Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3599

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-07-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
05/760202-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 140 Wetboek van Militair Strafrecht stelt strafbaar de militair die opzettelijk een andere militair of iemand die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, feitelijk bedreigt met geweld of feitelijk aanrandt. Naar het oordeel van de militaire kamer vallen ook burgermedewerkers werkzaam bij Paresto onder de bescherming van artikel 140 WMSr.

De militaire kamer is van oordeel dat het per ongeluk geven van een zoen op de mond geen feitelijke aanranding in de zin van art. 140 WMSr is nu deze zoen in een situatie van beweging is gegeven, hierbij geen vorm van geweld is gebruikt en het niet ongebruikelijk was bij wijze van afscheid elkaar te zoenen na een dagje uit. De militaire kamer spreekt verdachte vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/760202-14

Datum uitspraak : 4 juli 2016

Tegenspraak

vonnis van de militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats]

Raadsvrouw: mr. C. van Kins, advocaat te Woerden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij als militair op of omstreeks 06 juni 2014, te of nabij Amersfoort, in elk

geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] , die bij of ten behoeve van de

krijgsmacht werkzaam was (als medewerkster van [naam] (Defensie cateraar)),

feitelijk heeft bedreigd met geweld en/of feitelijk heeft aangerand door toen

en daar opzettelijk die [slachtoffer] met zijn, verdachtes, tong over haar gezicht

en/of lippen te likken en/of die [slachtoffer] op haar gezicht en/of lippen te zoenen.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feitelijke aanranding. Verdachte heeft [slachtoffer] een zoen gegeven terwijl zij daar niet van gediend was. Verdachte had niet mogen aannemen dat hij haar mocht zoenen. Deze fysieke aantasting is voldoende voor feitelijke aanranding.

De officier van justitie heeft geëist verdachte te veroordelen tot de betaling van een geldboete van € 500,- voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Beoordeling door de militaire kamer

A. Toepasselijkheid artikel 140 Wetboek WMSr

De militaire kamer ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of een burgermedewerker, waaronder een horecamedewerkster, werkzaam bij [naam] , onder de toepassing van artikel 140 WMSr valt.

In artikel 140 WMSr is strafbaar gesteld een militair die opzettelijk een andere militair of iemand die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, feitelijk bedreigt met geweld of feitelijk aanrandt.

Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat dit artikel mede is geschreven ten behoeve van niet-militairen die binnen de krijgsmacht een taak vervullen. Daartoe worden ook gerekend het burgerpersoneel dat op militaire terreinen werkzaam is voor bij voorbeeld onderhoud van startbanen en gebouwen. Zij die in een particulier bedrijf militair materieel vervaardigen vallen niet onder dit artikel, daar zij noch «bij» noch «ten behoeve» van de krijgsmacht werkzaam zijn, immers zij zijn werkzaam ten behoeve van dat particuliere bedrijf.

[naam] ( [naam] ) is een cateringdienstverlening die uitsluitend werkzaam is voor de krijgsmacht. Voor deze organisatie werken zowel militairen als burgers. De burgermedewerkers, waartoe een horecamedewerkster behoort, zijn enkel werkzaam voor de defensie waarmee zij ten behoeve van de krijgsmacht werken. Gelet hierop vallen zij onder de bescherming van art. 140 WMSr.

Beoordeling van de feiten

Aangeefster heeft verklaard dat zij opeens een zoen op haar linker wang voelde, haar hoofd omdraaide en een zoen op haar rechterwang kreeg. Verdachte heeft vervolgens haar kaak vastgehouden, zijn mond op haar mond gelegd en haar gelikt. Verdachte heeft verklaard dat hij afscheid wilde nemen en aangeefster met zijn hand op haar schouder heeft aangeraakt om aan te geven dat hij naar huis zou gaan. Hij zoende aangeefster op haar linkerwang en daarna haar rechterwang. Doordat aangeefster opstond, raakte hij daarna haar op haar mond.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte aangeefster bij haar nek pakte en zijn mond over de mond van aangeefster deed. Hij heeft niet gezien dat verdachte zijn tong gebruikte. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte aangeefster een zoen wilde geven en op het moment dat aangeefster haar hoofd draaide, hun lippen elkaar raakten. Zij heeft ook niet gezien dat verdachte met zijn tong over haar mond is gegaan.

De militaire kamer gaat er op basis van het voorgaande van uit dat verdachte afscheid wilde nemen en daarbij aangeefster drie zoenen wilde geven en haar bij de laatste zoen op haar mond heeft gezoend. De militaire kamer acht niet bewezen dat verdachte haar daarbij heeft gelikt en bij de kin heeft gepakt nu enkel aangeefster hierover heeft verklaard en geen van de getuigen dit heeft waargenomen. Getuige [getuige 1] heeft wel verklaard dat verdachte aangeefster bij haar nek heeft gepakt maar dit is wezenlijk anders dan het pakken bij de kin, zodat dit niet kan worden gezien als ondersteuning van de verklaring van aangeefster.

De vraag die de militaire kamer vervolgens dient te beantwoorden, is of door het zoenen op de mond sprake is van feitelijke aanranding in de zin van art. 140 WMSr. Hierbij merkt de militaire kamer op dat ‘feitelijke aanranding’ in de zin van art. 140 WMSr en andere betekenis toekomt dan ‘feitelijke aanranding’ in de zin van art. 246 Sr waarbij het gaat om ontuchtige handelingen en eerbaarheid. In het militaire strafrecht ziet dit uitsluitend op het gewelddadige aspect van bepaalde gedragingen in zijn lichtste vorm. Iemand moet in zijn persoonlijkheid fysiek en gewelddadig of hardhandig zijn aangetast. Dit moet veeleer vergeleken worden met eenvoudige mishandeling. Art. 140 WMSr staat niet in verband met een door de dader te bereiken seksueel doel.

Aangeefster heeft aangegeven dat zij door het zoenen op de mond was ontdaan. De militaire kamer begrijpt ook dat aangeefster dit niet heeft gewild. Het zoenen op de mond terwijl men weet of moet weten dat een ander hier niet van gediend is, is een overschrijding van grenzen en zou kunnen worden bestempeld als een fysieke en (lichte) gewelddadige aantasting van de persoonlijkheid.

De militaire kamer neemt echter ook in haar oordeel mee dat deze zoen in een situatie van beweging is gegeven. Hierbij is geen vorm van geweld gebruikt en de militaire kamer gaat er dan ook vanuit dat verdachte aangeefster per ongeluk op haar mond heeft geraakt. Gelet op deze situatie is de militaire kamer van oordeel dat geen sprake is van een fysieke en (lichte) gewelddadige aantasting van de persoonlijkheid, temeer daar het niet ongebruikelijk is dat collega’s na een dagje uit elkaar bij wijze van afscheid zoenen. De militaire kamer zal de verdachte dan ook van het tenlastegelegde vrijspreken.

3. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van immateriële schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 500,-.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde.

4 De beslissing

De militaire kamer:

 Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Noordraven (voorzitter) en mr. P.C. Quak, rechters, alsmede Luitenant-kolonel mr. C.E.W. van de Sande, als militair lid, in tegenwoordigheid van mr. M.G.A. Luijckx, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juli 2016.