Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3530

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
05/881526-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:63, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft twee mannen van 28 en 29 jaar uit Moldavië veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 en 15 jaar. Op 31 mei 2016 is een derde Moldavische man in Moldavië veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar. De mannen werden ervan verdacht een overval te hebben gepleegd in een woning in Winterswijk waarbij de bewoner om het leven was gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/881526-14

Datum uitspraak : 28 juni 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats]

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Ooyerhoekseweg - Zutphen te Zutphen.

Raadsvrouw: mr. D Greven, advocaat te Enschede.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 18 april 2016 en 14 juni 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 14 juni 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 juli 2014, te Winterswijk, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven

heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer 1] tegen de mond en/of kin en/of hals

en/of mondbodem geslagen en/of geschopt en/of de mond en/of neus van die [slachtoffer 1]

heeft/hebben afgesloten (door mond en/of neus af te tapen/dicht te tapen),

waardoor de ademhaling werd belet of belemmerd,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 2 juli 2014, te Winterswijk, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers

heeft hij verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] vastgepakt en/of

vastgetaped (ook over neus en/of mond) en/of vastgebonden en/of geslagen en/of

geschopt, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

art 282 lid 3 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 2 juli 2014, te Winterswijk,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas

(Mountain Peak) en/of een bankpas en/of een mobiele telefoon en/of (met de

bankpas gepinde) 250 Euro, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan naam [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk

te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan

zijn/haar mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond dreigend vragen naar

sieraden en/of een bankpas en/of een pincode en/of uit het vastbinden en/of

(vast)tapen aan een stoel van die [slachtoffer 2] en/of

uit het slaan en/of stompen en/of schoppen van die [slachtoffer 1] en/of het

(vast)tapen van de handen en/of de voeten en/of uit het (dicht)tapen van de

mond en/of neus van die [slachtoffer 1] , waardoor de ademhaling werd belet of

belemmerd, terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft

gehad.

art 312 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt ten aanzien van feit 1, de doodslag, het volgende vastgesteld.

Op 2 juli 2014 fietsten verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] door Winterswijk. Hun aandacht werd getrokken door een huis. Verdachte stelde voor in de achtertuin te gaan kijken of er iets te halen was. Ze zijn later die dag, zoals onderling afgesproken, teruggegaan naar het huis. Ze hadden toen een rugzak bij zich met daarin twee rollen tape en handschoenen. Vanuit de bosjes hebben ze het huis geobserveerd. De algemene indruk was dat er niemand was. Daarna zijn ze over/door een geïmproviseerde heg van struiken gegaan en kwamen ze op het erf van het huis. Daar hebben ze zich opnieuw verstopt in de buurt van een stapel hout. Ze hebben hun gezicht bedekt met T-shirts en [medeverdachte 2] en verdachte hebben handschoenen aangedaan. De rollen tape bleven in de rugzak zitten. Zo besloten ze om naar binnen te gaan. Onverwacht verscheen er toen een lange man vanachter de stapel hout. De man pakte verdachte vast en er werd een beetje gevochten. Verdachte probeerde zich los te trekken maar dat lukte niet. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben de man op de grond gegooid, terwijl de man verdachte bleef vasthouden. Ze hebben de man toen op zijn buik gedraaid. [medeverdachte 1] heeft onmiddellijk tape uit de rugzak gepakt. Terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de man vasthielden, heeft verdachte de handen van de man op zijn rug vastgebonden met tape. Ook zijn benen heeft hij vastgebonden. Daarna heeft hij de man op zijn rug gedraaid en afgedekt met een kleed. Op een later moment heeft verdachte ook de mond van [slachtoffer 1] afgetapet.2

Uit de stukken komt verder naar voren dat de politie op 2 juli 2014 omstreeks 20.45 uur de melding heeft ontvangen dat aan de [adres 2] te Winterswijk een overval zou hebben plaatsgevonden.3 Ter plaatse hebben verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de bedrijfsruimtes doorzocht. Toen zij bij de bedrijfsauto’s wilden gaan kijken, zag [verbalisant 2] tussen een houthok en een stelling met steigerbuizen een zeil dat daar niet hoorde te liggen. Verbalisant heeft het zeil weggetrokken en zag een man op de grond liggen. [verbalisant 2] herkende de man als zijnde zijn broer.4 [slachtoffer 1] was overleden.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de doodslag en de diefstal met geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , terwijl dit feit voor [slachtoffer 1] de dood ten gevolge heeft gehad.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor de doodslag. Zij heeft hiertoe betoogd dat verdachte en de medeverdachten nooit van plan zijn geweest om iemand om te brengen. Op basis van de bewijsmiddelen kan ook niet overtuigend worden geconcludeerd dat verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden. De raadsvrouw acht in dit verband van belang dat het ambtsedig proces-verbaal gelet op de overige bewijsmiddelen niet overtuigend genoeg is om ervan uit te gaan dat de mond èn neus van [slachtoffer 1] waren afgeplakt. Volgens de raadsvrouw kan medisch niet worden uitgesloten dat iemand overlijdt door het afplakken van de mond, maar levert dit geen aanmerkelijke kans op het overlijden op. De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten 1 subsidiair (wederrechtelijke vrijheidsberoving) en de diefstal met geweld betoogd dat deze kunnen worden bewezen, behoudens het element van het overlijden van [slachtoffer 1] .

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1, de doodslag

Op het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] is sectie verricht. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft patholoog [naam 1] geconcludeerd dat het overlijden kan worden verklaard door verstikking ten gevolge van inwerking van stomp geweld aan de mond en/of kin en/of hals en/of mondbodem. Indien tape de mond heeft afgesloten (al dan niet in combinatie met afsluiting van de neus) dan kan het overlijden eveneens worden verklaard door belemmering van de ademweg door de aanwezige tape. Ook kan de combinatie van deze twee mogelijke doodsoorzaken het overlijden verklaren.6

[naam 1] heeft bij de rechter-commissaris een nadere toelichting gegeven. Over stomp geweld dat de dood kan veroorzaken heeft zij verklaard dat als op de mond wordt gedrukt en daardoor de ademweg wordt dichtgedrukt, de luchtweg kan worden belemmerd wat kan leiden tot een verminderde zuurstof naar de longen met verstikking als gevolg. Dit kan ook gebeuren bij drukken op de hals en kin, waarbij zij met de kin bedoelt het hele gebied inclusief de onderzijde van de kin (overgang naar de hals). Van belang daarbij is of het drukkende geweld langer is geweest dan een korte stomp. Bij een kort contactmoment zal volgens [naam 1] doorgaans geen verstikking optreden. [naam 1] heeft verder verklaard dat in de hals twee belangrijke structuren zijn: de luchtpijp en de halsslagaders. Als hoog aan de hals aan beide zijden van de luchtpijp beide halsslagaders worden afgeknepen, kan al na meerdere seconden bewusteloosheid optreden. Dat gebeurt niet na een kort contactmoment. De luchtpijp kan daarbij ook afgedrukt worden en dat kan verstikking geven.

Ten aanzien van de tweede mogelijke doodsoorzaak heeft [naam 1] verklaard dat als aan de buitenkant van het gelaat de neus en de mond worden afgesloten (los van het eventueel samendrukkend geweld op de halsslagaders), ook geen zuurstof het lichaam kan binnenkomen, waardoor verstikking kan optreden. Dat moet dan wel een tijdje duren. Volgens [naam 1] is het mogelijk dat bij alleen afsluiten van de mond terwijl de neus niet wordt afgedekt, er toch verstikking optreedt, doordat zich een reactie vormt en zich daardoor slijm in de neus vormt waardoor belemmering van de doorgang in de neus optreedt.7

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de man hebben vastgehouden en dat hij de handen van de man op diens rug heeft vastgebonden en ook zijn benen heeft vastgebonden. Volgens verdachte werd de man toen rustiger/relaxed. Verdachte en de medeverdachten dachten dat er misschien iets met de man was gebeurd. De kleur van zijn gezicht was veranderd - zijn gezicht was roder dan daarvoor - en de man had in zijn broek geplast. Verdachte heeft de man toen op zijn rug gedraaid. [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] hebben gekeken of de man nog ademde en of hij nog een pols had. Eén van hen zei dat de man nog ademde. Ze hebben de man afgedekt met een zeil en hem verplaatst. Toen ze naar het huis toegingen, ademde de man moeilijk. Later is verdachte naar buiten gegaan om te kijken of er niemand aankwam. [medeverdachte 1] was op dat moment naar de bank om geld te pinnen en [medeverdachte 2] bleef bij de vrouw in de woning. Verdachte is toen naar de man gegaan, die nog in dezelfde houding lag. De kleur van zijn hoofd was meer blauw. Volgens verdachte heeft hij op dat moment tape op de mond van de man gedaan.8 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet wisten dat hij de mond van [slachtoffer 1] had getapet.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] bewoog en tekenen van leven vertoonde toen ze bij hem weggingen richting het huis (p. 369).

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] onder meer verwondingen in zijn gezicht had, waarvan niet kan worden vastgesteld hoe deze zijn ontstaan. Uit de verklaringen van verdachte en van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kan worden afgeleid dat er is gevochten, maar wordt niet duidelijk waaruit de handelingen tijdens het gevecht hebben bestaan. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de verwondingen bij [slachtoffer 1] heeft gezien en dat deze mogelijk zijn ontstaan bij de worsteling en/of toen [slachtoffer 1] op de grond viel en/of toen hij is verplaatst. De verklaringen van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bieden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun voor de conclusie dat [slachtoffer 1] zou zijn overleden als gevolg van verstikking door inwerking van stomp geweld tijdens het gevecht. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 1] dus moet zijn overleden als gevolg van het feit dat zijn mond was dicht getapet. Zij overweegt in dit verband dat verdachte heeft verklaard dat hij later alleen is teruggegaan naar [slachtoffer 1] en alleen de mond, niet de neus, van [slachtoffer 1] heeft afgeplakt. Zijn verklaring vindt in zoverre steun in de verklaring van [verbalisant 2] , dat ook hij heeft verklaard dat de tape niet op de neus van [slachtoffer 1] was aangebracht, maar wel hoog zat en tot aan de neus kwam9. De rechtbank heeft gelet hierop geen reden om te twijfelen aan verdachtes verklaring.

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of met het dicht tapen van de mond van [slachtoffer 1] de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] hierdoor zou overlijden en of verdachte die kans ook voor lief heeft genomen.

De rechtbank beantwoordt die vragen bevestigend. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer 1] , nadat hij naar de grond was gewerkt, in zijn broek had geplast en dat zijn gezicht roder was dan daarvoor. Ook heeft verdachte verklaard dat hij moeilijk ademde toen ze bij hem weggingen. Uit deze omstandigheden had verdachte moeten afleiden dat het reeds op dat moment -voorzichtig uitgedrukt- niet goed ging met [slachtoffer 1] . Toen verdachte naar [slachtoffer 1] terugging, zag hij dat het gezicht van [slachtoffer 1] inmiddels blauw was geworden. Dit heeft verdachte er echter niet van weerhouden de mond van [slachtoffer 1] met tape dicht te plakken. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder die omstandigheden worden gezegd dat verdachte had kunnen en moeten weten dat het dicht tapen van de mond van [slachtoffer 1] zou leiden tot (nog meer) zuurstofgebrek en met een grote mate van waarschijnlijkheid zou kunnen leiden tot diens dood. Dit geldt te meer nu [slachtoffer 1] met een zeil/kleed was afgedekt. Door desondanks de mond dicht te tapen heeft hij bewust die aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] door zijn handelen zou komen te overlijden.


Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de primair ten laste gelegde doodslag bewezen.

Feit 2

Ten aanzien van feit 2 is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3]10;

- de verklaring van [slachtoffer 2]11;

- de verklaring van [medeverdachte 1]12;

- de conclusie van het pathologisch onderzoek13;

- de verklaring van [naam 1]14;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 juni 2016 en bij de politie15.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 02 juli 2014, te Winterswijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer 1] tegen de mond en/of kin en/of hals en/of mondbodem geslagen en/of geschopt en/of de mond en/of neus van die [slachtoffer 1] heeft/hebben afgesloten (door de mond en/of neus af te tapen/dicht te tapen), waardoor de ademhaling werd belet of belemmerd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 2 juli 2014, te Winterswijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas (Mountain Peak) en/of een bankpas en/of een mobiele telefoon en/of (met de bankpas gepinde) 250 Euro, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan naam [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn/haar mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond uit dreigend vragen naar sieraden en/of een bankpas en/of een pincode en/of uit het vastbinden en/of (vast)tapen aan een stoel van die [slachtoffer 2] en/of uit het slaan en/of stompen en/of schoppen van die [slachtoffer 1] en/of het (vast)tapen van de handen en/of de voeten en/of uit het (dicht)tapen van de mond en/of neus van die [slachtoffer 1] , waardoor de ademhaling werd belet of belemmerd, terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

Doodslag;

Feit 2:

Het medeplegen van diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar met aftrek van het voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat sprake is van eendaadse samenloop. Voor de strafoplegging moet daarom worden gekeken naar feit 2. Uit jurisprudentie komt naar voren dat doorgaans een gevangenisstraf van 8 jaar wordt opgelegd, wanneer sprake is van een diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend. De raadsvrouw heeft verder verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In dit verband heeft zij naar voren gebracht dat verdachte een first offender is die van plan was een inbraak te plegen omdat hij en zijn vrienden geen werk konden vinden en steeds wanhopiger werden toen ze zonder geld kwamen te zitten. De raadsvrouw heeft ook naar voren gebracht dat verdachte als vreemdeling niet in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling en dat de mogelijkheid van een strafonderbreking zo goed als nihil is gelet op schadevergoedingsmaatregel die hem vermoedelijk zal worden opgelegd en waaraan hij dan niet zal kunnen voldoen. Ten slotte heeft de raadsvrouw verzocht ook de tijd die verdachte in overleveringsdetentie heeft gezeten op de op te leggen gevangenisstraf in mindering te brengen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 2 mei 2016;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland van 14 april 2016.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het doden van [slachtoffer 1] in het verband van een woningoverval. Hij heeft daarbij puur uit financieel gewin gehandeld. Verdachte en de medeverdachten zijn naar de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gegaan met het doel te kijken of ze geld en/of goederen konden ontvreemden. Toen ze ter plaatse door [slachtoffer 1] werden overlopen hebben ze [slachtoffer 1] met geweld naar de grond gebracht en hem getapet aan handen en voeten. Ze hebben hem weerloos en bedekt door een kleed of zeil achtergelaten. Ze hebben zich geen moment om de gezondheidssituatie van [slachtoffer 1] te bekommerd. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan te meer nog nu hij had gezien dat [slachtoffer 1] wondjes in zijn gezicht had, hij in zijn broek had geplast, zijn gezicht roder, zelfs blauwer was dan daarvoor en hij moeilijk ademde. Verdachte en de medeverdachten zijn vervolgens de woning binnen gegaan en hebben, [slachtoffer 2] vast getapet aan een stoel en tape op haar mond en ogen gedaan. Toen een van de medeverdachten met de pinpas van [slachtoffer 2] naar een bank was om geld te gaan pinnen, is verdachte terug naar [slachtoffer 1] gegaan. Hij heeft tape gedaan op de mond van [slachtoffer 1] , zodat [slachtoffer 1] niet om hulp zou kunnen schreeuwen. Ten gevolge van de tape op de mond is [slachtoffer 1] door een gebrek aan zuurstof overleden. Verdachte heeft daarmee [slachtoffer 1] zijn meest kostbare bezit, zijn leven, ontnomen. Ook heeft verdachte [slachtoffer 2] haar levenspartner en de kinderen hun vader ontnomen en hebben verdachte en medeverdachten ook [slachtoffer 2] zelf een traumatische ervaring bezorgd door haar in haar woning te overvallen en haar aan een stoel vast te tapen. Gedurende ruim een half uur heeft zij angst moeten uitstaan over wat haar zou worden aangedaan. Verdachte heeft door zijn handelen onuitsprekelijk en onherstelbaar leed veroorzaakt voor [slachtoffer 2] , haar gezin en andere nabestaanden. Hoe groot de impact van zijn handelen is geweest en nog is, hebben [slachtoffer 2] , [naam 2] (zoon) en [verbalisant 2] (broer) ter terechtzitting van 14 juni 2016 in emotionele en roerende slachtofferverklaringen verwoord.

Een incident als het onderhavige is een bijzonder ernstig geweldsdelict dat een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt en dat leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Op een levensdelict als het onderhavige kan slechts worden gereageerd door middel van oplegging van een zeer langdurige gevangenisstraf. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 15 jaar passend en geboden.

Dat verdachte als illegale vreemdeling geen recht heeft op voorwaardelijke invrijheidstelling, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, komt voor rekening van verdachte. De wetgever heeft de voorwaardelijke invrijheidstelling in het leven geroepen als instrument voor een gecontroleerde terugkeer in de samenleving. Het doel van de voorwaardelijke invrijheidstelling is de maatschappelijke veiligheid te vergroten door het recidiverisico te verkleiner door veroordeelden langer onder justitieel toezicht te houden. In het geval van vreemdelingen die niet legaal in Nederland verblijven is een gecontroleerde terugkeer in de samenleving niet aan de orde.

De stelling van de raadsvrouw dat sprake is van eendaadse samenloop volgt de rechtbank niet. Verdachte had immers nadat hij was overlopen door [slachtoffer 1] kunnen besluiten af te zien van de overval op de woning en weg kunnen gaan. In plaats daarvan is hij de woning ingegaan en zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Verder is hij tijdens de overval teruggegaan naar [slachtoffer 1] om diens mond te tapen, waardoor de dood van [slachtoffer 1] is gevolgd.

8. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van:

  • -

    € 459,18 voor materiële schade;

  • -

    € 12.500,- voor immateriële schade;

  • -

    € 11.326,62 voor nabestaandenschade in verband met het overlijden en de uitvaart van [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gehele vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de uitvaartkosten en de materiële schade geen verweer gevoerd. Met betrekking tot de immateriële schade heeft zij betoogd dat shockschade niet eenvoudig is vast te stellen. Het overlijden van [slachtoffer 1] moet juridisch gezien worden losgekoppeld van hetgeen [slachtoffer 2] zelf tijdens de overval heeft meegemaakt. De raadsvrouw heeft verzocht het bedrag voor immateriële schade te matigen en aansluiting te zoeken bij jurisprudentie ten aanzien van een woningoverval.

Beoordeling door de rechtbank

Nabestaandenschade

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 11.326,62 schade heeft geleden als gevolg van het overlijden en de uitvaart van [slachtoffer 1] , waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering waartegen in zoverre geen verweer is gevoerd, is voor toewijzing vatbaar.

Materiële en immateriële schade

De gemachtigde van [slachtoffer 2] heeft ter terechtzitting meegedeeld dat de vordering voor immateriële schade niet ziet op shock- en/of affectieschade. Het verweer van de raadsvrouw dat shockschade niet eenvoudig is vast te stellen, kan daarom onbesproken blijven.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering voor zover dit betreft de materiële schade (€ 459,18) volledig toewijzen nu de vordering is onderbouwd en geen verweer is gevoerd. Ten aanzien van de immateriële schade, die alleen betrekking heeft op wat [slachtoffer 2] zelf is overkomen, zal de rechtbank een bedrag van € 7.500,- toewijzen. De vordering zal gelet op het voorgaande tot een bedrag van € 7.959,18 worden toegewezen.

Verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk hiervoor aansprakelijk.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij. De rechtbank ziet geen aanleiding af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 57, 287, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 11.326,62 voor de kosten in verband met nabestaandenschade, en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 7.959,18, te weten € 459,18 voor materiële kosten en € 7.500,- voor immateriële kosten, en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag van € 7.959,18 is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 19.285,80 (€ 11.326,62 +
    € 7.959,18), met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 131 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. Gielissen (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. S.A. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juni 2016.

Mr. Goossens en mr. Van Hoof zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/881526-14

Uitspraak d.d.: 28 juni 2016

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van 28 juni 2016.

Tegenwoordig:

mr. Gielissen , rechter,

mr. , officier van justitie,

en Jansen , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte,

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats]

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Ooyerhoekseweg - Zutphen te Zutphen,

is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Ter terechtzitting van 14 juni 2016 heeft verdachte aangegeven dat hij wel bij de uitspraak aanwezig wil zijn.

De tolk, mevrouw [naam 3] (nr. 4936) is wel/niet verschenen.

De raadsvrouw, mr. D. Greven, is wel / niet verschenen.

Verder zijn nabestaanden van [slachtoffer 1] verschenen.

De rechter spreekt het vonnis uit

en wijst verdachte op de mogelijkheid om binnen veertien dagen na heden hoger beroep tegen dit vonnis in te stellen.

Waarvan proces-verbaal,

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2014089884, gesloten op 8 februari 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 juni 2016.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 450.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 488.

5 Proces-verbaal, sporenonderzoek, p. 1412.

6 NFI-rapport, Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, p. 1578.

7 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van [naam 1] , gedateerd 26 mei 2016.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 172, 189-191.

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 4] , ongenummerd.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 450-452.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 457-458.

12 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 103-104.

13 NFI-rapport, Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, p. 1578.

14 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van [naam 1] , gedateerd 26 mei 2016.

15 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 juni 2016 en
Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 171-172.