Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:3349

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
05/840457-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een voormalige inwoner van de gemeente Heerde is voor het bezit van een aantal wapens en een hoeveelheid drugs veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De wapens en drugs zijn tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte aangetroffen.

De verdachte is voor drie andere feiten vrijgesproken. Daarom heeft de rechtbank een lagere straf opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. De officier van justitie had haar eis gebaseerd op de bewezenverklaring van alle feiten.

De door de raadvrouw gevoerde verweren dat er onrechtmatig in een loods is binnengetreden en op een later moment ook de woning van verdachte, zijn door de rechtbank verworpen, evenals beroep op overmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840457-15

Datum uitspraak : 20 juni 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende [adres 1] , [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 juli 2015, 16 november 2015 en 6 juni 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging ter terechtzitting van 6 juni 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 januari 2015 te Heerde tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan de [adres 2] , loods 11) 1450 pillen/tabletten (XTC), althans een (zeer groot) aantal pillen/tabletten (XTC), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of MDE, zijnde MDA en/of MDMA en/of MDE een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 22 januari 2015 te Heerde tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2710 gram, in elk geval een (zeer grote) hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 2710 gram hennep, althans meer dan 500 gram hennep en/of delen daarvan);

3.

hij op of omstreeks 22 januari 2015 te Heerde, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, munitie (479 stuks) van categorie III, te weten een groot aantal scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 03 februari 2015 te Heerde één of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen Nagant model Army 1895 (revolver), en/of bijbehorende munitie van categorie III, te weten een aantal scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 03 februari 2015 te Heerde één of meerdere wapen(s) van

categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische

stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden

toegebracht, voorhanden heeft gehad;

6.

hij op of omstreeks 03 februari 2015 te Heerde tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid

en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad

(in een pand aan [adres 3] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer

1360 gram hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid

van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid

meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid

van een middel (te weten 1360 gram hennep, althans meer dan 500 gram hennep);

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

Bij de politie zijn twee anonieme meldingen binnengekomen dat [betrokkene] , eigenaar van [bedrijf] aan de [adres 2] in Heerde, units zou verhuren en dat in die units, zonder dat daartoe vergunningen waren verleend, werkzaamheden zouden worden verricht waarbij de milieueisen niet worden nageleefd. Mogelijk zou er in één van de loodsen een hennepplantage aanwezig zijn. De politie heeft vervolgens onderzoek gedaan. Er is een warmtemeting uitgevoerd, waaruit naar voren dat op een van de loodsen een opvallend hoge temperatuur werd gemeten. Op 22 januari 2014 is de politie op het adres [adres 2] in Heerde verscheidene loodsen binnengetreden. In loods nummer 11 zijn hennep, munitie en XTC-pillen aangetroffen.

Omdat [betrokkene] aangaf dat niet alleen de huurder van loods 11 maar ook een andere persoon wel eens de huur van de loods betaalde, is mede op basis van het door [betrokkene] opgegeven signalement nader onderzoek naar die persoon gedaan waarbij verdachte in beeld is gekomen. Op 3 februari 2015 is verdachte in zijn woning aangehouden. Tijdens de doorzoeking zijn wapens en drugs aangetroffen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

Met een toelichting als vermeld in de pleitnotitie heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er voor de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten vrijspraak dient te volgen. Niet kan worden vastgesteld dat er bij verdachte sprake is geweest van bewustheid en/of beschikkingsmacht ten aanzien van de aanwezigheid van verdovende middelen en munitie in loods 11. Subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit omdat het bewijs onrechtmatig is verkregen. Er is sprake geweest van een onrechtmatig binnentreden en een daarop volgende onrechtmatige doorzoeking. Dit onherstelbaar vormverzuim moet leiden tot bewijsuitsluiting.

Met een toelichting als vermeld in de pleitnotitie heeft de raadsvrouw bepleit dat er ten aanzien van de onder 4 tot en met 6 ten laste gelegde feiten eveneens vrijspraak dient te volgen. Wat tijdens het vervolgonderzoek in de woning is aangetroffen is een rechtstreeks gevolg van het eerder onrechtmatig verrichte onderzoek en dient dus ook van het bewijs uitgesloten te worden.

Ten aanzien van de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw subsidiair aangevoerd dat verdachte vanwege een beroep op psychische overmacht dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beoordeling door de rechtbank

De aanleiding voor het onderzoek door de politie waren twee anonieme meldingen. Deze meldingen zijn beschreven in het proces-verbaal.

De eerste melding, gedaan op 28 oktober 2014, hield in dat [betrokkene] , eigenaar van [bedrijf] aan [adres 2] in Heerde, bedrijfsunits zou verhuren. In drie units zouden zich illegale spuitcabines bevinden. Bij een aantal units zouden bij de toegangsdeur meerdere hangsloten zijn aangebracht. Er zouden bij deze units weinig activiteiten zijn. Ook zou duidelijk warmte waarneembaar zijn op de deuren, wat kon duiden op een hennepkwekerij.

De tweede melding, gedaan op 30 oktober 2014, hield in dat aan de [adres 4] in Heerde in een oude koeienstal/loods twintig units werden verhuurd. Daarin zouden onder andere auto’s worden gesloopt, gerepareerd en worden gespoten. Het viel op dat een aantal deuren hermetisch was afgesloten met drie à vier hangsloten en dat daar warmte vanaf kwam. De eigenaar van de loods was [betrokkene] . De maandelijkse huur moest door de huurders contant worden betaald.2

Op 6 januari 2015 is er met een warmtecamera onderzoek gedaan. De verbalisant heeft gezien dat het perceel [adres 2] in Heerde een groot perceel met meerdere aan elkaar geschakelde schuren betrof. Hij zag met de warmtebeeldcamera dat één van de schuren warmte uitstraalde. Op de gevel en het dak was de temperatuur gemiddeld 20 graden. Bij de andere naastgelegen schuren nam hij geen warmte waar boven de 4 graden.3

De anonieme meldingen en de warmtemeting leverden naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen op voor de verdenking van een of meer al dan niet als economisch delict te duiden strafbare feiten waaronder een vermoedelijk in werking zijnde hennepkwekerij in één of meer units binnen het bedrijfspand op het adres [adres 2] in Heerde.

De loods waar meer warmte werd gemeten is loods 8.4

De rechtbank is van oordeel dat de verleende machtiging niet alleen betrekking heeft op loods 8, maar op het gehele bedrijfspand. Er is een machtiging tot binnentreden in een woning afgegeven voor de woning gelegen aan de [adres 2] in Heerde. Daarbij heeft de hulpofficier van justitie de opmerking gemaakt: ‘In principe betreft genoemd adres een bedrijfspand en geen woning, doch de mogelijkheid bestaat, dat er ook op de een of andere wijze in het pand gewoond wordt’.5 Uit het verslag van binnentreden blijkt dat de verbalisant heeft geconstateerd dat er binnen het bedrijfspand, [adres 2] in Heerde, geen woning was.6

De rechtbank verwerpt het verweer dat er onrechtmatig is binnengetreden in loods 11.

In een proces-verbaal van bevindingen is gerelateerd dat de verbalisant op 22 januari 2015 in loods 11 diverse (oude en nieuwe) koolstoffilters, afzuigkappen, zakken potgrond, ventilatiemateriaal, lampen en transformatoren op de grond zag liggen. Het is de verbalisant ambtshalve bekend dat deze goederen worden gebruikt voor hennepkwekerijen. Verder zag de verbalisant in de ruimte een tafel waarop doorzichtig folie lag. Er lagen ook een snijmachine en een strijkbout. Onder een tafel werd een afgesloten zwarte sporttas aangetroffen. De verbalisant rook rond deze tas een hennepgeur. De zwarte sporttas werd, op grond van artikel 9, eerste lid, van de Opiumwet geopend, waarbij bleek dat zich in de tas meerdere doorzichtige zakken met gedroogde hennep bevonden. In loods 11 bevond zich ook een metalen rek waarop doorzichtige bakken zonder deksel stonden. In één van deze bakken werd een doorzichtige zak met gedroogde hennep en munitie aangetroffen. In dezelfde doorzichtige bak lag ook een plastic tas van de Aldi. Op grond van de Wet wapens en munitie werd deze tas onderzocht, waarbij een doorzichtige zak met 1.450 witte pillen met de indruk ‘LV’ werd aangetroffen. De zwarte sporttas en de doorzichtige zak met gedroogde hennep en de pillen zijn in beslag genomen.7

In beslag genomen voorwerpen mogen worden onderzocht. De rechtbank leidt uit het proces‑verbaal van bevindingen af dat de zwarte sporttas en de doorzichtige zak en de plastic tas eerst door de verbalisant aan een onderzoek zijn onderworpen, nadat zij door hem in beslag waren genomen. De verbalisant heeft niet meer gedaan dan zoekend rondkijken. De bevindingen van de verbalisant hielden in dat onderzoek werd gedaan in een bedrijfsruimte waar diverse goederen lagen die voor een hennepplantage kunnen worden gebruikt. Redelijkerwijs kon worden vermoed dat zich in de zwarte sporttas en de doorzichtige bak met een hennepplantage verband houdende goederen bevonden. Hierbij is ook van belang dat de zwarte sporttas volgens het relaas van de verbalisant hennepgeur verspreidde.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de door verbalisant verrichte handelingen niet onrechtmatig waren en dat er geen sprake is van een vormverzuim. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank is van oordeel dat het binnentreden op 3 februari 2015 van de woning van verdachte en het daar ingestelde onderzoek evenmin onrechtmatig waren. Op grond van de door [betrokkene] genoemde naam – [verdachte] – en het door hem opgegeven signalement heeft de wijkagent van Heerde vermoed dat verdachte de persoon was die naast de huurder iets met loods 11 te maken had. Naar het oordeel van de rechtbank mocht, gelet op wat op 22 januari 2015 in loods 11 is aangetroffen, aangenomen worden dat er ten aanzien van verdachte sprake was van vermoedelijke overtreding van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie en mocht in diens woning op het adres [adres 3] in Heerde worden binnengetreden om ook daar een onderzoek in te stellen.

Ten aanzien van betrokkenheid van verdachte bij de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Hij heeft verklaard dat [naam] , die al heel lang een vriend van hem is, de loods huurde en dat hij een hoekje van die loods in gebruik had voor opslag van spullen. Hij betaalde daarvoor een bedrag van € 125,- aan [naam] . Hij ij Hijbetaalde op verzoek van [naam] de huur van de loods contant aan [betrokkene] . Zowel hij als [naam] had een sleutel van de loods. Hij had er geen weet van dat er hennep, XTC en munitie in die loods lag.8

[betrokkene] heeft op 22 januari 2015 bij de politie verklaard dat hij eigenaar is van [bedrijf] , gevestigd op het adres [adres 2] in Heerde. Loods 11 was door hem aan [naam] verhuurd. De huur werd elke keer contant betaald. De laatste maanden had [naam] niet betaald. Hij had [naam] aangesproken over de achterstallige huur. [naam] had tegen hem gezegd dat hij het via [verdachte] (verdachte [verdachte] ) zou regelen. [verdachte] was vaker geweest om de huur te betalen. [betrokkene] heeft die [verdachte] een aantal keren met [naam] bij de loods gezien.9

Voor medeplegen is een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen vereist, waarbij het accent op de samenwerking ligt en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict moet van voldoende gewicht zijn.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte namens [naam] wel de huur van de loods heeft betaald, dat hij over een sleutel van de toegangsdeur beschikte en dat hij ook wel in die loods is geweest. Er is echter geen bewijs voorhanden, ook niet in de vorm van een verklaring van [naam] , dat verdachte wetenschap had van de in loods 11 in beslag genomen voorwerpen, laat staan dat hij ten aanzien van die voorwerpen zelf handelingen heeft verricht, en evenmin zijn er bewijsmiddelen voorhanden die dwingen tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte van de aanwezigheid van die voorwerpen heeft geweten. Niet vastgesteld kan worden dat verdachte aan de hem onder 1 tot en met 3 verweten stafbare gedragingen een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd, zodat er ook geen wettig en overtuigend bewijs is dat hij de feiten 1, 2 en 3 heeft medegepleegd. De rechtbank zal verdachte daarom van die feiten vrijspreken.

Met betrekking tot de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 110 en p. 111;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 154;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 159 en p. 160;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 171 tot en met p. 174;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 juni 2016.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

4.

hij op of omstreeks 03 februari 2015 te Heerde één of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen Nagant model Army 1895 (revolver), en/of bijbehorende munitie van categorie III, te weten een aantal scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 03 februari 2015 te Heerde één of meerdere wapen(s) van

categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische

stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden

toegebracht, voorhanden heeft gehad;

6.

hij op of omstreeks 03 februari 2015 te Heerde tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid

en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad

(in een pand aan [adres 3] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer

1360 gram hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid

van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid

meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid

van een middel (te weten 1360 gram hennep, althans meer dan 500 gram hennep);

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 4:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van de feit 5:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van de feit 6:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte ten aanzien van de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat er sprake was van een overmachtssituatie. Er waren zeer exceptionele en extreme omstandigheden waarbij verdachte het aanschaffen van wapens en munitie als enige middel zag om zijn partner te beschermen.

Voor psychische overmacht moet aannemelijk worden dat het handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een van buiten komende dwang, waartegen deze redelijkerwijs geen weerstand had kunnen en behoeven te bieden. Die drang moet acuut zijn en voor de dader onweerstaanbaar.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval van dergelijke dwang geen sprake is geweest. Het beroep op psychische overmacht wordt daarom verworpen.

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft benadrukt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstige feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft alleen ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft verzocht voor dit feit een taakstraf aan verdachte op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie, stroomstootwapens en meer dan een kg hennep in zijn bezit heeft gehad. Uit gevoel van onveiligheid had verdachte het geladen wapen binnen handbereik onder het bed liggen om dit eventueel direct te kunnen gebruiken. Dit levert een onaanvaardbaar risico op. Bovendien kan de combinatie van wapens en drugs extra gevaar opleveren. Bij conflicten die ontstaan over drugs wordt al snel gebruikgemaakt van (vuur)wapens.

De rechtbank komt tot het opleggen van een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten. Verder heeft de rechtbank laten meewegen wat in vergelijkbare zaken zoal wordt opgelegd. Ook twijfelt de rechtbank er niet aan dat verdachte de wapens heeft aangeschaft om zijn partner te kunnen beschermen. Daarnaast heeft de rechtbank laten meewegen dat verdachte inmiddels de zorg heeft over twee zeer jonge kinderen.

Alles overwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke werkstraf.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand en bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 veroordeelt de verdachte tot de volgende taakstraf, te weten:
een werkstraf van 180 (éénhonderd tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

 beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 (twee) uren in mindering worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C. van Lookeren Campagne (voorzitter), mr. J.B.J. Driessen en mr. W. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van A.B.M. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 juni 2016.

Mr. Roelink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , brigadier van de politie Oost‑Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015137662, gesloten op 30 april 2015, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Stamproces-verbaal, p. 7.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 59.

4 Stamproces-verbaal, p. 7.

5 Machtiging tot het binnentreden in een woning, p. 60.

6 Verslag van binnentreden, p. 61.

7 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 105 en p. 106.

8 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 6 juni 2016.

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene] , p. 175‑177.