Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3578

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
01-07-2016
Zaaknummer
282416
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2016:384. Eiseres verwijt gedaagden dat zij centrifugaalpompen of onderdelen daarvan produceren/verhandelen die gelijk of nagenoeg gelijk zijn aan de pompen of onderdelen daarvan die eiseres vroeger door gedaagde sub 1 liet produceren aan de hand van voor dat doel door eiseres ter beschikking gestelde modellen en technische tekeningen. Rechtbank komt niet terug op de in het tussenvonnis aan eiseres gegeven bewijsopdracht met betrekking tot het gebruik en het verhandelen door gedaagden van haar modellen, die een bindende eindbeslissing inhoudt. Eiseres is niet in het bewijs geslaagd. Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/282416 / HA ZA 15-243

Vonnis van 15 juni 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DESMI B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in de hoofdzaak en in het incident,

advocaat mr. R. Wolters te Utrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GIETERIJ NEEDE B.V.,

gevestigd te Neede,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MERCATOR TOTAL CASTING B.V.,

gevestigd te Doetinchem,

gedaagden in de hoofdzaak en in het incident,

advocaat mr. C. Beijer te Utrecht.

Partijen zullen hierna Desmi en Gieterij Neede en Mercator genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 januari 2016

  • -

    de akte bewijslevering van Desmi van 10 februari 2016

  • -

    de antwoordakte van Gieterij Neede en Mercator van 9 maart 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling in het incident en in de hoofdzaak

2.1.

In het tussenvonnis is Desmi opgedragen te bewijzen

  1. dat (en zo ja, welke) modellen van Desmi door Gieterij Neede worden gebruikt bij de productie van de in dat vonnis onder 5.3. vermelde Hewa-pompen, en,

  2. dat Gieterij Neede en/of Mercator de hiervoor vermelde Hewa-pompen verhandelen.

2.2.

Desmi stelt in haar akte dat zij reeds voldoende heeft aangetoond dat

Gieterij Neede gebruik maakt van haar modellen, ook in het licht van het door Gieterij Neede gevoerde verweer. Naar zij stelt, volgt nu reeds uit de feiten dat Gieterij Neede in ieder geval het model van Desmi voor het inlaatstuk (model 02-01) heeft gebruikt. Zij verzoekt de rechtbank daarom terug te komen op de aan haar gegeven bewijsopdracht.

2.3.

De rechtbank heeft met de aan Desmi gegeven bewijsopdracht echter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist en aldus een eindbeslissing gegeven. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van de eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag is hier niet gebleken. De aan Desmi gegeven bewijsopdracht steunt op de overweging dat de door partijen tijdens de comparitie van partijen getoonde pomponderdelen verschillen, maar dat daarmee niet is uitgesloten dat Gieterij Neede voor de productie van haar pompen de oude modellen van Desmi heeft gebruikt nadat zij voor dat doel zijn aangepast (r.ov. 5.11). De stelling dat het om aangepaste modellen gaat baseert Desmi op een onderzoek dat zij naar de pompen heeft gedaan, waarvan de bevindingen in het tussenvonnis zijn opgenomen (r.ov. 5.9). Gieterij Neede heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd (r.ov. 5.10). Voor een aantal gelijkenissen geeft Gieterij Neede een verklaring, en voor het overige wijst zij op een aantal verschillen die, naar zij stelt, bevestigen dat van een gebruik van de modellen van Desmi juist geen sprake is. Met deze stand van zaken heeft de rechtbank geoordeeld dat Desmi het bewijs moet leveren van haar stelling dat Gieterij Neede haar modellen heeft gebruikt. Weliswaar vormen de bewijsmiddelen die Desmi reeds als productie heeft overgelegd daarvoor een aanwijzing, maar het bewijs is daarmee nog niet geleverd. Dat geldt ook voor het model voor het inlaatstuk (02-01). Desmi vindt het wel heel toevallig, en daarmee ongeloofwaardig, dat Gieterij Neede van alle platen waarover zij beschikt juist voor een eigen model voor dit inlaatstuk dezelfde plaat gebruikt als de plaat die zij destijds gebruikte voor het model van Desmi. Gelet op de verschillen tussen de inlaatstukken, waarop Gieterij Neede heeft gewezen, vormt ook deze vaststelling echter niet meer dan een begin van bewijs. Aanvullend bewijs, bijvoorbeeld te leveren door getuigen of een getuige-deskundige, is nodig. De rechtbank blijft dan ook bij haar eerdere beslissing.

2.4.

Het enige dat Desmi nu nog als bewijs heeft overgelegd zijn twee foto’s van een door Gieterij Neede gegoten waaier waarin, naar Desmi stelt, een modelnummer is gegoten dat overeenkomt met het nummer van haar eigen model. Op de foto’s is echter geen (voldoende) zichtbaar modelnummer te zien zodat het gebruik van het model voor deze waaier hieruit niet volgt. Desmi heeft aangeboden om de (gefotografeerde) waaier aan te bieden voor een depot ter griffie maar daarvoor bestaat nu, na bewijslevering, geen mogelijkheid meer.

2.5.

Daarnaast wil Desmi, zoals zij in haar akte aangeeft, het aan haar opgedragen bewijs leveren door een door de rechtbank te bevelen deskundigenbericht. Met deze wens miskent Desmi dat een bevel tot een deskundigenbericht niet past in een bewijslevering. Dit laat overigens de mogelijkheid onverlet dat Desmi zelf een deskundigenbericht zou hebben ingewonnen en dit in het kader van haar bewijslevering zou hebben overgelegd. Dat heeft zij niet gedaan.

2.6.

De slotsom is dat Desmi het bewijs van het gebruik van haar modellen niet heeft geleverd. Haar bevindingen – die in het tussenvonnis in r.ov. 5.9 zijn weergegeven – zijn een begin van bewijs. Aanvullend bewijs is niet geleverd. Dit leidt ertoe dat het gebruik van de modellen niet is komen vast te staan. Van een daarmee verband houdende toerekenbare tekortkoming of van een onrechtmatig handelen is dan ook geen sprake. Hetzelfde geldt dan tevens voor het aansluitend verhandelen van de pompen zodat ook de daarop gerichte vorderingen jegens Gieterij Neede en Mercator worden afgewezen. Het voorgaande leidt ertoe dat ook de incidentele vorderingen moeten worden afgewezen.

2.7.

Desmi zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in de hoofdzaak en in het incident. In de hoofdzaak worden de kosten aan de zijde van Gieterij Neede en Mercator begroot op € 1.909,00 voor het griffierecht en

€ 1.103,00 (2,5 punt x tarief II) in verband met het salaris van de advocaat. In het incident worden de kosten aan de zijde van Gieterij Neede en Mercator begroot op nihil, nu in het incident geen proceshandelingen zijn verricht die van de hoofdzaak kunnen worden onderscheiden.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt Desmi in de kosten van de procedure, aan de zijde van Gieterij Neede en Mercator begroot op nihil,

In de hoofdzaak

3.3.

wijst de vorderingen af,

3.4.

veroordeelt Desmi in de kosten van de procedure, aan de zijde van Gieterij Neede en Mercator begroot op € 3.039,00,

3.5.

verklaart het onder 3.4. bepaalde uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, mr. N.W. Huijgen en mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2016