Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3589

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
01-07-2016
Zaaknummer
15/2855
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag om aanpassing van een (tweede) woning ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning; scheiding vader en moeder en co-ouderschap. De Verordening gaat ervan uit dat alleen het hoofdverblijf van belanghebbende voor een woonvoorziening in aanmerking komt. Hoofdverblijf is al aangepast, aanvraag afgewezen. Beroep op hardheidsclausule treft geen doel.

Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/184
RSV 2016/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats [adres]

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/2855

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] eiseres

(gemachtigde: mr. C. de Vries),

en

het [verweerder] te [woonplaats] verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om aanpassing van een (tweede) woning ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 13 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [betrokkene] en verweerder door mr. M.A. de Ronde en L.M.P. Servais.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres, geboren op [geboortedatum], is als gevolg van zuurstoftekort bij de geboorte ernstig motorisch beperkt. Zij heeft een ontwikkelingsachterstand en is volledig rolstoelafhankelijk. In 2006 is de woning van haar ouders op het adres [adres] te [adres] aangepast aan de beperkingen van eiseres. De ouders van eiseres hebben medio 2014 de beslissing genomen om te gaan scheiden. [betrokkene] , de vader van eiseres, woont sedert 2 augustus 2014 elders. De ouders van eiseres hebben voor het co-ouderschap gekozen, waarbij het de bedoeling is dat eiseres de ene week bij haar vader is en de andere week bij haar moeder.

Eiseres heeft op 18 augustus 2014 een aanvraag gedaan, waarin is verzocht om de door haar vader te betrekken woning aan te passen, conform het voorzieningenvoorstel dat heeft geleid tot de aanpassing van de woning op het adres [adres] te [adres] .

2. Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat een woonvoorziening slechts wordt verleend, indien de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen, en dat eiseres haar hoofdverblijf niet heeft in de aan te passen woonruimte. Eiseres heeft haar hoofdverblijf immers reeds op het adres [adres] , welke woonruimte al is aangepast. Aanpassing van een tweede woning is op grond van de regelgeving niet mogelijk, aldus verweerder, nu eiseres slechts één hoofdverblijf kan hebben. Verweerder heeft wel toegezegd dat de woning van de vader van eiseres bezoekbaar kan worden gemaakt.

3. De rechtbank overweegt dat, gelet op artikel 8.9, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 17.7 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2015, op de onderhavige zaak de Wmo en de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012 (Verordening 2012) van toepassing zijn.

In artikel 4.11.1 van de Verordening 2012 is bepaald dat een woonvoorziening slechts wordt verleend, indien de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.

In artikel 4.11.2 is bepaald dat een woonvoorziening kan worden getroffen voor het bezoekbaar maken van een deel van de te bezoeken woning.

Ingevolge artikel 10.1 van de Verordening 2012 kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

4. De rechtbank stelt voorop dat de Verordening 2012 ervan uitgaat dat alleen het hoofdverblijf van belanghebbende voor een woonvoorziening in aanmerking komt. De ouders van eiseres zijn evenwel gescheiden en wensen co-ouderschap, waarbij eiseres de ene week bij vader is en de andere week bij moeder in de woning verblijft. Echter, ook bij co-ouderschap heeft eiseres maar één hoofdverblijfplaats. In dit geval is dat het adres waar zij in de Basisregistratie personen is ingeschreven, te weten [adres] . In zoverre biedt de Verordening 2012 geen grondslag om de aanvraag van eiseres in te willigen.

Eiseres heeft zich ter zitting desgevraagd op het standpunt gesteld dat met de beroepsgronden is beoogd ook een beroep op de hardheidsclausule in artikel 10.1 van de Verordening 2012 te doen.

5. De rechtbank is van oordeel dat dit beroep geen doel treft. Het co-ouderschap van de ouders kan niet worden aangemerkt als een bijzonder geval, als bedoeld in artikel 10.1 van de Verordening 2012. Co-ouderschap komt relatief vaak voor en kan reeds daarom niet worden aangemerkt als een bijzonder geval, op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt op het bepaalde in artikel 4.11.1 van de Verordening 2012. Voorts acht de rechtbank van belang dat de woning waar eiseres haar hoofdverblijf heeft reeds is aangepast en dat verweerder heeft toegezegd dat de woning van haar vader voor eiseres bezoekbaar zal worden gemaakt. Aangenomen moet daarom worden dat gezinsleven wel mogelijk is. Daaraan doet niet af dat eiseres niet in de woning van haar vader kan blijven slapen. Toepassing van artikel 4.11.1 van de Verordening 2012 leidt daarom naar het oordeel van de rechtbank niet tot onbillijkheden van overwegende aard.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, voorzitter, mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. E.C.G. Okhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.