Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3576

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
01-07-2016
Zaaknummer
298390
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot zekerheidstelling proceskosten (artikel 224 Rv). Toewijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/298390 / HA ZA 16-91

Vonnis in incident van 22 juni 2016

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van de Volksrepubliek China

[eiseres] ,

gevestigd te [plaats] (Volksrepubliek China),

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. W.H.M. van Gellecum te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PATTON B.V.,

gevestigd te Waalwijk,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. B.M.M. Hepkema te Maastricht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Patton worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie tevens incident tot zekerheidstelling proceskosten en schadevergoeding;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald in het incident.

2 De vordering in het incident

2.1.

[eiseres] vordert in de hoofdzaak, verkort weergegeven, primair de veroordeling van Patton tot nakoming van een tussen partijen gesloten overeenkomst door betaling van € 66.000,- ter zake van facturen, subsidiair de ontbinding van die overeenkomst en de veroordeling van Patton tot vergoeding van € 76.347,00 voor kosten van opslag en voorts € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten, alles te vermeerderen met rente en kosten.

2.2.

Patton concludeert in conventie tot afwijzing van de vorderingen en vordert in reconventie, behalve verklaringen van recht, de veroordeling van [eiseres] tot terugbetaling van een aanbetaald bedrag en tot vergoeding van schade, bestaande uit € 116.987,21 aan gederfde winst en primair € 88.145,11, subsidiair € 39.980,00 ter zake van opslagkosten, te vermeerderen met rente en proceskosten waaronder kosten van door haar gelegde beslagen.

2.3.

In het incident vordert Patton dat de rechtbank [eiseres] veroordeelt tot het stellen van zekerheid voor een bedrag van in totaal € 219.002,67 door middel van een onherroepelijke afroepgarantie van een gerenommeerde Nederlandse bank op de gebruikelijke garantievoorwaarden binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, op straffe van een dwangsom van € 75.000,00 te vermeerderen met € 2.500,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt en met een maximum van € 150.000,00, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het incident.

2.4.

Als toelichting op deze incidentele vordering voert Patton met een beroep op artikel 224 Rv aan dat zij zich geconfronteerd ziet met een eisende partij die haar (gewone) statutaire verblijfplaats in China heeft. Het bedrag waarvoor zij zekerheid verlangt, is het totaal van proceskosten inclusief beslagkosten en de bedragen die zij in reconventie als schadevergoeding vordert.

3 De beoordeling in het incident

3.1.

In de onderhavige zaak met internationale aspecten heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van de artikelen 1 en 2 Rv, omdat de gedaagde partij, Patton, gevestigd is te Waalwijk in Nederland.

3.2.

[eiseres] betwist niet dat zij op grond van artikel 224 Rv gehouden is zekerheid te stellen voor proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank is zij daartoe gehouden op grond van het eerste lid van dat artikel. De uitzonderingen van het tweede lid doen zich niet voor.

3.3.

Patton verlangt zekerheidstelling voor proceskosten tot een bedrag van € 13.870,35. Zij licht dat bedrag als volgt toe. Zij verwacht een regulier procesverloop en stelt de proceskosten daarom vast, uitgaande van het liquidatietarief, op vijf punten conform tarief VI, derhalve op € 10.000,00 in totaal. Patton heeft voorts € 1.929,00 aan griffierecht betaald en € 1.941,35 aan beslagkosten gemaakt.

3.4.

[eiseres] berekent het bedrag waarvoor Patton zekerheid voor proceskosten kan verlangen op € 5.929,00, dat is het totaal van € 1.929,00 aan griffierecht en € 4.000,- conform het liquidatietarief. Voor het stellen van zekerheid voor proceskosten tot een hoger bedrag is volgens haar geen grond.

3.5.

De rechtbank zal in aansluiting op de stelling van Patton oordelen op basis van de verwachting van een regulier procesverloop. Dat houdt in dat valt te verwachten dat er zal worden geconcludeerd van antwoord en dat een comparitie zal plaatsvinden. Dat levert twee punten op conform het liquidatietarief. Aangezien de vordering die [eiseres] instelt in tariefgroep IV valt (dus niet in tariefgroep VI, waarvan beide partijen uitgaan), zal de rechtbank [eiseres] veroordelen zekerheid te stellen tot een bedrag van € 1.788,00 ter zake van salaris voor de advocaat. Ook voor de mogelijke vergoeding van het verschuldigde griffierecht van € 1.929,00 zal [eiseres] zekerheid moeten stellen. Voor de beslagkosten die Patton stelt in 2015 te hebben gemaakt, behoeft [eiseres] geen zekerheid te stellen. Zou de vordering die [eiseres] heeft ingesteld immers worden afgewezen, dan zou dat niet leiden tot veroordeling van haar in de beslagkosten van Patton. [eiseres] zal derhalve zekerheid moeten stellen voor proceskosten tot een bedrag van € 3.717,00 (€ 1.788,00 + € 1.929,00).

3.6.

[eiseres] betwist dat zij op grond van artikel 224 Rv gehouden is zekerheid te stellen voor de schadevergoeding waartoe zij veroordeeld kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank is zij daartoe inderdaad niet gehouden. Als al aan de woorden ‘en de schadevergoeding’ in het eerste lid van genoemd artikel enige betekenis moet worden toegekend, zien zij niet op schade waarvan in reconventie vergoeding wordt gevorderd (Hoge Raad 30 april 1925, NJ 1925 p. 665).

3.7.

De zekerheid zal moeten worden gesteld in de vorm van een bankgarantie van een Nederlandse bank als gevorderd. Omdat [eiseres] in China is gevestigd, heeft zij de rechtbank verzocht de termijn voor het stellen van zekerheid te stellen op vier weken. De rechtbank acht een termijn van vier weken redelijk en zal [eiseres] derhalve veroordelen zekerheid binnen die termijn te stellen. De vordering om aan deze veroordeling dwangsommen te verbinden, zal worden afgewezen. Als [eiseres] niet of niet tijdig zekerheid stelt, is de sanctie dat zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

3.8.

Omdat de partijen in het incident over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, worden de proceskosten in het incident gecompenseerd.

4 De beoordeling in de hoofdzaak

4.1.

In de hoofdzaak zal een comparitie worden bepaald om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. De partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld daarvoor hun verhinderdata op te geven. De zaak zal daarvoor worden verwezen naar de rol.

4.2.

[eiseres] heeft de gelegenheid de conclusie van antwoord in reconventie ter comparitie te nemen. Zij moet een schriftelijke conclusie uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie toezenden. Na de comparitie kan deze conclusie niet meer worden genomen.

4.3.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

4.4.

De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

4.5.

In beginsel wordt ter comparitie aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.

4.6.

Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

veroordeelt [eiseres] om zekerheid te stellen voor de proceskosten voor een bedrag van in totaal € 3.717,00 door middel van een onherroepelijke afroepgarantie van een gerenommeerde Nederlandse bank op de gebruikelijke garantievoorwaarden binnen vier weken na heden;

5.2.

compenseert de proceskosten zo dat beide partijen de eigen kosten dragen;

5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak

5.4.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. J.R. Veerman in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.5.

bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

5.6.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 6 juli 2016 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de vrijdagen in de maanden augustus tot en met oktober, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

5.7.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

5.8.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

5.9.

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2016.