Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3616

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-07-2016
Datum publicatie
07-07-2016
Zaaknummer
AWB - 13 _ 5153
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Maandaangiften. Incomplete dossiers verweerder. Hoorplicht is geschonden. Dit wordt niet gepasseerd met artikel 6:22 Awb, nu eiseres is benadeeld. Geen terugwijzing: eiseres heeft daarom niet verzocht en wegens het ontbreken van de dossiers kan de benadeling niet ongedaan gemaakt worden. Uit de weinige stukken die er wel zijn is voldoende af te leiden hoe de BPM is berekend. De rechtbank zal - gelet op het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn uitspraak van 7 juni 2016 - meegaan in de stelling van eiseres dat bij een taxatie gegevens uit een koerslijst gebruikt kunnen worden. De rechtbank gaat ervan uit dat voor zover bij de onderhavige taxaties gebruik is gemaakt van koerslijsten van [F] voor btw-auto’s daadwerkelijk sprake is van btw-auto’s. Bij de vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto in het geval van een taxatie dient naar het oordeel van de rechtbank wel rekening te worden gehouden met het feit dat sprake is van een btw-auto. Uit de stellingen van eiseres vloeit voort dat een btw-auto gemiddeld genomen wat duurder is. Er is geen grond voor de conclusie dat de taxateur achteraf van mening is dat de auto’s minder waard waren dan in zijn taxaties is vermeld. Matiging vergoeding immateriële schade (redelijke termijn) op basis van samenloop. Kostenvergoeding bezwaar in stand gelaten. In beroep is sprake van lichte zaken. Van een verdere matiging van de proceskostenvergoeding op grond van samenhangende zaken ziet de rechtbank in dat verband af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1533
V-N 2016/45.2.3
FutD 2016-1737
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 13/5153, 13/5154 en 13/5155

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 juli 2016

in de zaken tussen

V.o.f. [X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder,

en

de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie), te Den Haag, de Staat.

Procesverloop

Eiseres heeft voor de tijdvakken november 2010, januari 2011 en mei 2011 op aangifte onderscheidenlijk € 3.280, € 2.093 en € 8.837 belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan.

Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 1 augustus 2013 het bezwaar voor het tijdvak november 2010 niet-ontvankelijk verklaard en de beide andere bezwaren gegrond verklaard. Over januari 2011 is de BPM verminderd tot € 1.909 en over mei 2011 tot € 8.340.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 4 september 2013, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft een deel van de op de eerste twee zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en twee verweerschriften ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2016. Namens eiseres zijn de gemachtigde en [A] verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [B] , mr. [C] , [D] en [E] .

Eiseres heeft ter zitting een nieuwe machtiging overgelegd. Verweerder heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

De Staat heeft afgezien van het voeren van verweer (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

Overwegingen

Feiten

1. Aan eiseres is krachtens artikel 8 van de Wet op de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) vergunning verleend om per tijdvak van een kalendermaand aangifte voor de BPM te doen.

2. Eiseres heeft over de maanden november 2010 en januari en mei 2011 aangifte gedaan ter zake van in totaal vijf auto’s. Dit betreft de navolgende auto’s:

Nr.

Maand

Auto

Datum eerste toelating

BPM

1

November 2010

Opel Meriva

[2010 1]

€ 3.280

2

Januari 2011

Opel Zafira

[2009]

€ 829

3

Januari 2011

Opel Corsa

[2010 2]

€ 1.264

4

Mei 2011

Opel Zafira

[2010 3]

€ 3.205

5

Mei 2011

Opel Insignia

€ 5.632

3. De voldoening voor de maand november 2010 heeft plaatsgevonden op 31 december 2010. Bij brief van 19 mei 2011 heeft de gemachtigde verwezen naar een pro forma bezwaarschrift van 10 januari 2011.

Geschil

4. In geschil is:

  • -

    of het bezwaar over november 2010 terecht niet-ontvankelijk is verklaard;

  • -

    of de hoorplicht is geschonden;

  • -

    de hoogte van de BPM;

  • -

    of sprake is van een schadevergoedingsplicht van verweerder, inclusief de grondslagen en de omvang daarvan;

  • -

    of eiseres in aanmerking komt voor een bovenforfaitaire vergoeding van de proceskosten die zij in verband met de behandeling van de bezwaren en beroepen heeft gemaakt.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid november 2010

5. Ter zitting heeft eiseres een kopie van (de eerste pagina van) het pro forma bezwaarschrift van 10 januari 2011 overgelegd. Verweerder heeft de ontvangst daarvan niet betwist. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat tijdig bezwaar is gemaakt en dat derhalve het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. In zoverre is sprake van een gegrond beroep.

Hoorplicht

6. Eiseres heeft in haar bezwaarschrift niet verzocht om te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en § 9 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht dient verweerder een belanghebbende in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Verweerder heeft aangevoerd dat slechts de 12%-regeling in geschil was en dat de zaken waren aangehouden in afwachting van een arrest van de Hoge Raad hierover. De importeur is in het gelijk gesteld en verweerder heeft dienovereenkomstig gehandeld. Voorts heeft de gemachtigde te kennen gegeven dat hij geen prijs stelde op een hoorgesprek.

7. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht is geschonden, nu eiseres niet in de gelegenheid is gesteld eventueel spelende individuele argumenten nader naar voren te brengen. De stelling dat de gemachtigde te kennen zou hebben gegeven geen prijs te stellen op een hoorgesprek is niet onderbouwd en wordt daarom door de rechtbank gepasseerd. Aan dit gebrek kan niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden voorbijgegaan, omdat aannemelijk is dat eiseres is benadeeld doordat zij in bezwaar niet is gehoord. Tijdens de hoorzitting had eiseres de feiten en omstandigheden die zij relevant acht onder de aandacht van verweerder kunnen brengen, waarna verweerder deze in zijn heroverweging had kunnen betrekken. Dit is thans niet goed meer mogelijk doordat verweerder niet meer over de volledige dossiers beschikt. Om deze reden zijn de beroepen gegrond.

8. De rechtbank zal de zaken niet terugwijzen naar verweerder, nu eiseres daar niet uitdrukkelijk om heeft verzocht en het horen op basis van het volledige dossier thans niet meer mogelijk is. Ter zitting zijn de relevante argumenten voldoende naar voren gebracht en verweerder heeft daarop gereageerd. De rechtbank zal deze in de beoordeling betrekken.

Hoogte BPM

9. Nu geen volledige dossiers zijn overgelegd, zal de rechtbank eerst per auto vaststellen welke afschrijvingsmethode eiseres heeft gebruikt bij de bepaling van de verschuldigde BPM en op welke wijze de BPM uiteindelijk is bepaald. De rechtbank leidt uit de wel overgelegde stukken het volgende af.

10. Voor auto 1 (zaaknummer 13/5153) is gelet op de financiële basisgegevens aangifte gedaan met een taxatierapport. De handelsinkoopwaarde bedraagt € 16.400. Dit leidt bij een historische nieuwprijs van € 22.630 tot een afschrijving van 27,53%. De bruto BPM bedraagt € 4.128 en de verschuldigde BPM wordt dan berekend op € 2.991. Dit leidt - uitgaande van een tabelkorting van 13,5% ten tijde van de berekening (artikel 8, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 zoals dit destijds luidde) - tot een herrekende bruto BPM van € 1.278. Ten tijde van de registratie in november 2010 waren twee maanden extra verstreken. Dit betekent dat de tabelkorting 16% bedraagt, wat heeft geleid tot het ambtshalve verminderen van de verschuldigde BPM tot € 2.822.

11. Voor auto 2 (zaaknummer 13/5154) is gelet op de financiële basisgegevens eveneens aangifte gedaan met een taxatierapport. De handelsinkoopwaarde bedraagt € 5.264. Dit leidt bij een historische nieuwprijs van € 32.809 tot een afschrijving van 83,96%. De bruto BPM bedraagt € 6.898 en de verschuldigde BPM wordt dan berekend op € 1.106. Dit leidt - uitgaande van een tabelkorting van 13,5% ten tijde van de berekening - tot een herrekende bruto BPM van € 1.278. Ten tijde van de registratie in januari 2011 waren een jaar en ruim

drie maanden verstreken sinds de datum eerste toelating. Op aangifte is € 829 voldaan. Dit komt overeen met een tabelkorting van 35,108%.

12. Ook voor auto 3 (zaaknummer 13/5154) is gelet op de financiële basisgegevens aangifte gedaan met een taxatierapport. De handelsinkoopwaarde bedraagt € 7.288. Dit leidt bij een historische nieuwprijs van € 17.245 tot een afschrijving van 57,74%. De bruto BPM bedraagt € 2.706 en de verschuldigde BPM wordt dan berekend op € 1.143. Dit leidt - uitgaande van een tabelkorting van 13,5% ten tijde van de berekening - tot een herrekende bruto BPM van € 1.321. Ten tijde van de registratie in januari 2011 waren ruim vijf maanden verstreken sinds de datum eerste toelating. Dit betekent dat de tabelkorting 18,25% bedraagt. Op grond hiervan heeft verweerder de BPM verminderd tot € 1.080.

13. Voor auto 4 (zaaknummer 13/5155) is eveneens gebruikgemaakt van een taxatierapport. De handelsinkoopwaarde van de auto bedraagt € 14.946. Dit leidt bij een historische nieuwprijs van € 26.840 tot een afschrijving van 44,31%. De bruto BPM bedraagt € 5.830 en de verschuldigde BPM wordt dan berekend op € 3.246. Dit leidt - uitgaande van een tabelkorting van 20,50% ten tijde van de berekening - tot een herrekende bruto BPM van € 4.083. Ten tijde van de registratie in mei 2011 waren een jaar en twee maanden verstreken sinds de datum eerste toelating. Dit betekent dat de tabelkorting 33,664% bedraagt. Op grond hiervan heeft verweerder de BPM verminderd tot € 2.708.

14. Ook voor auto 5 (zaaknummer 13/5155) is gebruikgemaakt van een taxatierapport. Uit de financiële basisgegevens volgt dat aangifte is gedaan op basis van een handelsinkoopwaarde van € 28.500. Dit leidt bij een historische nieuwprijs van € 47.180 tot een afschrijving van 39,59%. De bruto BPM bedraagt € 13.649 en de verschuldigde BPM wordt dan berekend op € 8.245. Dit leidt - uitgaande van een tabelkorting van 5% ten tijde van de berekening - tot een herrekende bruto BPM van € 8.678. Ten tijde van de registratie in mei 2011 waren een jaar en ruim drie maanden verstreken sinds de datum eerste toelating. Op aangifte is € 5.632 voldaan. Dit komt overeen met een tabelkorting van 35,108%.

15. Nu uit het voorgaande blijkt dat de dossiers voldoende aanknopingspunten bieden om vast te stellen op welke wijze de BPM is bepaald, zal de rechtbank aan het feit dat verweerder niet de volledige dossiers heeft overgelegd geen gevolgen verbinden.

16. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat de verschuldigde BPM na bezwaar niet te hoog is vastgesteld. Daartoe is het volgende van belang.

17. Uit de hiervoor opgenomen berekeningen vloeit voort dat de zogeheten 12%-regeling niet langer is toegepast na bezwaar. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat geen sprake is van een gunstiger tussentijds tarief.

18. Eiseres heeft aangevoerd dat bij de taxaties mogelijk gebruik is gemaakt van koerslijsten van [F] voor btw-auto’s, waarop een bedrag aan schade in mindering is gebracht. Zij stelt zich op het standpunt dat van koerslijsten voor margeauto’s mag worden uitgegaan en dat dit leidt tot lagere waarden en dus een lagere BPM. Verweerder betwist niet dat koerslijsten voor margeauto’s in zijn algemeenheid lagere waarden laten zien dan koerslijsten voor btw-auto’s, maar is van mening dat in beginsel geen gebruik mag worden gemaakt van de methode “koerslijst minus schade”, en daarnaast dat het zijn van een btw-auto een kenmerk van de auto is, waardoor koerslijsten van margeauto’s te minder bruikbaar zijn.

19. De rechtbank zal - gelet op het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn uitspraak van 7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4640 - meegaan in de stelling van eiseres dat bij een taxatie gegevens uit een koerslijst gebruikt kunnen worden, nu ook daarin transacties van relevante referentieauto’s zijn opgenomen. De rechtbank gaat ervan uit dat voor zover bij de onderhavige taxaties gebruik is gemaakt van koerslijsten van [F] voor btw-auto’s daadwerkelijk sprake is van btw-auto’s. Iets anders is niet gesteld of aannemelijk geworden. Weliswaar is volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank het zijn van margeauto of btw-auto geen onderscheidend kenmerk van de auto wanneer gezocht wordt naar het gelijksoortige product in het kader van artikel 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, maar bij de vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto in het geval van een taxatie dient naar het oordeel van de rechtbank wel rekening te worden gehouden met het feit dat sprake is van een btw-auto. Uit de stellingen van eiseres vloeit voort dat een btw-auto gemiddeld genomen wat duurder is. Wanneer de taxateur gebruik had gemaakt van de gegevens van louter margeauto’s, had hij voor de bepaling van de waarde van de onderhavige auto’s een bedrag dienen bij te tellen om de vertaalslag van de referentieauto’s naar de onderhavige auto’s op juiste wijze te maken. Verweerder heeft ook niet als voorwaarde gesteld dat bij een taxatie gebruik dient te worden gemaakt van een koerslijst (laat staan welke). Dit is een eigen keuze van de taxateur geweest, zodat aangenomen moet worden dat hij van mening is dat de door hem getaxeerde waarde juist is. De stelling van eiseres dat indien de taxateur was uitgegaan van een koerslijst voor margeauto’s met de juiste datum deel 1A hij tot een lagere waarde was gekomen is niet onderbouwd. Er is dan ook geen grond voor de conclusie dat de taxateur achteraf van mening is dat de auto’s minder waard waren dan in zijn taxaties is vermeld. Aan deze stellingen van eiseres wordt daarom voorbijgegaan.

20. Op grond van het voorgaande is er geen grond voor vermindering van de verschuldigde BPM.

Immateriële schadevergoeding

21. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van de door haar geleden immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

22. Uit de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199, en 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, volgt dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaatsvindt. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade, aldus de Hoge Raad. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In belastingzaken heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.

23. De ontvangstdatum van het eerste bezwaarschrift is 10 januari 2011. De termijn is geëindigd met deze uitspraak. Tussen 10 januari 2011 en heden zijn meer dan twee jaren verstreken.

24. De rechtbank is evenwel van oordeel dat sprake is van omstandigheden die aanleiding geven om de redelijke termijn voor de onderhavige procedures op een langere termijn dan twee jaren te stellen. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat de beslissing in de bezwaarfase is aangehouden in verband met de verwachte jurisprudentie van de Hoge Raad over de 12%-regeling. Dit arrest dateert van 2 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV7393). Voor de beslistermijn in de beroepsfase is van belang dat het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij tussenuitspraak van 27 september 2012 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) had gesteld, waarvan de beantwoording relevant was voor de onderhavige zaken. Het HvJ heeft op 19 december 2013 uitspraak gedaan. In de tussenliggende periode heeft de procedure in deze zaken en in andere zaken waarin gronden ten aanzien van de CO2-heffing een rol zouden kunnen spelen bij de rechtbank stilgelegen. Deze bijzondere omstandigheden geven aanleiding de redelijke termijn te verlengen met bijna veertien maanden voor de bezwaarfase en vierenhalve maand voor de beroepsfase. De redelijke termijn bedraagt gelet hierop drie jaren en zes maanden. Deze termijn is met meer dan anderhalf jaar maar net iets minder dan twee jaar overschreden. Die overschrijding is voor elf maanden toe te schrijven aan de bezwaarfase en voor ruim twaalf maanden aan de beroepsfase.

25. Als uitgangspunt voor de schadevergoeding wordt een tarief gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden. In een geval als het onderhavige, waarin meerdere zaken van een belastingplichtige gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel, in dit geval vanaf de ontvangst van het eerst ingediende bezwaarschrift (vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2014, ECLI: NL:HR:2014:700 en 21 maart 2014, ECLI: NL:HR:2014:540).

26. Zowel de bezwaren als de beroepen zijn gelijktijdig behandeld. Deze hebben betrekking op dezelfde juridische vraagstukken, waarvan de inhoud heeft bijgedragen aan de overschrijding van de termijn. Deze resulteren in beroep ook in één uitspraak. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres voldoende wordt gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn door een vergoeding van € 2.000. De rechtbank zal daarom zowel verweerder als de Staat veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 1.000 voor deze drie zaken.

Proceskostenvergoeding

27. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van de daadwerkelijk door haar gemaakte proceskosten.

28. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beginsel forfaitair berekend. In bijzondere omstandigheden bestaat echter de mogelijkheid om een hogere vergoeding toe te kennen. Hiervoor bestaat in ieder geval aanleiding indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand kan houden (Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook indien het bestuursorgaan op andere wijze verregaand onzorgvuldig heeft gehandeld kan dit grond opleveren om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit aanwezig te achten (Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

29. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een bijzondere omstandigheid die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Gelet hierop heeft eiseres recht op een forfaitaire vergoeding van de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van de bezwaren en beroepen.

30. Voor de bezwaarfase is van belang dat in alle gevallen (ook in de zaak waarin het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard) een kostenvergoeding van € 54,50 is toegekend. Verweerder heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat sprake is van een grote hoeveelheid samenhangende zaken. Eiseres heeft betwist dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van het Besluit. De rechtbank kan in het midden laten in hoeverre daarvan sprake is in deze specifieke gevallen, nu verweerder tevens heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Verweerder heeft de kostenvergoeding ook uitdrukkelijk vastgesteld aan de hand van de in artikel 2, derde lid, van het Besluit opgenomen bevoegdheid. Dit artikellid bepaalt dat in bijzondere omstandigheden van de forfaitaire vergoeding kan worden afgeweken. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat van een aantal vergunninghouders - onder wie eiseres - grote aantallen bezwaarschriften zijn ontvangen, die in de regel betrekking hebben op dezelfde onderwerpen. Ter zake van de 12%-regeling zijn deze bezwaren, voor zover van toepassing, gegrond verklaard. Er is vanwege de overlap in argumenten tussen al die bezwaarschriften voor gekozen aansluiting te zoeken bij het tarief dat geldt voor zeer lichte zaken. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden, en heeft daarin geen aanleiding hoeven zien voor het toekennen van een hogere vergoeding dan hij heeft gedaan.

31. Nu de beroepen slechts op formele punten gegrond worden verklaard, worden de zaken in de beroepsfase als licht bestempeld. Van een verdere matiging van de proceskostenvergoeding op grond van samenhangende zaken zal de rechtbank in dat verband afzien.

32. Gelet op het voorgaande zijn de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de bezwaarfase vast te stellen op € 163,50. Voor de beroepsfase stelt de rechtbank de kosten vast op 3 x € 496 (per zaak 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 0,5). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. In totaal bedraagt de vergoeding voor bezwaar en beroep daarmee € 1.651,50. Verweerder kan op dit bedrag het reeds betaalde bedrag van € 163,50 in mindering brengen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    handhaaft de verschuldigde BPM voor auto 1 zoals deze na ambtshalve vermindering is bepaald;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak tot zover in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    laat de rechtsgevolgen ter zake van de overige auto’s in stand;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;

  • -

    veroordeelt de Staat tot het vergoeden van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.651,50;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 318 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. O.D. Heitling, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 7 juli 2016

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.