Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3365

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-05-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
05/841043-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland veroordeelt drie mannen uit Sliedrecht en Dordrecht voor de poging tot diefstal van hennep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/841043-15

Datum uitspraak : 27 mei 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats]

Raadsvrouw: mr. R. van den Hemel, advocaat te Dordrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 13 mei 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 03 februari 2015 te Tiel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres 2] ) weg te nemen een (grote) hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, geheel of ten dele

toebehorende aan onbekend gebleven persoon of personen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voormeld bedrijfspand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen hennep onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of inklimming, een toegangsdeur van/tot voormeld bedrijfspand met een koevoet, althans een soorgelijk breekvoorwerp heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 21 e.v.;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 mei 2016.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 03 februari 2015 te Tiel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres 2] ) weg te nemen een (grote) hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, geheel of ten dele

toebehorende aan onbekend gebleven persoon of personen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voormeld bedrijfspand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen hennep onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of inklimming, een toegangsdeur van/tot voormeld bedrijfspand met een koevoet, althans een soortgelijk breekvoorwerp heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarnaast verzocht om het in beslaggenomen inbraakwerktuig, het kogelwerend vest, te onttrekken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een werkstraf op te leggen en wijst op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In die periode zat verdachte in een lastige periode en hij heeft zijn fout nu ingezien. In haar rapportage over verdachte is de reclassering ook positief over verdachte.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 18 maart 2016;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 4 mei 2016.

Verdachte en zijn mededader hebben geprobeerd uit een bedrijfspand een grote hoeveelheid hennep te stelen. De impact en de schade die dit heeft opgeleverd voor de eigenaar van het bedrijfspand is groot. Ook zouden de gevolgen groot kunnen zijn geweest indien de daadwerkelijke eigenaar of eigenaren van de hennepkwekerij verdachten op heterdaad hadden betrapt (verdachte had ook een kogelvrijvest aan onder zijn kleding). Bovendien wakkeren dit soort inbraken drugsgerelateerde criminaliteit alleen maar aan. De rechtbank acht een dergelijke inbraak dan ook ernstiger dan een normale bedrijfsinbraak. Een dergelijk feit rechtvaardigt dan ook een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank houdt echter ten gunste van verdachte rekening met het volgende.

Uit het hiervoor genoemde rapport van de reclassering volgt dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit financiële problemen had, nu hij een tekort aan inkomsten had en een aantal schulden. Verdachte heeft thans zijn financiën op orde en heeft zijn schulden voldaan. Verdachte heeft nu weer een baan en kan daar goed van rondkomen. Dit werk geeft hem ook stabiliteit. Verdachte is gestopt met het gebruik van harddrugs. De reclassering schat het recidiverisico als gemiddeld in. Er zijn geen leefgebieden waarop er reclasseringsinterventie ingezet dient te worden.

Daarnaast volgt uit het algemeen documentatieregister van verdachte dat hij in 2002 voor het laatst is veroordeeld door de politierechter.

Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank dan ook een werkstraf voor de duur van honderdtwintig uur opleggen met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week opleggen met een proeftijd van twee jaren. De voorwaardelijke straf dient ertoe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, met betrekking tot welk het bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1747,78.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot betaling van het bedrag van € 1747,78 toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Onduidelijk is of de schade veroorzaakt is door verdachte en de mededader en het onderzoek daartoe zou een onevenredige belasting voor het strafproces zijn. Daarnaast wijst de raadsvrouw erop dat de vordering door [benadeelde] is gedaan en niet door het bedrijf dat eigenaar is van de loods. De factuur die bijgevoegd is, roept tenslotte vragen op.

De beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn vordering, nu deze is gedaan door [benadeelde] zelf, terwijl het feit begaan is tegen het bedrijf dat in eigendom is bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Nader onderzoek naar de vordering zou een onevenredige belasting van het strafproces zijn. De benadeelde partij kan derhalve zijn vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36b, 36c, 36d, 45, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een zwart kogelwerend vest;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.L.F. Prisse (voorzitter), mr. W.J. Vierveijzer en mr. G.M.L. Tomassen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Wessels-Harmsen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 mei 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015058943, gesloten op 8 oktober 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld