Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3581

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
01-07-2016
Zaaknummer
292065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldleningsovereenkomst en nadere overeenkomst. Vordering tot nakoming aflossingsverplichting. Beroep op wilsgebreken (artikel 3:44 lid 5 en 4: bedreiging en misbruik van omstandigheden) faalt. Vordering tot vernietiging overeenkomst afgewezen. Vordering uit onverschuldigde betaling ook afgewezen. Bewijsopdracht aan gedaagden dat zij meer dan het in het vonnis genoemde bedrag aan eiser hebben betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1902
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/292065 / HA ZA 15-625

Vonnis van 15 juni 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] , gem. [gemeente] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. K. van der Leij te Hoofddorp,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.J.C. van Haren te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden. Gedaagden in conventie, eisers in reconventie, worden ook wel afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 januari 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 april 2016

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermindering eis in conventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] is samen met twee compagnons eigenaar van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] adviseerde in beleggingen. Klanten openden een beleggingsrekening bij de SNS, waarmee vervolgens door [bedrijf 1] kon worden belegd. Aan die beleggingsrekening werd als tegenrekening de normale bankrekening van de klanten verbonden. Bij het openen van de beleggingsrekening werd een code verstrekt. [bedrijf 1] kreeg van de klanten deze code waarmee [bedrijf 1] via internet kon inloggen op de beleggingsrekening en een beleggingsstrategie kon uitvoeren.

2.2.

In 2000 heeft [eiser] contact opgenomen met [gedaagde 1] over het beleggen van

NLG 75.000,-. [eiser] heeft vervolgens een beleggingsrekening geopend bij de SNS-bank waarop het bedrag van NLG 75.000,- werd gestort en waarmee kon worden gehandeld.

2.3.

[bedrijf 1] is in 2002/2003 failliet gegaan.

2.4.

Op 17 september 2003 hebben [eiser] en [gedaagde 1] een overeenkomst getekend waarin is opgenomen dat het door [eiser] ter beschikking gestelde geld moet worden beschouwd als een geldlening.

2.5.

In 2005 heeft [gedaagde 1] bij de golfclub in Abcoude een bedrag van € 5.000,- contant aan [eiser] voldaan.

2.6.

Op 8 april 2006 hebben [eiser] en [gedaagde 2] een geldleenovereenkomst gesloten waarbij [eiser] een bedrag van € 20.000,- aan [gedaagde 2] heeft geleend.

2.7.

Ten aanzien van beide overeenkomsten hebben partijen op 9 december 2007 een nadere overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst van 2007). De overeenkomst is door [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , in de overeenkomst aangeduid als Schuldeiser respectievelijk Schuldenaar A en Schuldenaar B, ondertekend. In deze overeenkomst is een betalingsregeling opgenomen en staat verder onder meer het volgende:

OVERWEGENDE:

(A) Schuldeiser en Schuldenaar A hebben op 17 september 2003 de (…) overeenkomst van geldlening gesloten. Op grond van die overeenkomst is Schuldenaar A een bedrag verschuldigd aan Schuldeiser van EUR 34.030,--, te vermeerderen met een rente van 7 % per jaar (…) in deze overeenkomst aangeduid als “Vordering A”;

(B) Schuldeiser en Schuldenaar B hebben op 8 april 2006 de (…) overeenkomst van geldlening gesloten. Op grond van die overeenkomst is Schuldenaar B een bedrag verschuldigd aan Schuldeiser van EUR 20.000,--, te vermeerderen met een rente van 7 % per jaar (…) in deze overeenkomst aangeduid als “Vordering B”;

(C) Vordering A bedraagt tot en met 12 oktober 2007 EUR 44.214,66. Vordering B bedraagt tot en met 12 oktober 2007 EUR 22.171,57. (…)

(D) Vordering A en Vordering B zijn beide in hun geheel opeisbaar. (…)

(E) Schuldenaar A en schuldenaar B hebben aangegeven beiden hoofdelijke aansprakelijkheid te aanvaarden voor de voldoening van zowel Vordering A als Vordering B.”

2.8.

In het dossier bevindt zich een door [eiser] opgesteld overzicht van betalingen waaruit blijkt dat [gedaagden] in de periode van 27 oktober 2010 tot en met 7 januari 2013 in ieder geval een bedrag van € 12.600,- heeft voldaan.

2.9.

Op 22 september 2015 heeft [gedaagde 1] een e-mail aan [eiser] gestuurd waarin hij aangeeft te stoppen met betalen. In de e-mail staat onder meer het volgende:

“Ik heb uitgerekend dat vanaf het moment dat je instapte bij [bedrijf 1] plus de € 5.000,- bij de golfclub en onze maandelijkse betalingen een bedrag jouw kant op is gegaan van om nabij € 75.000,00. Als enige klant van [bedrijf 1] ben je gecompenseerd voor je beleggingsverlies. Al onze extra centen zijn naar jou toe gegaan. Dat was ook de afspraak alleen kunnen wij op dit moment niet meer.”

2.10.

[gedaagden] is bij brief van 1 oktober 2015 door [eiser] in gebreke gesteld.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert - na vermindering van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 53.549,43, vermeerderd met de contractuele rente ad 7% per jaar en kosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij met [gedaagden] de overeenkomst van 2007 heeft gesloten waarin hij met [gedaagden] een aflossingsverplichting is overeengekomen. [gedaagden] hebben tot 7 januari 2013 aan de overeengekomen aflossingsverplichting voldaan, maar zijn na de betaling van 7 januari 2013 gestopt met betalen. Het nog openstaande bedrag (€ 47.984,03), alsmede de verschuldigde contractuele rente van 7% daarover tot 1 oktober 2015 (€ 9.218,40), is daarom opeisbaar geworden. Ter verkrijging van betaling buiten rechte heeft [eiser] zijn vordering uit handen moeten geven. Naast de hoofdsom en de contractuele rente maakt hij daarom tevens aanspraak op de door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.

3.3.

[gedaagden] voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagden] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de overeenkomsten genoemd onder rechtsoverweging 2.4., 2.6. en 2.7. te vernietigen en [eiser] te veroordelen tot betaling van € 38.900,- althans een bedrag van € 20.007,03, vermeerderd met rente.

3.6.

[gedaagden] legt aan zijn vordering ten grondslag dat alledrie de overeenkomsten tot stand zijn gekomen onder bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden. Er is in totaal een bedrag van € 38.900,- door [gedaagden] aan [eiser] voldaan. Dit bedrag is onverschuldigd betaald.

3.7.

[eiser] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, beoordeelt de rechtbank deze gezamenlijk.

Wilsgebreken

4.2.

Het meest verstrekkende verweer betreft het verweer van [eiser] dat de rechtsvordering van [gedaagden] tot vernietiging in geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden ingevolge artikel 3:52 BW is verjaard. De rechtbank ziet echter aanleiding de gestelde wilsgebreken eerst te bespreken.

4.3.

Vast staat dat partijen op 9 december 2007 een nadere overeenkomst hebben gesloten. Ter beoordeling ligt de vraag voor of die tussen partijen gesloten overeenkomst van 2007 vernietigd kan worden op grond van bedrog of misbruik van omstandigheden.

4.4.

[gedaagden] hebben in dit verband het volgende naar voren gebracht. [eiser] heeft een bedrag van € 34.030,- op een SNS beleggingsrekening gestort, zodat [bedrijf 1] dat geld kon beleggen. Door de crisis waren de resultaten negatief. Hoewel er geen enkele juridische grondslag bestond voor terugvordering van het bedrag heeft [gedaagde 1] vervolgens onder druk van [eiser] een geldleenovereenkomst getekend ter hoogte van de inleg op de beleggingsrekening. De keuze die [eiser] aan [gedaagde 1] gaf was dat hij, hetzij zijn vordering verkocht aan mensen die voor wat betreft incasso er minder vriendelijke methodes op na zouden houden, hetzij dat [gedaagde 1] een schuldbekentenis zou tekenen in de vorm van een geldleenovereenkomst. [gedaagde 1] stond onder enorm geestelijke druk en zag geen andere uitweg dan de overeenkomst te tekenen. [eiser] was volledig bekend met de bedreigingen die vanuit anderen jegens [gedaagde 1] en zijn gezin plaatsvonden en maakte daar misbruik van. Midden in de periode van bedreigingen stelde [eiser] voor om een bedrag over te maken aan [gedaagden] zodat [gedaagde 1] met eventueel rendement op beleggingen zijn eerdere beleggingsverlies kon goedmaken. Dat bedrag is overgemaakt aan [gedaagde 2] en met [gedaagde 2] is een geldleenovereenkomst aangegaan. Nadat deze poging was mislukt en ook dit geld was verloren wilde [eiser] een nadere overeenkomst op allebei hun naam voor een totaal bedrag van € 66.385,- met daaraan gekoppeld een afbetalingsregeling tegen zeven procent rente op jaarbasis. Omdat [gedaagden] in die periode constant werden lastiggevallen en de druk en spanning enorm was hebben zij, uitsluitend op grond van deze sterke angstgevoelens en onder grote geestelijke pressie de overeenkomst van 2007 getekend.

Ter comparitie hebben [gedaagden] toegelicht dat de bedreigingen geuit zijn door twee andere schuldeisers, genaamd [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] . [naam] is een vriend van deze twee personen. [naam] is ook de persoon die [eiser] bij [gedaagde 1] heeft geïntroduceerd.

4.5.

[eiser] betwist dat de overeenkomst van 2007 tot stand is gekomen onder bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden. Ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen vriendelijk met elkaar omgingen overlegt [eiser] WhatsApp- en sms-verkeer tussen [eiser] en [gedaagde 1] waaruit geen enkele bedreiging blijkt, aldus [eiser] . Bovendien had [eiser] geen enkele wetenschap van de stelling van [gedaagden] dat zij zijn bedreigd.

4.6.

Ingevolge artikel 3:44 lid 5 BW is van bedreiging sprake wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen, waarbij de bedreiging zodanig moet zijn dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed.

4.7.

Gelet op de betwisting door [eiser] had het op de weg van [gedaagden] gelegen om nadere feiten of omstandigheden te stellen waaruit volgt dat de overeenkomst onder bedreiging tot stand is gekomen. Hiervan is niet gebleken. [gedaagden] hebben op geen enkele manier concreet gemaakt hoe, wanneer en waar zij door [eiser] bedreigd zijn rond de totstandkoming van de overeenkomst van 2007. Bovendien hebben [gedaagden] niet concreet onderbouwd hoe de door [gedaagden] gestelde bedreiging door andere schuldeisers, rechtstreeks van invloed is geweest op het sluiten van de overeenkomst van 2007 met [eiser] en op de inhoud daarvan. Nu [gedaagden] aldus niet aan hun stelplicht hebben voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen en wordt hun stelling dat de overeenkomst van 2007 onder invloed van bedreiging tot stand is gekomen, verworpen.

4.8.

Ingevolge artikel 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig indien iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, waaronder noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan had behoren te weerhouden.

4.9.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagden] aldus dat [eiser] [gedaagden] van de overeenkomst van 2007 had moeten afhouden, nu hij redelijkerwijs had dienen te begrijpen dat de reden voor [gedaagden] om de overeenkomst van 2007 aan te gaan enkel was gelegen in het feit dat bij [gedaagden] sterke angstgevoelens leefden. Ook in dit verband hebben [gedaagden] te weinig gesteld gelet op de betwisting door [eiser] . Uit de stellingen van [gedaagden] volgt niet dat [eiser] zou hebben moeten begrijpen dat [gedaagden] door bijzondere omstandigheden tot het sluiten van de overeenkomst zijn bewogen, voor zover van bijzondere omstandigheden al sprake is. De toelichting ter comparitie van [gedaagden] dat [eiser] bij [gedaagde 1] is geïntroduceerd door [naam] , dat [naam] bevriend is met [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] en dat de laatste twee personen [gedaagden] hebben bedreigd, is daarvoor zonder nadere toelichting die ontbreekt, onvoldoende. Nu [gedaagden] niet aan hun stelplicht hebben voldaan betreffende de vereiste kenbaarheid wordt niet toegekomen aan bewijslevering. Het verweer dat de overeenkomst van 2007 tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden faalt.

4.10.

Gelet op het voorgaande wordt de vordering in reconventie tot vernietiging van de overeenkomst van 2007 afgewezen. Nu deze overeenkomst in stand blijft wordt ook de vordering uit onverschuldigde betaling afgewezen. Een eventuele vernietiging van de twee eerdere overeenkomsten kunnen niet afdoen aan de overeenkomst van 2007. [gedaagden] hebben daarom bij de beoordeling van die vordering geen belang meer. Ook komt de rechtbank niet meer toe aan de bespreking van het verjaringsverweer.

Betalingen

4.11.

[gedaagden] hebben aangevoerd dat zij een bedrag van € 38.900,- hebben betaald aan [eiser] en niet slechts een bedrag van € 12.600,- plus € 5.000,- bij de golfclub zoals door [eiser] is gesteld. Ter comparitie hebben [gedaagden] aangevoerd dat zij daarvan bankafschriften kunnen overleggen.

4.12.

[eiser] betwist de betalingen die de € 17.600,- (€ 12.600,- plus € 5.000,-) te boven gaan. [eiser] heeft een betalingsoverzicht overgelegd op welke data hij betalingen van [gedaagden] heeft ontvangen en van welke omvang die betalingen waren.

4.13.

Nu [gedaagden] zich beroepen op de rechtsgevolgen van door hen verrichte betalingen, rust op grond van artikel 150 Rv op hen de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van hun stelling dat zij meer hebben betaald dan € 17.600,-. Gelet op het gemotiveerde verweer van [eiser] zal de rechtbank [gedaagden] overeenkomstig haar aanbod toelaten tot bewijslevering op dit punt. Daarbij kan naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog worden volstaan met het overleggen van een schriftelijk overzicht van de door hen verrichte betalingen met daarbij per betaling het bijbehorende bankafschrift.

4.14.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

draagt [gedaagden] op te bewijzen dat zij meer hebben betaald aan [eiser] dan € 17.600,-,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 juli 2016 voor het overleggen van bewijsstukken zoals weergegeven onder r.o. 4.13.,

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 augustus 2016 voor een reactie van [eiser] op de overgelegde bewijsstukken,

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

in reconventie

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2016.