij één van de kadavers een sectiebeeld aangetroffen dat past bij PAR, aldus [gedaagden 2] , die zich ook op dit punt baseert op de rapportages van de Gezondheidsdienst.

De rechtbank overweegt dat deze conclusie niet wordt gedeeld door prof. [naam 1] , waar hij schrijft “dat bij deze beide dieren geen conchae atrofie of PAR is vastgesteld en geen melding is gemaakt van rhinitis”, zodat de rechtbank aan deze stelling van [gedaagden 2] voorbij gaat.

[gedaagden 2] wijst voorts op het verslag van bevindingen van 31 mei 2012 van dierenarts [naam 2] waarin staat dat de varkens ziekteverschijnselen vertoonden, horend bij de aandoening PAR. In het bijzonder wijst [gedaagden 2] op de op 25 mei 2012 geconstateerde drie varkens met scheven neuzen en enkele tientallen varkens met verdenking van dikke gezwollen neuzen met huidplooien.

De rechtbank overweegt dat de deskundige van oordeel is dat de door [naam 2] op 13 april 2012 waargenomen klinische verschijnselen niet specifiek zijn voor PAR of een besmetting met PM+ en geen conclusie toelaten ten aanzien van de aanwezigheid van PAR, waarbij de deskundige tevens de waarnemingen van [naam 2] op 25 mei 2012 in zijn beoordeling heeft betrokken (vraag 3.1). Daar komt bij dat het kennelijk ging om drie varkens met scheve neuzen en enkele tientallen met verdenking van dikke gezwollen neuzen met huidplooien, niet om een constatering. De deskundige heeft in de overgelegde stukken en rapporten geen bevestiging gevonden van de diagnose PAR. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het oordeel van de deskundige op dit punt.

[gedaagden 2] heeft in haar laatste conclusie na aanvullend deskundigenbericht nog opgemerkt dat het antwoord van de deskundige op vraag 3.1 - dat nu er in de onderhavige situatie geen atrofie is vastgesteld, het lastig is om PAR vast te stellen - niet geheel correct en een te beperkte redenatie is. Volgens [gedaagden 2] waren de onderzochte dieren nog erg jong en waren de ziekteverschijnselen relatief recent. Juist omdat [gedaagden 2] heeft ingegrepen, waren de neusschelpen nog niet geheel afwezig. Had zij dat niet gedaan dan was het enkel een kwestie van tijd geweest, aldus [gedaagden 2] .

De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen en overweegt verder dat de stelling van [gedaagden 2] op dit punt niet gestaafd wordt door enig bewijsmateriaal, zodat die stelling niet op juistheid kan worden gecontroleerd. Dat geen atrofie kon worden gesteld, omdat het ging om erg jonge biggen en recente ziekteverschijnselen en dat [gedaagden 2] daarop onmiddellijk maatregelen heeft getroffen, zijn omstandigheden die voor risico van [gedaagden 2] komen.

[gedaagden 2] voert ten slotte aan dat uit het deskundigenrapport volgt dat de kans dat het bedrijf van [eisers] , ondanks vaccinatie, nog altijd te maken heeft met een PAR besmetting, zeer reëel is.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. De deskundige schrijft dat indien in de neus of keelholte van varkens DNT positieve Pasteurella multocida wordt aangetoond, dit niet betekent dat deze dieren lijden aan atrofische rhinitis. De dieren, en ook de groep of populatie waar ze uitkomen, zijn dan geïnfecteerd en lopen een vergroot risico op het ontwikkelen van PAR. Voor PAR is nodig de aanwezigheid van toxigene Pasteurella multocida én (bij sectie of na slachting) ernstige conchae atrofie. Omdat Pasteurella multocida wel de keel maar niet zonder meer de neus koloniseert, is een slijmvliesbeschadiging nodig voor de ontwikkeling van PAR. Gelet op de lange vaccinatie-historie op het bedrijf van [eisers] is het volgens de deskundige geen verrassing dat het bedrijf niet als PM+ vrij gecertificeerd is en potentieel besmet kan zijn met DNT-positieve Pasteurella multocida, maar is het minder verrassend dat er na vaccinatie van zeugen geen PAR ontwikkelt bij de biggen. Men kan verwachten dat dieren van niet gevaccineerde bedrijven gevoeliger zijn voor infectie, zodat bij deze dieren eerder PAR kan worden aangetroffen, aldus de deskundige.

3.12.

Op grond van het deskundigenbericht komt de rechtbank tot de slotconclusie dat, abstraherend van de vraag waar de besmetting van de biggen met Pm+ heeft plaatsgevonden, niet is komen vast te staan dat de biggen op het bedrijf van [gedaagden 2] , afkomstig van [eisers] en geleverd door [gedaagden 1] , leden aan de aandoening PAR.

3.13.

De rechtbank zal hierna bespreken wat het voorgaande betekent voor de vorderingen in de hoofdzaak en in de vrijwaring.

in de hoofdzaak

in conventie en in reconventie

3.14.

[gedaagden 1] stelt zich op het standpunt dat de biggen die hij van [eisers] heeft gekocht leden aan PAR en op hem rust ook de bewijslast ten aanzien van die stelling. Het deskundigenrapport levert dat bewijs niet op. [gedaagden 1] heeft in de conclusie van antwoord bewijs aangeboden door het horen van de getuigen [naam 2] en de heer [naam 5] . De rechtbank overweegt dat het verslag met bevindingen van [naam 2] door de deskundige is meegenomen in zijn beoordeling en de beantwoording van de voorgelegde vragen en dat [gedaagden 1] niet heeft gesteld wat [naam 2] als getuige meer of anders zou kunnen verklaren. [gedaagden 1] heeft verder niet toegelicht wie de heer [naam 5] is en wat hij als getuige zou kunnen verklaren, zodat het bewijsaanbod van [gedaagden 1] op dit punt als onvoldoende concreet wordt gepasseerd.

3.15.

De slotsom van het voorgaande is dat in conventie het beroep van [gedaagden 1] op non-conformiteit faalt, zodat er ook geen grond is voor de door [gedaagden 1] in reconventie gevorderde verklaring voor recht. Er is ook geen sprake van dwaling, zodat geen grond bestaat voor vernietiging van de koopovereenkomst, en evenmin grond voor de meer c.q. uiterst subsidiair gevorderde, gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst. Dat betekent dat [gedaagden 1] gehouden is het onbetaald gelaten deel van de factuur van [eisers] ad € 15.000,00 aan [eisers] te betalen. [gedaagden 1] is bij brief van 29 juni 2012 gesommeerd tot betaling binnen vijf dagen, bij gebreke waarvan aanspraak wordt gemaakt op rente en kosten. De wettelijke rente over voormeld bedrag is daarom toewijsbaar met ingang van de datum van verzuim, te weten 4 juli 2012.

3.16.

[eisers] vordert tevens schadevergoeding en veroordeling van [gedaagden 1] om de overeenkomst na te komen op straffe van een dwangsom, omdat [gedaagden 1] na twee laatste leveringen in mei 2012 niet langer conform de ‘prijsafspraak biggen’ (rov. 3.1 van het vonnis van 25 september 2013) biggen van [eisers] heeft afgenomen. [eisers] stelt dat [gedaagden 1] aldus toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst met [eisers] . [eisers] stelt als gevolg daarvan schade te hebben geleden, omdat zij genoodzaakt was om biggen te leveren voor lagere prijzen dan dat met [gedaagden 1] was afgesproken en ook de overeengekomen toeslag van € 8,00 nadien niet meer is betaald. [eisers] verwijst voor de hoogte van de schade naar het door haar als productie 13 bij dagvaarding overgelegde overzicht.

3.17.

De rechtbank overweegt dat uit de ‘prijsafspraak biggen’ van 27 maart 2012 blijkt dat [eisers] en [gedaagden 1] prijsafspraken hebben gemaakt voor de periode van een jaar (april 2012 t/m 31 maart 2013) en dat de biggen eens per twee weken kunnen worden geladen. Uit die prijsafspraak blijkt echter niet dat er een minimale afnameverplichting bestond voor [gedaagden 1] om, al dan niet tweewekelijks, biggen van [eisers] af te nemen. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien dat [gedaagden 1] tekort is geschoten in de nakoming van de prijsafspraak door niet langer biggen van [eisers] af te nemen. Dat [gedaagden 1] zonder het onderhavige geschil na mei 2012 naar alle waarschijnlijkheid nog regelmatig biggen van [eisers] zou hebben afgenomen, maakt dat niet anders. Dat betekent dat geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [gedaagden 1] , zodat de grondslag voor de door [eisers] gevorderde schadevergoeding ontbreekt. In dat geval behoeft de omvang van de gevorderde schade geen bespreking meer. Het voorgaande betekent dat er ook de grondslag ontbreekt voor een veroordeling van [gedaagden 1] tot nakoming van de overeenkomst op straffe van een dwangsom.

3.18.

[eisers] vordert tevens vergoeding van buitengerechtelijke kosten. [gedaagden 1] heeft de verschuldigdheid van deze kosten betwist. [eisers] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden afgewezen.

3.19.

[gedaagden 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie, waaronder de kosten van de deskundige, alsmede in de kosten van het vrijwaringsincident worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten aan de zijde van [eisers] voor wat betreft het salaris advocaat op basis van het toegewezen bedrag toe te wijzen. De rechtbank begroot de kosten van [eisers] aldus op:

- dagvaarding € 76,17

- griffierecht 1.789,00

- salaris advocaat 2.034,00 (4,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 3.899,17

3.20.

[gedaagden 1] zal tevens als de ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op € 791,00 aan salaris advocaat.

3.21.

Nu aan het geschil in de hoofdzaak met vorenstaande beslissingen een einde is gekomen en, zoals hierna zal blijken, in de vrijwaringszaak nog geen eindvonnis kan worden gewezen, ziet de rechtbank aanleiding de hoofdzaak en de vrijwaringszaak los van elkaar te koppelen en in de hoofdzaak eindvonnis te wijzen.

in de vrijwaringszaak

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

3.22.

Zoals hiervoor in de hoofdzaak reeds is overwogen is op grond van het deskundigenbericht de aanwezigheid van PAR bij de door [gedaagden 1] aan [gedaagden 2] geleverde biggen niet komen vast te staan. Daarmee faalt het primaire verweer van [gedaagden 2] in de vrijwaring.

3.23.

[gedaagden 2] heeft naar aanleiding van het eerste deskundigenbericht met een nieuwe, kennelijk subsidiaire grondslag haar verweer in de vrijwaring en de grondslag van haar voorwaardelijke eis in reconventie aangevuld. Zij stelt dat zij met [gedaagden 1] is overeengekomen dat zij hoogwaardige en goede, gezonde biggen geleverd zou krijgen. Het feit dat sommige biggen besmet waren met de bacterie Pm+ betekent volgens [gedaagden 2] dat de biggen niet gezond waren, zodat ook in dat geval [gedaagden 1] tekort is geschoten in de op hem rustende verbintenis om gezonde varkens te leveren. [gedaagden 1] voert aan dat dit subsidiaire standpunt te ver voert en dat pas sprake is van een toerekenbare tekortkoming indien sprake is van PAR.

3.24.

De rechtbank overweegt dat [gedaagden 1] niet heeft weersproken dat met [gedaagden 2] is overeengekomen dat [gedaagden 1] gezonde biggen zou leveren aan [gedaagden 2] . Uit het deskundigenbericht volgt dat een big/varken dat/die besmet is met Pm+ een vergroot risico loopt om PAR te ontwikkelen. De besmetting van een big/varken met Pm+ kan in voorkomende gevallen leiden tot een ernstige groeivertraging en mogelijk een hogere kans op longinfecties met pneumonie als gevolg (vraag 3.1a). Verder leidt de rechtbank uit het rapport van de deskundige af dat het voor varkenshandelaren van groot belang is om hun bedrijven Pm+ vrij dan wel PAR vrij te houden, hetgeen bevestiging vindt in het feit dat [eisers] na een uitbraak van PAR op haar bedrijf meer dan twintig jaar geleden nog altijd meerdere keren per jaar aangevoerde gelten en zeugen vaccineert. Hoewel het besmet zijn van dieren met Pm+ niet betekent dat de dieren ook lijden aan PAR, is besmetting met Pm+ wel een conditio sine qua non voor PAR, aldus de deskundige. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat [gedaagden 2] terecht stelt dat zij bij de aankoop van biggen geen rekening behoefde te houden met biggen die besmet zijn/waren met Pm+. Indien komt vast te staan dat de biggen ten tijde van de levering aan [gedaagden 2] besmet waren met Pm+, dan zijn die biggen in beginsel non-conform.

3.25.

De vraag die dan rijst is waar de biggen/varkens op het bedrijf van [gedaagden 2] besmet zijn geraakt met Pm+. De deskundige geeft aan dat varkens een besmetting met Pm+ doorgaans oplopen door contact met andere varkens en dat de kans op besmetting vanuit andere bronnen waaronder het transport van varkens uiterst klein wordt geacht. Wanneer [gedaagden 2] geen biggen van andere bedrijven aanvoert, is het zeer aannemelijk is dat de biggen op het bedrijf van herkomst ( [eisers] ) besmet zijn geraakt, aldus de deskundige. In het onderhavige geval staat echter niet vast waar de besmetting is opgetreden. [gedaagden 2] betrok in de desbetreffende periode (april-mei 2012) immers ook biggen/varkens van andere leveranciers. Hierover schrijft de deskundige onder meer: “Wanneer op het bedrijf van [gedaagden 2] ook andere varkens aanwezig zijn, of wanneer varkens afkomstig van andere bedrijven tezamen worden gehuisvest met de van [eisers] afkomstige varkens, wordt het moeilijker om de bron van de infectie te bepalen. Wel kan men verwachten dat dieren van niet gevaccineerde bedrijven gevoeliger zijn voor infectie, zodat bij deze dieren eerder PAR kan worden aangetroffen. Het uitsluiten van diercontacten met andere varkens dan die van het bedrijf van [eisers] , is belangrijk om achteraf met enige zekerheid de bron van de infectie te kunnen duiden. Hoe meer contacten met andere varkensbedrijven hoe lastiger het wordt om met de beschikbare gegevens de rol van een enkel bedrijf hierin te bepalen. Wanneer de overige vermeerderingsbedrijven biggen uitleveren aan meerdere mestbedrijven, kan aan- of afwezigheid van klachten, die kunnen wijzen op PAR, op deze bedrijven een aanwijzing geven over de bronbesmetting.”

Nu [gedaagden 2] zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat de besmetting met Pm+ niet is opgetreden op haar bedrijf en dat [gedaagden 1] aan haar met Pm+ besmette biggen afkomstig van het bedrijf van [eisers] heeft geleverd, rust op [gedaagden 2] de bewijslast van die stelling. De door [gedaagden 2] overgelegde verklaring van dierenarts [naam 6] (rov. 3.18 van het vonnis van 25 september 2013) is onvoldoende om dat bewijs te kunnen leveren. [gedaagden 2] zal daarom worden toegelaten tot bewijslevering op dit punt.

3.26.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

in conventie

4.1.

veroordeelt [gedaagden 1] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 15.000,00 (vijftienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 4 juli 2012 tot de dag van volledige betaling,

4.2.

veroordeelt [gedaagden 1] in de kosten van de hoofdzaak en het incident, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 3.899,17,

4.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

4.5.

wijst de vordering af,

4.6.

veroordeelt [gedaagden 1] in de kosten van de hoofdzaak, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 791,00,

4.7.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de vrijwaring

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

4.8.

draagt [gedaagden 2] op te bewijzen dat de door [gedaagden 1] aan haar geleverde biggen afkomstig van het bedrijf van [eisers] ten tijde van de levering besmet waren met Pm+,

4.9.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 juli 2016 voor uitlating door [gedaagden 2] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

4.10.

bepaalt dat [gedaagden 2] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

4.11.

bepaalt dat [gedaagden 2] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op donderdagen in de maanden augustus tot en met oktober 2016 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

4.12.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. K. van Vlimmeren-van Ommen in het gerechtsgebouw te Arnhem aan de Walburgstraat 2 - 4,

4.13.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

4.14.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2016.