Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3647

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
290059
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door het werken van de vrouw in een seksclub en daarmee het seksueel verkeer met andere mannen te accepteren, heeft de man het risico aanvaard dat de vrouw als gevolg daarvan zwanger raakte. De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat de man met de vrouw is meegegaan naar de verloskundige en dat hij zich aan familie, vrienden en kennissen heeft gepresenteerd als de vader van het kind. Overigens heeft de man ook zijn verantwoordelijkheid als vader op zich genomen. Dit wekt de schijn dat de vrouw met medeweten en instemming van de man een zwangerschap heeft bewerkstelligd. De conclusie van de rechtbank op grond van het voorgaande is dat de man heeft ingestemd met een daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad. Dat dit, naar de man stelt, nimmer de bedoeling is geweest, doet hier niet aan af. Er bestaat een causaal verband tussen de instemming van de man met het werk van de vrouw in een seksclub en de verwekking, in die zin dat de verwekking van een kind met een voldoende graag van waarschijnlijkheid te voorzien was als mogelijk gevolgd van dat werk.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 199
Burgerlijk Wetboek Boek 1 200
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/225
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2016/4953
JIN 2016/170 met annotatie van J.F. van Drenth
PFR-Updates.nl 2016-0189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/290059 / FA RK 15-2987

Datum uitspraak: 20 april 2016

beschikking gegrondverklaring ontkenning vaderschap

naar aanleiding van het verzoek van

[de man] (nader te noemen: de man),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. B.J. Stuiver te Tiel.

Belanghebbenden zijn:
- [de vrouw] (nader te noemen: vrouw), wonende te [woonplaats] , bijgestaan door mr. I.M. van Kuilenburg, advocaat te 's-Hertogenbosch;
- de minderjarige [de minderjarige] (nader te noemen: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , in rechte vertegenwoordigd door de bijzondere curator mr. K. Coenders-El Dahri, advocaat te Beuningen

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 15 september 2015;
- de beschikking van deze rechtbank van 1 oktober 2015, houdende de benoeming van de bijzondere curator;
- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 19 november 2015;
- de brief namens de vrouw van 26 november 2015 met bijlagen behorende bij het verweerschrift;
- het verslag van de bijzondere curator, gedateerd 3 december 2015;
- een brief (met bijlagen) namens de vrouw, gedateerd 16 december 2015;
- een brief (met bijlagen) namens de man, ingekomen op 29 februari 2016;
- een brief van de officier van justitie, gedateerd 2 maart 2016;
- de ter zitting namens de vrouw in het geding gebrachte productie: een selectie van Whatsapp-berichten tussen haar en de man tijdens en na de zwangerschap;
- de ter zitting namens de man overgelegde pleitnotitie;
- het faxbericht namens de man, ingekomen op 16 maart 2016.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 2 maart 2016. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, [tolk] ;
- de bijzondere curator.

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn op [trouwdatum] in de gemeente [trouwplaats] met elkaar gehuwd.

2.2.

Tijdens het huwelijk is op [geboortedatum] 2015 in de gemeente [geboorteplaats] uit de vrouw [de minderjarige] geboren. Op de akte van geboorte met nummer [nummer] staan de man en de vrouw als ouders van [de minderjarige] vermeld.

2.3.

De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Nigeriaanse nationaliteit. [de minderjarige] heeft, via de man, de Nederlandse nationaliteit.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De man stelt dat hij niet de biologische vader van [de minderjarige] kan zijn nu hij in 2006 een vasectomie heeft ondergaan. Hij stelt verder dat de vrouw zonder zijn medeweten of instemming een zwangerschap moet hebben bewerkstelligd. Daarom verzoekt hij de rechtbank zijn ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren.

3.2.

De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat het verzoek van de man wordt afgewezen. Zij stelt daartoe dat de man heeft ingestemd met een daad van verwekking, waardoor hij beschouwd moeten worden als de juridische vader van [de minderjarige] . Gelet hierop dient de man niet te worden toegestaan zijn juridisch vaderschap te ontkennen.

3.3.

De bijzondere curator concludeert dat het verzoek van de man primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard en subsidiair moet worden afgewezen. Zij stelt daartoe dat tussen de man en de vrouw niet ter discussie staat dat de man niet de biologische vader van [de minderjarige] is. Hoewel er in het conceptietijdvak tussen hen seksuele gemeenschap is geweest kan de man vanwege de vasectomie niet vruchtbaar zijn. Naar het oordeel van de bijzondere curator heeft de man echter toestemming gegeven tot een daad, die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. Voorts acht zij het in het belang van [de minderjarige] dat de huidige juridische situatie thans in stand blijft. De biologische vader van [de minderjarige] is onbekend en door een gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man wordt [de minderjarige] vaderloos en zal zij enkel in familierechtelijke betrekking tot haar moeder staan. De vrouw heeft de Nigeriaanse nationaliteit. [de minderjarige] heeft op grond van artikel 3 van de Rijkswet op het Nederlanderschap de Nederlandse nationaliteit. Deze zou zij door de ontkenning van het vaderschap verliezen. Indien de vrouw uitgezet zou worden (zij voldoet nog niet aan de voorwaarden om na een eventuele echtscheiding regulier in Nederland te kunnen verblijven), zal ook [de minderjarige] worden uitgezet.
De bijzonder curator wijst erop dat [de minderjarige] , indien zij dat noodzakelijk acht, op latere leeftijd en wanneer zij voldoende rijpheid heeft verkregen zich een oordeel te vormen over het juridisch vaderschap, kan overgaan tot het indienen van een verzoek tot ontkenning van het vaderschap van de man.

3.4.

De officier van justitie is van mening dat onvoldoende is onderbouwd dat de man heeft ingestemd met onbeschermde seks van de vrouw met andere mannen. Verder meent hij dat onvoldoende vast staat dat [de minderjarige] bij ontkenning van het vaderschap de Nederlandse nationaliteit zou verliezen. Wel ligt het belang van [de minderjarige] er mede in dat haar vader bijdraagt in het onderhoud. Het is, volgens de officier van justitie, op deze grond dat het verzoek afgewezen zou moeten worden.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter van de woonplaats van de minderjarige bevoegd. [de minderjarige] heeft haar woonplaats in [woonplaats] , zodat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Op grond van artikel 1:199 sub a BW is de vader van een kind de man die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw, uit wie het kind is geboren, is gehuwd. De man is dus de juridische vader van [de minderjarige] . De ontkenning van het vaderschap is mogelijk indien aan de in artikel 1:200 BW gestelde voorwaarden is gedaan.

4.3.

[de minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 2015. Het verzoekschrift van de man is op 15 september 2015 ter griffie van deze rechtbank ingekomen. Op grond van lid 5 van genoemd wetsartikel kan de man in zijn verzoek worden ontvangen.

4.4.

De ontkenning van het kind kan op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is. Het vaderschap kan echter niet door de man worden ontkend indien de man heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad.

4.5.

Niet in geschil is dat de man niet de biologische vader van [de minderjarige] is. Vanwege de vasectomie kan de man immers niet vruchtbaar zijn.

4.6.

Uit de overgelegde stukken en de verklaringen van partijen ter zitting blijkt dat de vrouw werkzaam is geweest in de prostitutie en dat de man daarvan wist. De vrouw werd door de man naar seksclubs gebracht en hij haalde haar daar ook weer op. Naar afspraken bij de GGD voor controle op seksueel overdraagbare ziektes en infectieziektes vergezelde de man de vrouw eveneens. Niet in discussie is dat met het werken in de prostitutie niet wordt beoogd vrouwen te laten bevruchten en vervolgens te laten baren. Het gaat er echter niet om of de man met de bevruchting heeft ingestemd. Het gaat er om dat hij heeft ingestemd met een daad die de verwekking tot gevolg kan hebben. Dat betekent dat instemming met geslachtsgemeenschap in het conceptietijdvak voldoende is. Hier doet niet aan af dat in seksclubs voor elke seksuele handeling het gebruik van een condoom wordt aangeraden. Hoewel werken in de prostitutie niet noodzakelijkerwijs betekent dat dit onbeschermde seks tot gevolg heeft, valt dit echter niet uit te sluiten. Ook een “ongelukje” kan in die situatie niet worden uitgesloten. Door het werken van de vrouw in een seksclub en daarmee het seksueel verkeer met andere mannen te accepteren, heeft de man het risico aanvaard dat de vrouw als gevolg daarvan zwanger raakte. Dat de man, zoals hij stelt, bezwaren had tegen het werk van de vrouw, is niet onderbouwd. De gedragingen van de man (het wegbrengen en ophalen) duiden eerder op het tegendeel. De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat de man met de vrouw is meegegaan naar de verloskundige en dat hij zich aan familie, vrienden en kennissen heeft gepresenteerd als de vader van [de minderjarige] . Overigens heeft de man ook zijn verantwoordelijkheid als vader op zich genomen. Dit wekt de schijn dat de vrouw met medeweten en instemming van de man een zwangerschap heeft bewerkstelligd. De conclusie van de rechtbank op grond van het voorgaande is dat de man heeft ingestemd met een daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad. Dat dit, naar de man stelt, nimmer de bedoeling is geweest, doet hier niet aan af. Er bestaat een causaal verband tussen de instemming van de man met het werk van de vrouw in een seksclub en de verwekking, in die zin dat de verwekking van een kind met een voldoende graad van waarschijnlijkheid te voorzien was als mogelijk gevolg van dat werk.

4.7.

Hetgeen hiervoor is overwogen maakt dat het verzoek van de man zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.M. Overkamp, rechter, in tegenwoordigheid van F. Wolters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2016.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.