Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3580

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
01-07-2016
Zaaknummer
294488
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Erfdienstbaarheid. Vordering tot nakoming van gestelde afspraken omtrent verlegging van een weg. Eiser moet bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat gedaagde ervoor zou zorgdragen dat een met gebroken puin verharde weg zou worden afgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: 294488 / HA ZA 15-698 / 17

Vonnis van 15 juni 2016

in de zaak van

1 [eiser 1]

2. [eiseres]

beiden wonende te [woonplaats]

eisers

advocaat: mr. S.G. Volbeda te Arnhem

tegen

1 [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2]

beiden wonende te [woonplaats]

gedaagden

advocaat: mr. J. Smit te Nijmegen

Partijen zullen hierna, in meervoud, [eisers] en – waar geen afzonderlijke vermelding van gedaagden nodig is – [gedaagden] worden genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 februari 2016

- het proces-verbaal van descente en van comparitie van partijen van 2 mei 2016.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[eisers] en [gedaagden] zijn buren. Hun percelen zijn gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . Ten behoeve van het perceel van [eisers] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , [kadastrale aanduiding 1] ), en ten laste van het perceel van [gedaagde 2] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , [kadastrale aanduiding 2] , bestaat sinds de inschrijving in de openbare registers van de akte van toedeling in de Ruilverkaveling [woonplaats] van 15 mei 2003 een “erfdienstbaarheid van weg om te komen en te gaan van en naar de openbare weg, de [adres] , naar en van het heersend erf uit te oefenen op de voor het dienend erf minst bezwarende wijze” (hierna te noemen: de erfdienstbaarheid). Het perceel van [gedaagde 2] maakt deel uit van een onverharde weg, die door [eisers] gebruikt wordt om naar en van een door [eisers] gepacht perceel, kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , [kadastrale aanduiding 3] , te gaan, dat hij thans gebruikt ten behoeve van akkerbouw.

2.2

[gedaagde 2] is ook eigenaar van het graslandperceel, kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie [kadastrale aanduiding 4] . Van dit perceel hebben [gedaagden] tegenover hun woningen in 2015 dan wel 2016 een groot deel als tuin afgescheiden met een hekwerk eromheen (aan de noordwest-, noordoost- en zuidoostzijde). Dat deel is door de rechtbank door middel van streeparcering op het onderstaande door [eisers] overgelegde uittreksel uit de noordgerichte kadastrale kaart in beeld gebracht. Ten zuidwesten van dat vlak ligt het [kadastrale aanduiding 2] (door de arcering is het nummer weggevallen). Op een paar meter afstand van het [kadastrale aanduiding 2] en parallel daaraan staat op het gearceerde vlak een rijtje bomen. [gedaagden] hebben door middel van kleine paaltjes naast de noordwest- en noordoostzijde van het gearceerde vlak een route gemarkeerd, waarlangs [eisers] hun [kadastrale aanduiding 3] zouden kunnen bereiken.


3 Het geschil en de vordering

3.1

[eisers] stellen dat zij in juli 2013 met [gedaagden] afspraken hebben gemaakt omtrent verlegging van de weg, waardoor deze in meer noordoostelijke richting zou komen te liggen, derhalve op [kadastrale aanduiding 4] . In deze procedure vorderen zij nakoming van die afspraak, te weten [gedaagden] te gebieden de weg (het pad) deels te verleggen, met dien verstande dat de erfdienstbaarheid onder gelijke voorwaarden en bedingen kan worden voortgezet.

3.3

[gedaagden] voeren verweer. Zij stellen dat [eisers] in hun vordering, voor zover die gericht is tegen [gedaagde 1] , niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de percelen [kadastrale aanduiding 2] en [kadastrale aanduiding 4] eigendom zijn van [gedaagde 2] . Daarnaast stellen zij dat aan de genoemde afspraken uitvoering wordt gegeven door het ter beschikking stellen van de onder 2.2 bedoelde route.

4 De beoordeling

4.1

Volgens [eisers] zijn de afspraken met [gedaagden] gemaakt, niet alleen met [gedaagde 2] . Nu het hier (in ieder geval ook) om de feitelijke uitvoering van die afspraken gaat, waartoe naar mag worden aangenomen ook [gedaagde 1] bevoegd moet worden geacht, zijn [eisers] ook in hun vordering tegen [gedaagde 1] ontvankelijk. Of die uitvoering meebrengt dat er ook in juridisch opzicht iets zal moeten veranderen komt zo nodig nog later in deze procedure aan de orde.

4.2

Over de afspraken in 2013 hebben [eisers] ter comparitie het volgende verklaard (de desbetreffende verklaringen zijn in hun aanwezigheid aan de griffier gedicteerd):

Er is in juli 201[3] afspraak gemaakt over de loop van het pad. Namelijk dat dat naast het wandelpad zou komen achter de bomen meteen, zodat ik in de hoek zou uitkomen met de trekker (..) De paaltjes waar gedaagden het over hebben die stonden aanvankelijk bij de bomen. Die zijn vrij kort na die afspraak weggehaald. De paaltjes achter het hekwerk staan er pas heel kort. Die zijn dit jaar neergezet (..)

De paaltjes stonden ongeveer een meter of 7 à 8 van de bomen af en daar moest ik tussen door. Er zou een verharde weg worden aangelegd. Ze zouden een verharde weg met gebroken puin aanleggen naar het land. Er zou weliswaar een kleine kni[k] nog zijn om op de hoekpunten te beginnen maar dat vond ik niet zo een bezwaar.

[gedaagden] hebben daarover het volgende verklaard:

Het klopt dat er in juli 2013 afspraken zijn gemaakt over het nieuwe pad. Het pad zou achter de bomen komen maar dat is een ruim begrip. Kort na die afspraken hebben wij daar paaltjes neergezet om de weg te markeren. De tuin zoals die er nu bij ligt met het grasveld hebben we pas vorig jaar zo ingericht. Ook het hekwerk is er toen neergezet. Naar aanleiding van hetgeen eisers hebben gezegd over de plaatsing van de paaltjes: de paaltjes die er nu staan zijn een paar maanden geleden neergezet achter het hekwerk. Het hekwerk staat er al een jaar. Er hebben inderdaad paaltjes gestaan na de afspraak op kortere afstand van het huis maar niet direct achter de bomen. Ik denk dat ze ongeveer 10 meter van de bomen af stonden.

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank staat hier wel mee vast dat [gedaagden] in 2013 met een verlegging van het pad hebben ingestemd naar een plaats gelegen op ongeveer 9 meter achter de bomenrij en dus anders dan volgens het thans door hen aangeboden parcours langs de hoekpunten van het door hen in 2015/2016 aangelegde hekwerk (dat veel verder van de bomen af ligt).

4.4

De vraag is dan nog of [gedaagden] er volgens die afspraken voor zouden zorgdragen dat een met gebroken puin verharde weg zou worden aangelegd, zoals [eisers] stellen en [gedaagden] gemotiveerd betwisten. [eisers] zullen in de gelegenheid worden gesteld om het bewijs daarvan te leveren.

4.5

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

draagt [eisers] op te bewijzen dat in juli 2013 tussen partijen is afgesproken dat [gedaagden] er voor zouden zorgdragen dat een met gebroken puin verharde weg zou worden aangelegd,

5.2

bepaalt dat, voor zover [eisers] dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. R.J.J. van Acht in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.3

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juni 2016 voor het opgeven door [eisers] van de getuigen en van hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de woensdagen in de maanden september tot en met november 2016, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.4

verwijst voor het geval [eisers] op die roldatum heeft medegedeeld geen getuigenbewijs te willen leveren of geen getuigen of verhinderdata heeft opgegeven de zaak naar de achtste rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor vonnis of – maar alleen indien [eisers] daarom op die roldatum heeft verzochtnaar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van [eisers] , waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren,

5.5

bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

5.6

bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toegezonden moeten hebben,

5.7

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2016.