Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3588

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3280
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:5857, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonheffingen. Beroepen voldoende gemotiveerd? Naheffingsaanslagen wegens toepassing artiestenregeling. Vereiste aangifte. Schending vertrouwensbeginsel. Vergrijpboetes terecht opgelegd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1532
V-N 2016/51.2.3
FutD 2016-1717
NTFR 2016/1953 met annotatie van dr. D. Molenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 15/3280 en AWB 15/3282

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 juli 2016

in de zaken tussen

Stichting " [X] ", te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] .A.01.050.0) loonheffingen opgelegd van € 8.460, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 2.115. Tevens is bij beschikking € 913 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] .A.01.150.0) loonheffingen opgelegd van € 2.827, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 706. Tevens is bij beschikking € 152 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Op 6 januari 2014 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslagen.

De behandeling van het bezwaar is vervolgens opgeschort in afwachting van de beslissing op het beroep tegen de naheffingsaanslag loonheffingen over 2007.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 30 april 2015 de vergrijpboetes verminderd tot € 1000 (2008 t/m 2010) respectievelijk € 350 (2011) en de bezwaren voor het overige afgewezen.

Eiseres heeft daartegen per faxbericht van 8 juni 2015 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 februari 2016, ontvangen door de rechtbank op 1 maart 2016, heeft eiseres nadere stukken ingediend, waarvan een kopie aan verweerder is verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016.

Namens eiseres is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde] .

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Partijen hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota’s behorende bijlagen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is opgericht op 7 maart 2006. Het doel van eiseres is het leveren van een bijdrage aan de verbetering van de participatie, emancipatie, integratie, solidariteit en interculturalisatie van de gemeenschappen in Nederland door middel van het organiseren en ontwikkelen van activiteiten op het gebied van welzijn, maatschappij, kunst en cultuur.

2. Eiseres wil haar doelstelling realiseren door het organiseren van evenementen op het gebied van muziek, dans en kleinkunst. Zij organiseert jaarlijks in december het Nederlands kampioenschap Turks volksdansen in de [B] . Tijdens dat evenement wordt het optreden van deelnemende dansgroepen afgewisseld met andere losse optredens.

3. Vanaf oktober 2011 heeft verweerder onderzoek gedaan naar de activiteiten en de financiën van eiseres en de fiscale gevolgen daarvan. De controlerend ambtenaar heeft zijn bevindingen neergelegd in het controlerapport van 9 juli 2013. In dat rapport is onder meer opgenomen dat tijdens het onderzoek is gebleken dat eiseres betalingen heeft verricht aan diverse personen die hun medewerking hebben verleend aan de uitvoering van het onder 2. hiervoor bedoelde evenement. In 2008 en 2009 heeft eiseres een bedrag van € 2.125 betaald voor cabaret, in 2010 een bedrag van € 2.150 en in 2011 een bedrag van € 2.085. Eiseres heeft ter zake van deze betalingen van in totaal € 8.485 geen loonadministratie gevoerd.

4. Bij brief van 29 november 2012 heeft verweerder aangekondigd over de betalingen loonheffingen te zullen naheffen naar het zogenoemde anoniementarief en daarbij een vergrijpboete op te leggen van 25 percent.

5. Eiseres heeft een verklaring arbeidsrelatie overgelegd van de heer [C] die geldig is van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009. In deze verklaring is vermeld dat het een verklaring is voor werkzaamheden betreffende stand-up comedy.

6. Eiseres heeft een verklaring overgelegd waarin is vermeld dat de heer [D] drie voorstellingen voor eiseres heeft gegeven en de heer [D] daarvoor een vergoeding van € 500 per voorstelling heeft ontvangen.

Geschil

7. In geschil is:

  • -

    of eiseres de vereiste aangifte heeft gedaan;

  • -

    of de beroepen voldoende zijn gemotiveerd;

  • -

    of de naheffingsaanslagen en de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of de zogenoemde artiestenregeling van toepassing is op de betalingen voor cabaret;

  • -

    of sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.

8. Eiseres is van mening dat de uitvoerend cabaretier geen artiest is in de zin van de artiestenregeling, maar slechts een vrijwilliger die op verzoek van de organisatie bereid was een uitvoering te verzorgen. Reeds de omvang van de vergoeding wijst er op dat geen sprake is van een serieuze beloning van een cabaretier, maar van een onkostenvergoeding aan een amateur, aldus eiseres. De vergrijpboetes moeten volgens eiseres worden vernietigd omdat zij kon en mocht menen dat de vergoedingen aan de cabaretier niet in de loonheffing diende te worden betrokken. Eiseres is van mening dat de personen waaraan de betalingen zijn verricht hun werkzaamheden niet in dienstbetrekking hebben verricht.

9. Eiseres concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen inzake heffingsrente.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de nageheven belasting betrekking heeft op een prestatie als artiest in de zin van artikel 1 in samenhang gelezen met artikel 5a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), omdat sprake was van een overeenkomst van korte duur ter zake van een prestatie die primair is gericht op entertainment van publiek.

11. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Motivering beroepschrift

12. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met hetgeen zij in het beroepschrift heeft gesteld, haar beroep voldoende heeft gemotiveerd zoals is bepaald in artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het beroep weliswaar summier is gemotiveerd, maar dit niet onvoldoende is, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2007, nr. 43328, ECLI:NL:HR:2007:BB4749.

Artiestenregeling

13. De zogenoemde (artikel 1 van de Wet LB in samenhang gelezen met artikel 5a, lid 1, van de Wet LB) artiestenregeling maakt geen onderscheid tussen beroepsmatig optredende artiesten en amateurs. De aard en het karakter van de prestatie is bepalend voor de kwalificatie van het optreden als artiest. De omstandigheid dat de vergoeding is uitbetaald aan een amateur artiest, zoals eiseres stelt, leidt er daarom niet toe dat de artiestenregeling niet dient te worden toegepast. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslagen loonheffingen terecht zijn opgelegd.

14. Verweerder is bij het opleggen van de naheffingsaanslagen uitgegaan van de bedragen die in de administratie van eiseres zijn vermeld onder “Cabaret”. De rechtbank is van oordeel dat deze bedragen gage vormen in de zin van artikel 35 van de Wet LB. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de betalingen aan de cabaretiers uitsluitend onkostenvergoedingen betreffen die op grond van het bepaalde in lid 3 van artikel 35 van de Wet LB, niet tot de gage van de cabaretier behoren. De omvang van de vergoedingen wijst eerder op het tegendeel. Dat de heer [D] schriftelijk heeft verklaard dat hij in de jaren 2008, 2010 en 2011 heeft opgetreden als vrijwilliger en dat hij hiervoor een vergoeding van € 500 heeft ontvangen per jaar maakt dit niet anders. Niet doorslaggevend is of de heer [D] zich omschrijft als vrijwilliger, maar of sprake is van een onkostenvergoeding die op grond van artikel 35, lid 3, van de Wet LB, niet tot de gage van de cabaretier behoort. Daar komt bij dat eiseres geen primaire bescheiden, zoals bonnen en facturen, heeft overgelegd en derhalve evenmin aannemelijk gemaakt dat zij slechts € 500 aan de cabaretiers heeft betaald. Uit de overgelegde verklaring arbeidsrelatie 2009 van de heer [C] volgt niet of en welk gedeelte van de vergoeding aan de heer [C] is betaald. Ook in dit geval ontbreken primaire bescheiden.

15. De uitbetaalde vergoedingen zijn hoger dan € 1.500. Van een vergoeding voor een vrijwilliger als bedoeld in artikel 2, lid 6, van de Wet LB, kan daarom evenmin sprake zijn. De stelling van eiseres dat de artiestenregeling niet van toepassing is omdat sprake is van een vrijwilliger die op verzoek van de organisatie bereid is een uitvoering te verzorgen, moet daarom worden verworpen.

16. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de verschuldigde belasting over de gage van de cabaretiers nageheven. Aangezien verweerder tijdens het boekenonderzoek heeft geconstateerd dat eiseres niet aan haar verplichtingen als bedoeld in artikel 35e, aanhef en onderdeel e, van de Wet LB, heeft voldaan, heeft verweerder daarbij terecht het anoniementarief als bedoeld in artikel 35a, lid 3, van de Wet LB, toegepast.

Vertrouwensbeginsel

17. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat door de wijze waarop verweerder heeft gehandeld ten aanzien van de naheffingsaanslagen over de periode 2008 tot en met 2011 bij eiseres het vertrouwen is gewekt dat de aangekondigde correcties naar aanleiding van het boekenonderzoek in de reeds eerder opgelegde naheffingsaanslagen waren begrepen. Hierdoor staat volgens eiseres het vertrouwensbeginsel aan onderhavige naheffingsaanslagen in de weg. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de eerder opgelegde naheffingsaanslagen nimmer een uitlating heeft gedaan waaruit eiseres heeft kunnen afleiden dat onderhavige naheffingsaanslagen zouden komen te vervallen. Onderhavige naheffingsaanslagen met bijbehorende aanslagnummers zijn niet door verweerder gecorrigeerd. Op grond hiervan faalt deze beroepsgrond.

Vereiste aangifte

18. Aangezien verweerder met de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres ten onrechte de betalingen aan de artiesten niet heeft aangegeven en eiseres het tegendeel reeds niet aannemelijk heeft gemaakt, behoeft de vraag of eiseres al dan niet de vereiste aangifte heeft gedaan, geen behandeling.

Heffingsrente

19. Nu eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dienen ook de beroepen inzake de beschikkingen heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

Vergrijpboete

20. Ingevolge artikel 67f, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, kan aan een belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting, welke op aangifte moet worden voldaan, niet is betaald.

21. In dit geval heeft verweerder vergrijpboetes wegens grove schuld opgelegd. Op verweerder rust dan ook de last te bewijzen dat daarvan sprake is. In het rapport van het boekenonderzoek, blz. 16, onderdeel 7.2, heeft verweerder de boetes als volgt onderbouwd:

"Van bestuursleden van een stichting mocht worden verwacht dat men zich zou overtuigen van de fiscale aanvaardbaarheid van de bovenbedoelde feiten. Dit heeft men kennelijk nagelaten. Er is geen contact gezocht met een fiscaal adviseur en/of de Belastingdienst. Het moet toch algemeen bekend zijn dat een geldstroom bij een stichting tussen de € 50.000 en € 60.000 fiscale consequenties heeft. In de jaren 2007 tot en met 2011 zijn substantiële bedragen uitbetaald aan derden. De Stichting heeft geen enkele aktie ondernomen om op het moment van uitbetalen aan derden, de hoedanigheid van deze derden te controleren en hiervan vastleggingen in de administratie op te nemen. Verder kan nog worden opgemerkt dat de Stichting/de heer [A] zeer beperkt medewerking hebben verleend aan het overleggen van administratie en het verstrekken van informatie. (…). Op basis van deze feiten is hier dan ook sprake van grove schuld waarbij een boete van 25% passend en geboden is."

22. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergrijpboetes moeten worden vernietigd omdat eiseres kon en mocht menen dat de vergoeding aan de cabaretier als onkostenvergoeding kon worden verstrekt en niet in de loonheffing diende te worden betrokken. Eiseres is ervan uitgegaan dat zij geen loonheffingen hoefde in te houden en beschikte hierdoor niet over een loonadministratie.

23. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat eiseres door aan te nemen dat de artiestenregeling niet van toepassing is, dan wel daarnaar geen onderzoek te doen, dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan haar grove schuld te wijten is dat te weinig belasting is geheven. Verweerder heeft met de onder 21. hiervoor geciteerde onderbouwing naar het oordeel van de rechtbank geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit de grove schuld kan worden afgeleid ten aanzien van het niet verantwoorden van de gage van de cabaretiers. De rechtbank zoekt hierbij tevens aansluiting bij hetgeen is overwogen onder 25. van de uitspraak van rechtbank Gelderland van 4 november 2014 (ECLI:NL:RBGEL:2014:6879) ter zake van dezelfde eiseres en dezelfde problematiek over het jaar 2007. De boetebeschikkingen dienen derhalve te worden vernietigd.

Conclusie

24. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard voor zover deze zijn gericht tegen de uitspraken op bezwaar van 30 april 2015 voor wat betreft de boetes en voor het overige ongegrond.

25. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zake twee samenhangende zaken vastgesteld op € 1.238 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Het door verweerder reeds aan eiseres ten titel van kostenvergoeding betaalde bedrag strekt in mindering op het uit hoofde van de proceskostenveroordeling aan eiseres te betalen bedrag.

Beslissing

De rechtbank verklaart:

- de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar van 30 april 2015 gegrond voor wat

betreft de boetes;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze ziet op de boetebeschikkingen;

  • -

    vernietigt de boetebeschikkingen;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.238;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 331 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.J.C. Pieterse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 5 juli 2016

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.